Categorie: Inspiratie

Bemiedbar | Hoe neem ik de Torah mee?

Bemiedbar | Hoe neem ik de Torah mee?

In Parashat Bemiedbar lezen wij hoe de Tabernakel en haar heilige voorwerpen door de woestijn vervoerd werden. Op het eerste gezicht lijkt het een technisch verhaal over doeken, kleuren en transport. Maar juist daar, tussen de turquoise wol en de veelkleurige huid van de Tachash, schuilt het geheim van het voortbestaan van het Joodse volk.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Bemiedbar is de naam van het vierde boek van de Torah en tevens de naam van de eerste
Parasha van dit boek. Bemiedbar betekent ‘in een woestijn’. Inderdaad mogen wij in dit
vierde boek een kijkje nemen in alles wat het Joodse volk is overkomen in hun
veertigjarige trek door deze wildernis.

In Parashat Bemiedbar wordt de reis door de woestijn zorgvuldig voorbereid en georganiseerd. Allereerst wordt het Joodse volk geteld. Daarna wordt nauwkeurig beschreven hoe iedere stam zijn tenten rondom de Tabernakel moest opstellen. Elke stam kende zijn plaats binnen het kamp.

Ook het reizen zelf verliep volgens een strak georganiseerde structuur. Men kan zich voorstellen welke chaos zou ontstaan wanneer bijna drie miljoen mensen tegelijkertijd moesten vertrekken. Denk alleen al aan de chaos die ontstaat wanneer een complete stad plotseling geëvacueerd moet worden. Toch verliep in de woestijn alles opmerkelijk ordelijk. Het vertrek, de reis en de aankomst werden telkens opnieuw in gang gezet via een door G-d georkestreerd systeem..

Ook de Tabernakel, het middelpunt van het Joodse kamp, werd elke keer mee vervoerd  en juist dat vormt het slotstuk van onze Parasha. In de laatste verzen wordt uitgelegd hoe de vijf heiligste voorwerpen van de Tabernakel getransporteerd moesten worden: de Ark, de tafel, de menora, het gouden altaar en het koperen altaar.

Het waren de Levieten die de verantwoordelijkheid droegen om de Tabernakel uit elkaar te halen, te vervoeren en op de nieuwe bestemming opnieuw veilig op te bouwen. Levi, de zoon van Ja’akov, had drie zonen: Gershon, Kehat en Merari, en één dochter, Jochewed (de moeder van Aharon, Mirjam en Moshe). Bij iedere verhuizing kreeg elk van de drie families van Levi een eigen, nauwkeurig afgebakende taak.

Verhuizing    

In de veertigjarige trektocht werd er nogal wat verhuisd. Van de ene plek in de woestijn naar de andere, totdat ze veertig jaar later in Israël zouden arriveren.

Parashat Bemiedbar (4, 4-6) omschrijft hoe de familie van Kehat, de middelste zoon van Levi, verantwoordelijk was voor het transporteren van de meest heilige voorwerpen. Wel moesten de priesters (Aharon en zijn afstammelingen) eerst deze heilige voorwerpen volledig inpakken voordat de Levieten in actie mochten komen om aan hun transporttaken te beginnen.

Minstens twee verschillende doeken waren nodig om de heilige voorwerpen in te pakken:

  1. Een wollen kleed in turquoise geverfd
  2. De veelkleurige huid van een dier dat Tachash heet

De Ark, waarin de stenen tafelen werden bewaard, werd eerst bedekt met het gordijn dat het heilige deel van de Tabernakel scheidde van het Allerheiligste. Daarna werd de Ark ingepakt in de huid van de Tachash en vervolgens nog eens omhuld met een wollen, turquoise kleed.

Zo eindigt de eerste Parasha van het vierde boek van de Torah, Parashat Bemiedbar. De Parasha van volgende week, Naso, gaat verder met het transport van de overige onderdelen van de Tabernakel door de twee andere families van Levi: Gershon en Merari.

Betekenis turquoise verf

Wat is de betekenis van deze turquoise kleur en waarom werd juist de huid van de Tachash gebruikt? Waarom waren deze materialen, en vooral hun kleuren, zo essentieel om het transport mogelijk te maken? Welke diepere gedachte schuilt hierachter en welke les kunnen wij daar vandaag nog uit meenemen?

Rav Y.B. Soloveitchik, een geleerde uit de twintigste eeuw legt het uit.

Techelet is de turquoise kleur die verkregen werd uit een bepaalde vis uit de Middellandse Zee die Chilazon heet. Deze vis was moeilijk te vinden en te vangen en derhalve was deze turquoise kleur lastig te verkrijgen. Het is zelfs zo dat het nu al eeuwen niet meer gebruikt wordt omdat men gewoonweg niet meer weet welke vis dit precies is.

Deze zelfde turquoise kleur werd ook voor Tsietsiet gebruikt, de touwtjes die door mannen aan de hoeken van een vierhoekig kleed worden gedragen. Eén van die touwtjes moest ook met die turquoise kleur geverfd worden. Dit wordt tegenwoordig niet meer gedaan omdat men niet meer precies weet om welke vis het gaat. Recentelijk claimde de Radziner Rav dat hij deze zeldzame vis weer ontdekt had. Derhalve lopen vandaag de dag enkele mensen met een blauwe draad in hun tsietsiet, maar de meesten niet, omdat vele geleerden niet met zekerheid weten vast te stellen dat de gevonden vis de juiste is.

Omdat deze vis ook vroeger zelden te vinden was ontstond er destijds een handel in indigo poeder, een verf, afkomstig van de indigo plant. De indigo kleur ziet er net zo uit als het turquoise van de Chilazon vis. Toch was men in staat om te verifiëren of de turquoise kleur die men wilde kopen werkelijk van de vis afkomstig was. De Talmoed (Menachot 42b) vertelt ons dat men door het inweken van de stof de afkomst van de kleur kon nagaan. De turquoise kleur die van de Chilazon gemaakt was verbleekte namelijk nooit. Als eenmaal de wol ermee geverfd was bleef het voor altijd zijn kleur behouden. Daarentegen verkleurde de indigo-verf wel.

Onaantastbare essentie

Hierin ligt al de eerste les besloten achter het vervoeren van de meest kostbare elementen van de Tabernakel.

Niet alleen werd de Tabernakel in de woestijn getransporteerd. Ook later door de hele geschiedenis heen, zou het Joodse volk moeten verhuizen onder de meest schrijnende omstandigheden. Gediscrimineerd, vervolgd, bestolen, gemarteld en vermoord zijn wij in groepen of individueel op transport gezet. Hoe hebben wij het als volk overleefd? Wat heeft onze uitzonderlijke continuïteit gewaarborgd? Hoe hebben wij de warmte en de vonk van het Jodendom kunnen behouden?  En waar komt onze vitaliteit en het Joods bewustzijn vandaan?

Het zit hem in de Chilazon vis en juist niet in de indigo-poeder. De verf van de indigo plant komt en gaat. Het kleurt om vervolgens weer te vervagen. Daarentegen blijft de turquoise kleur, afkomstig uit de Chilazon, continu verenigd met de stof. Wat je er ook mee doet, het blijft. Niets kan het aantasten of verminderen. Waar je het ook mee mengt en waar je het ook in weekt het blijft zijn kleur behouden. Het Joodse volk behoudt ook zijn kleur. En die kleur is onafscheidelijk van onze essentie. Onze omgeving beïnvloedt ons niet. Tweeduizend jaar lang weken in ballingschap tast onze essentie niet aan.

Verschillende lagen en kleuren

Tegelijkertijd is er, alvorens men op reis gaat, een tweede bedekking nodig, de Tachash, de huid van dat ene dier dat niet meer bestaat. Hoe zag die huid eruit? Het was een mengsel van verschillende prachtige tinten (Talmoed Shabbat 28a). Dit vertegenwoordigt de vele verschillende interpretaties binnen de Torah en de verschillende benaderingen binnen het Jodendom. Alles in de Torah heeft 70 verschillende lagen. De Torah heeft meer dan één kleur, net zoals de huid van de Tachash.

Elk individu is anders en zal daarom op een andere manier geïnspireerd raken. Iedereen heeft een bepaalde muzieknoot die bij zijn ziel past en samen met de andere muzieknoten vormen zij een prachtige symfonie. Iedereen mag de Torah ervaren op zijn manier, mits het binnen het kader van haar wetten valt. Vandaar dat het gordijn als eerste op de ark gelegd werd. Het gordijn was de scheiding tussen heilig en allerheiligst. De Torah moest beschermd worden, gescheiden van de rest. Maar binnen de Torah zelf bestaan er zeeën van mogelijkheden, talloze interpretaties en vele manieren om hetzelfde idee te ervaren. De Torah en de stenen tafelen in de ark zijn niet beperkt tot één kleur, één niveau of één manier van ervaren. Iedereen heeft het recht en de mogelijkheid om daar zijn eigen weg en creativiteit in te vinden. Iedereen heeft zijn eigen bijdrage en zijn eigen invalshoek.

Ook een piano heeft 88 toetsen, maar wanneer Mozart erop speelt, ontstaat er een hele andere melodie dan wanneer Beethoven zijn vingers over het klavier laat walsen
Dezelfde toetsen, dezelfde piano, maar iedereen zijn eigen energie, zijn eigen muziek. De Torah gaat over inclusiviteit; iedereen hoort erbij, iedereen draagt op een unieke manier bij en samen vullen we elkaar aan. Stel je voor dat een volledige symfonie uit slechts één noot zou bestaan, of dat een schilderij maar één enkele kleur zou bevatten?
Iedereen hoort erbij en wordt erbij betrokken. De huid van de Tachash was een mix van prachtige tinten en daarom een uiterst geschikte stof om de Torah mee in te pakken en waar ook ter wereld naartoe te brengen. 

Veelkleurig, maar één geheel

Toch is de Tachash de huid van maar één dier. Weliswaar een veelkleurig dier maar het is er toch maar één. Omdat het Jodendom ook één geheel is. Wil je de Torah door de generaties heen meenemen dan moet je het ook als één geheel zien. Als je erin gaat hakken, als je het gaat sorteren en erin keuzes gaat maken, of zegt: dit spreekt mij aan en dit niet, dit vind ik leuk, gezellig enz… en dit is me weer te duur, te lastig en te ver, dan houd je een verwaterd Jodendom over.

De geschiedenis laat zien dat díe stromingen binnen het Jodendom, die ervoor kozen om een deel van de Torah uit te voeren en een deel niet, geen stand hebben kunnen houden. Dit soort Jodendom heeft de kracht niet in zich om naar de volgende generatie overgebracht te worden. Stel, je vindt Shabbat leuk maar je gaat ook op Shabbat boodschappen doen of werken. Wat moeten jouw kinderen of leerlingen hieruit concluderen? Is het Jodendom serieus of niet? Is het altijd waar óf af en toe niet? Natuurlijk is er ook ruimte voor groei. Niemand hoeft of moet alles in één keer op zich nemen. Dit is echter heel anders dan te zeggen: “Met dit deel ben ik het eens en met dit deel niet.” Je zou kunnen stellen: “Ik ben er nog niet aan toe of het is mij nu nog te veel, maar hopelijk in de toekomst gaat het mij wel lukken.”

Voorbeeld Ruth en Naomi

Dit is wat Ruth tegen Naomi zei toen zij weigerde terug te keren naar Moaw en haar ouderlijk huis. Ruth wilde hoe dan ook samen met Naomi naar Israël reizen en zich aansluiten bij het Joodse volk. Met haar woorden liet zij Naomi zien dat zij elk aspect van het Jodendom volledig op zich wilde nemen.

‘En Ruth zei (tegen haar schoonmoeder Naomi): “Vraag mij niet om jou niet te volgen, want waar jij naartoe gaat zal ik naartoe gaan en waar jij zult slapen zal ik slapen, jouw volk is mijn volk en jouw G-d is mijn G-d. Ik zal sterven waar jij sterft en daar zal ik begraven worden. Zo zal G-d voor mij doen en zo zal Hij het verder door laten gaan, want de dood zal een scheiding maken tussen mij en jou.” (Ruth 1, 16-17):

Zo staat het letterlijk in Megilat Ruth geschreven, maar eigenlijk was er veel meer gaande dan wij hier oppervlakkig kunnen lezen. Het gesprek was eigenlijk veel dieper en gedetailleerder (Talmoed Yevamot 47b):

Het Jodendom doet niet aan zending en toen Naomi zag dat Ruth, haar schoondochter, niet naar haar ouders wilde terugkeren, probeerde Naomi haar te overtuigen om dat wel te doen. Naomi zei tegen Ruth: “Als je Joods wilt worden dan moet je je aan de Shabbat-regels houden. Dat houdt o.a. in dat je niet meer dan 1 km buiten de bebouwde kom mag lopen.” Waarop Ruth zegt: “…waar jij heengaat zal ik heengaan.”

De reis naar Israël kon langer dan één dag duren. Dat betekende dat er onderweg ook geslapen moest worden, maar dat kon niet zomaar overal. Volgens de Joodse wet mag een vrouw namelijk niet alleen met een man op een afgesloten plaats verblijven wanneer niemand onverwachts naar binnen kan komen, tenzij het haar echtgenoot of een zeer naaste verwant betreft. Het was daarom mogelijk dat zij onderweg in de open lucht zouden moeten overnachten. Daarop antwoordde Ruth: “Waar jij slaapt, zal ik slapen.”

Wij hebben 613 geboden en verboden en jij maar 7. Waarop Ruth antwoordt: “…jouw volk is mijn volk”.

Naomi zegt: “Wij mogen geen afgoden dienen.” En Ruth zegt: “…jouw G-d is mijn G-d”.

Tenslotte zegt Naomi: “Er zijn vier verschillende doodstraffen die een mens kan krijgen bij bepaalde overtredingen.” En Ruth reageert: “…ik zal sterven waar jij sterft”. M.a.w. ik onderwerp me aan dezelfde regels als jij.

Holistisch

Wat opvalt in dit gesprek is de mix en verscheidenheid van onderwerpen, regels en wetten die door Naomi naar voren worden gebracht. Van afgodsdienst tot de details van de Shabbat-regels, van het alleen in een woning zijn met een man, tot de doodstraf. Fundamentele elementen lijken samen met zijdelingse onderwerpen ter sprake te komen. Het gesprek gaat over monotheïsme en tegelijkertijd over hoe ver je op Shabbat buiten de stad mag lopen.

De reden dat Naomi fundamentele onderdelen van het Jodendom naast ogenschijnlijk kleinere details plaatst, is omdat het Jodendom holistisch is en een geheel vormt. Het is geen keuzepakket waaruit men alleen neemt wat hem aanspreekt. Het is niet zo dat de ene regel de andere overtreft of dat sommige geboden belangrijker of essentiëler zijn dan andere. Elk gebod heeft iets oneindigs in zich, alleen al door het feit dat het van G-d afkomstig is. Met de wil van G-d verbind je je wanneer je het uitvoert. Het maakt dan niets uit of het een detail is of iets essentieels. Alles is dan essentieel. In die zin is elk gebod gelijk. Het woord gebod in het Hebreeuws is Mitswah en dat betekent verbinding, omdat, als je iets doet dat iemand wil, ongeacht wat het is, dan verbind je je automatisch met die persoon. Hetzelfde geldt met G-d. Met elk gebod dat je uitvoert versterk je je relatie met Hem. Je kunt niet zeggen: “Ik eet geen varkensvlees, maar voor de rest houd ik mij niet aan de regels.” Je kunt het natuurlijk wel zeggen, maar dan is jouw Jodendom zwak en fragiel en niet sterk genoeg om over meerdere generaties heen getild te worden. Bij de eerste storm onderweg valt het om. Het kan zijn dat het ene gebod je meer aanspreekt en dat je het graag vervult. En het kan zijn dat je het met andere elementen binnen het Jodendom niet eens bent of saai vindt of niet relevant. Maar het gaat niet om jou of om mij of om wat wij ervan vinden.

Samen dragen wij een collectieve verantwoordelijkheid om van alle kleuren en tinten in de Torah een prachtige mix te maken zoals de veelkleurigheid van de Tachash. Het is juist die houding die de continuïteit waarborgt.

Om een Jood te zijn en te blijven, om de stormen van millennia aan te kunnen en steeds weer die ark met z’n stenen tafelen mee te kunnen nemen heb je de Tachash nodig: de diverse eigenschappen van het Jodendom samengevoegd tot één geheel.

Munten van Moshe

Moshe Rabenoe moest verantwoording afleggen over hoe hij de donaties voor de Tempel, die aan hem toevertrouwd waren, had besteed. Echter, hij kon zich niet herinneren waar de 1775 zilveren gedoneerde munten voor waren gebruikt. De Talmoed vertelt ons hoe de Romeinse minister Koentroekoes maar niet begreep hoe dat kon. Koentroekoes vroeg aan Rav Yochanan ben Zakai of Moshe een dief of een oplichter was of dat hij zijn rekenlessen op school misschien niet goed had begrepen (Talmoed Bechorot 5a). Moshe wist in eerste instantie inderdaad niet waar het geld naartoe verdwenen was, maar later zag hij de zilveren haken die op de pilaren van de Tabernakel waren aangebracht en hij herinnerde zich ineens dat het zilver dáárvoor gebruikt was. 

Ook dit gesprek tussen Koentroekoes en Rabbi Yochanan ben Zakai heeft een diepere laag en betekenis. Koentroekoes wist heel goed dat het zilver niet in Moshe Rabenoes broekzak terecht was gekomen. Maar waar het bij Koentroekoes om ging was dat de details van het Jodendom best genegeerd en overgeslagen konden worden. Voor hem waren de details, de kleine haken, niet van belang. Uitsluitend de pilaren, de fundering, waren essentieel. Maar het Jodendom maakt geen onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Alles is G-ddelijk, onmeetbaar en van oneindige waarde. Of iemand zich weerhoudt van afgoden dienen of oplet dat hij niet te ver loopt op Shabbat, voor de Eeuwige G-d die boven de natuur en boven metingen en vergelijkingen staat, is het allemaal evenveel waard.

Details zijn cruciaal

Mensen vragen weleens: Kun jij niet een keertje een boterham met ham eten als je onverwacht op een vliegveld twee dagen moet wachten voor je verder kunt reizen? Of kan je niet een keertje op zaterdag werken of een examen afleggen omdat het echt niet anders kan? Kun je niet eenmalig een vrijstelling of ontheffing krijgen? Nee, is het antwoord. Het Jodendom is een pakket. Weliswaar een prachtig pakket met vele kleuren, maar een pakket desalniettemin.

Waarom heeft het Jodendom zo veel details? Ik begrijp de pilaren. Het monotheïsme aanvaard ik. Het spreekt mij aan dat wij geld geven aan de armen, dat we lief voor elkaar moeten zijn, dat we in één G-d geloven en een moreel en ethisch leven leiden waarin Joodse kennis en het gezinsleven centraal staan. Dit zijn de basisbegrippen, de pilaren van het Jodendom. Maar waarom de haken? Waarom tijd, energie en geld steken in zoveel details? Wat maakt het uit of dat kleine lepeltje in mijn keuken voor vlees of voor melk gebruikt wordt? Zelfs Moshe Rabenoe was de haken even vergeten! Maar G-d liet hem in de donkere hemel glimmende haken zien (Yalkoet Shimon Pekoedee 415). En toen wist Moshe het ineens weer. In de nacht van de ballingschap en in de duisternis van de nachtelijke reizen glimmen de zilveren details in de hemel. De details zijn cruciaal. De nuances binnen het Jodendom vormen juist een speciale glans. En dit is hoe de Torah bewaard is gebleven, millennia lang.

Goede reis

De Tachash en de turquoise kleur vormen het geheim achter het bewaren en koesteren van het Joodse leven, zowel individueel als collectief. Blauw is blauw en blijft blauw, of het nu regent of de zon schijnt. Of je jong bent of oud. Of je in Utrecht woont of in Jeroesjalajiem.

Of bepaalde details je aanspreken of niet, het Jodendom gaat door merg en been. Het is geen oppervlakkige indigokleur die langzaam vervaagt met de tijd. Het wordt een deel van wie je bent. En alles waarmee een mens zich werkelijk vereenzelvigt, blijft voortbestaan.

Hoe meer moeite je ergens voor doet, hoe meer je het zult waarderen en bewaren en hoe meer je kinderen het op hun beurt zullen overnemen. Alleen datgene dat je met overgave en vastberadenheid doet zal alle rondreizen, klimaatverschillen en generaties doorstaan. Zo zijn onze kostbaarheden met ons verhuisd, ingepakt in kleurrijke Tachash en vervolgens in duurzame turquoise.

Goede reis!

Bracha Heintz

Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson 

Opmaak Rianne Meijer en Devorah Verwoerd

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

www.chabadutrecht.nl

Wil je geven aan een goed doel? Help dan mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen. Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Bechoekotai | Trots en toch bescheiden, hoe doe je dat?

Bechoekotai | Trots en toch bescheiden, hoe doe je dat?

Welke positie je ook hebt, weet waar je talenten vandaan komen opdat je bescheiden blijft en niet op anderen neerkijkt. Respecteer je medemens, oordeel hem ten goede en deel je bezittingen!

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

De Talmoed vertelt ons het volgende verhaal (Shabbat 127 b) : Op een dag ging een man uit het noorden van Israel naar het zuiden om drie jaar lang daar te werken. Aan het einde van deze periode, op de dag voor Yom Kipoer, zei hij tegen zijn werkgever: ”Geef mij mijn salaris en ik zal huiswaarts keren om mijn vrouw en kinderen te eten te geven.” 

De werkgever zei tegen hem: “Ik heb geen geld om jou te betalen”.
-“Geef mij dan maar fruit.” zei de werknemer.
-“Ik heb geen fruit.”
-“Geef mij dan maar land.”
-“Ik heb geen land.”
-“Geef mij dieren.”
-“Ik heb geen dieren.”
-“Geef mij kussens en dekens.”
-“Ik heb geen kussens en dekens.”

De man hing zijn gereedschap over zijn schouders en ging teleurgesteld naar huis.
Na de feestdagen reisde de werkgever naar het noorden waar zijn werknemer woonde met het salaris en drie ezels. De eerste ezel was volgeladen met voedsel, de tweede met drinken en de derde met lekkernijen. Samen hebben ze gegeten en gedronken en de werkgever heeft het salaris uitbetaald. Daarna vroeg de werkgever: “Toen je mij om jouw salaris vroeg en ik je zei dat ik geen geld had, waar heb je mij toen van verdacht?”

Verdacht

 -“Ik dacht”, zei de werknemer, “dat jij voor een aantrekkelijke prijs goederen had ingekocht en jij al je geld had geïnvesteerd”.
-“En toen jij zei: “Geef mij dieren” en ik zei: “Ik heb geen dieren”, waar heb je mij toen van verdacht?”
-“Ik dacht dat de dieren misschien aan anderen verhuurd waren.”

De werkgever vroeg: “Toen je tegen mij zei: “Geef mij land” en ik zei: “Ik heb geen land”, waar heb je mij van verdacht?”
– Ik dacht: “Misschien is het land aan anderen verhuurd.”
-“En toen ik zei dat ik geen vruchten had, waar heb je mij van verdacht?“
-“Ik dacht dat je misschien de tiende (10% die men van zijn oogst opzij moest zetten alvorens men er gebruik van kon maken) er nog niet van afgetrokken had.”
-“En toen ik zei dat ik geen kussens en dekens had, waar heb je mij van verdacht?“
– “Ik dacht: “Misschien heeft hij al zijn bezittingen aan de tempel beloofd”.

De werkgever zei: “Ik zweer je dat dit precies is wat er gebeurd is. Ik had al mijn bezittingen aan de tempel beloofd vanwege Hurkanus, mijn zoon, die geen Torah leerde. Toen ik bij mijn vrienden in het zuiden kwam hebben ze mij van mijn belofte vrijgemaakt”. De werkgever zei: “En net zoals je mij positief beoordeeld hebt, zal G-d jou positief berechten”.

Tot zover het verhaal uit de Talmoed.

Elke situatie kan op een positieve of negatieve manier geïnterpreteerd worden. Hoe je over anderen denkt zegt eigenlijk meer over jezelf dan over de persoon die je beoordeelt. Als je lekker in je vel zit, je eigen leven op een positieve manier bekijkt en ruim denkt, dan zal je deze houding ook bij anderen kunnen toepassen. Hoe je zelf in het leven staat bepaalt hoe je naar anderen kijkt.

Oordeel niet

De Torah zit vol met verhalen, geboden en verboden, maar nog voordat je de Torah rol überhaupt opent en eruit gaat leren, kun je al inzicht krijgen welke houding een mens aan moet nemen. Alleen al de plaats op aarde waar de Torah gegeven werd, bevat een waardevolle les. De Sinai, een simpele, lage berg in een woestijn, bleek de meest ideale plek in de wereld te zijn om een gigantische hoeveelheid levenslessen aan de mensheid te geven.

G-d koos de Sinai om daar de Torah op te geven, maar eigenlijk is deze berg helemaal niet zo bijzonder, integendeel. De Midrash vertelt ons hoe de bergen met elkaar concurreerden omdat elke berg wilde dat de Torah op hem gegeven zou worden. Elke berg liet zien waarom hij meer geschikt was dan de ander. Alleen de berg Sinai deed aan deze discussie niet mee omdat hij van mening was dat hij geen kans maakte. Het was een lage berg waar maar weinig op groeide.

Toch had G-d een hele goede reden om juist deze lage, kale berg te kiezen. Het was om aan te tonen hoe belangrijk het is om bescheiden te zijn. Een bescheiden persoon is niet vol van zichzelf. Hij stelt zich nederig op en maakt daardoor ruimte voor een ander. Denk niet dat je het altijd beter weet of dat je beter bent. Oordeel niet.

Kijk bijvoorbeeld naar die man die met zijn kinderen de metro instapte. Iedereen zat rustig voor zich uit te staren of een krant te lezen, maar de kinderen verstoorden de rust. Ze renden van de ene kant van de wagon naar de andere, maakten een hoop kabaal en vielen hun medepassagiers lastig. Tot overmaat van ramp zei de vader niets tegen zijn kinderen. Hij liet ze hun gang gaan en leek niet eens hun wangedrag te bemerken. De irritatie bij de medepassagiers escaleerde en uiteindelijk vroeg iemand aan de papa of hij misschien zijn kindjes tot de orde kon brengen. De man keek op, realiseerde zich wat er gaande was en zei: “Oh ja, je hebt gelijk. Ik moet hier wel iets aan doen. We komen net terug uit het ziekenhuis waar hun moeder een uur geleden overleden is. Ik weet niet zo goed wat ik hiervan moet denken of hoe ik mijn kinderen kan helpen om dit te verwerken…”.

Als een mens bescheiden is dan beoordeelt hij een ander positief. Hij maakt ruimte voor zijn medemens en voor G-d. Niet dat G-d ruimte nodig heeft, maar als wij Hem willen tegenkomen in ons leven, dan is het natuurlijk wel handig om ruimte voor Hem te maken, anders is Hij er wel, maar laat hij zich niet zien.

Bechoekotai

In Parashat Bechoekotai komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  1. Hoe G-d ons zegent wanneer wij ons aan Zijn geboden houden.
  2. De meest vreselijke vloeken wanneer wij de geboden overtreden.
  3. Hoe je de geldwaarde van een mens kan uitrekenen als je dat bedrag aan de tempel wenst te doneren.
  4. Hoe je een dier aan de tempel kan doneren.
  5. Hoe je je huis of veld of de waarde ervan aan de tempel kunt schenken.
  6. Het geven van 10% van je oogst en één dier op de tien aan de priesters.

Na de vloeken (2), worden de donaties aan de tempel (3) besproken. Men kon bijvoorbeeld een gift geven in de vorm van de waarde van een mens. Maar hoe reken je de waarde van een mens uit? Dit werd uitgerekend aan de hand van de leeftijd en ook of het om een man of een vrouw ging. De bedragen vertegenwoordigden natuurlijk niet de werkelijke, onschatbare waarde van een persoon, maar waren zuiver een symbolisch bedrag om een bepaalde som geld te geven.

Als een man tussen de 20 en 60 jaar was, kon hij zijn eigen waarde aan de tempel geven door 50 zilveren Shekalim te betalen. Voor een jongen van 5 jaar gold een donatie van 20 Shekel en voor een jongen van 1 jaar, 5 Shekel. Of hij nou voorzitter van een multinationaal bedrijf was of een straatveger, voor de tempel was zijn waarde gelijk, noch zijn rijkdom noch zijn prestaties wogen in deze beslissing mee.

Waardevolle lessen

Niet alleen schuilen er waardevolle lessen in de verhalen en wetten van de Torah, maar zelfs in de volgorde waarin deze in de Torah besproken worden zit er een eeuwige boodschap. Nu kunnen we de vraag stellen waarom de geldwaarde van een mens behandeld wordt meteen nadat alle vloeken worden opgenoemd?

De Torah geeft hiermee een signaal af: Wil je je beschermen tegen allerlei misères en ziektes? Wees het vóór en besteed een deel van je geld aan de tempel of aan een ander goed doel in plaats van aan een dokter of ziekenhuis.

Bij het bepalen van de waarde van mannen, vrouwen en kinderen worden de volgende bedragen genoemd: 50, 30, 20, 10, 15, 10, 5 en 3 Shekel. De Ba’al Hatoerim merkt op dat het totaal van deze bedragen 143 is. En dat is precies het aantal vloeken in de Torah voor het niet volgen van de geboden waarvan er 45 in onze Parasha Bechoekotai staan en 98 in Kie Tawo (Dewariem). Geld geven is kennelijk dé bescherming tegen allerlei narigheden.

De Kotsker Rebbe leert ons een andere les. Waarom wordt de waarde van een mens berekend meteen na het opnoemen van alle vloeken, vervolgingen, ziektes en ellende? Daarin ligt het geheim van de overleving van het Joodse volk. Keer op keer zijn we verdreven, vervolgd en vernietigd. Maar op de één of andere manier hebben wij allemaal onze onschatbare waarde weten te koesteren en te bewaren. Waar halen wij de kracht vandaan? Elk ander volk dat onder gelijke omstandigheden heeft geleefd is van de kaart verdwenen. Hoe verklaren wij ons voortbestaan, eeuw in, eeuw uit? Het antwoord ligt in deze parasha. Na de meest gruwelijke ellende vertelt de Torah ons dat elk mens waarde heeft. Het is niet de vijand en zijn gebrek aan respect die onze waarde bepaalt, maar Diegene die ons gemaakt en gevormd heeft.

Ook in de 21ste eeuw kunnen wij deze boodschap ter harte nemen. Velen van ons voelen zich vanbinnen verwoest. Misschien zijn we misbruikt of hebben wij een enorm verlies geleden. Maar wij mensen hebben een bepaalde vaste waarde die onafhankelijk is van wat er met ons gebeurd is. En die waarde kan een bijdrage leveren aan het meest heilige plan van de wereld dat door de tempel vertegenwoordigd wordt. Hoe zwaar jouw leven was of is, jouw menselijke waarde blijft hetzelfde.

Geld geven

Tsedakah-busje mét molen in Jeruzalem

En hoe krijg je jezelf zover om geld weg te geven? Wie motiveert je? Als je bescheiden bent en niet vindt dat alles jou per se toekomt, dan kun je ook makkelijk tsedaka geven, zoals onze werkgever in het verhaal hierboven, die alles aan de tempel beloofd had. Je kunt zelfs, vertelt onze parasha, je eigen waarde aan de tempel geven.

Bescheidenheid leren wij van de plek waar de Torah gegeven is, namelijk een lage berg die Sinai heet. Je zou je kunnen afvragen waarom G-d überhaupt een berg koos als Hij nederigheid zo wilde benadrukken. Waarom niet in ons platte kikkerlandje of nog beter in een dal of vallei?

De berg Sinai geeft ons een bescheiden, maar ook een krachtige les. De berg is wel noodzakelijk om ons te leren dat we ons niet moeten laten platwalsen door andere mensen die ons misschien uitlachen of zelfs vragen waarom we niet meedoen met de rest van de maatschappij. Waarom gedragen wij ons niet zoals ieder ander? Waarom gaan we niet gemengd zwemmen en op zaterdag gewoon boodschappen doen? Dat zou toch allemaal veel handiger en simpeler zijn? Waarom gedragen wij ons anders, vragen onze buren zich af.

We laten onszelf de grond niet inboren. Enerzijds weten wij wat we waard zijn. Anderzijds passen wij de “Moshe Rabenoe” regel toe. Van hem is namelijk bekend dat hij de meest bescheiden man op aarde was. De Torah in Bamidbar (12-3) getuigt hiervan:

“והאיש משה ענו מאד מכל האדם אשר על פני האדמה”

“En de man Moshe, was zeer bescheiden, meer dan ieder mens op aarde.” 

Prestatie

Hoe heeft hij dat klaargespeeld? Was hij niet trots op zichzelf? Besefte hij niet welke vooraanstaande rol hij in zijn generatie speelde en in wezen in de hele geschiedenis? Wij zijn inmiddels meer dan 3000 jaar verder en iedereen weet nog steeds wie Moshe Rabenoe was. Hij werd door G-d gekozen om het Joodse volk uit Egypte te bevrijden! Hij heeft de Torah hoogstpersoonlijk in ontvangst genomen! Hij heeft het Joodse volk 40 jaar door de woestijn geleid. Dit was misschien wel zijn grootste prestatie! Je zou toch maar drie miljoen Joden met je mee op reis nemen. U kent toch het gesprek tussen de Amerikaanse president en zijn Israëlische collega?

De president van de VS: “Ik heb het heel erg zwaar. Mijn land is gigantisch groot en ik moet hier leiding geven aan miljoenen inwoners”. “Oh”, zegt de Israëlische president, “dat is niets. Ik moet een land besturen die uit miljoenen presidenten bestaat!”

Moshe Rabenoe had de hoogste positie ooit. Het ging zelfs zo ver dat de Torah getuigt van het feit dat het Joodse volk in G-d geloofde én in Moshe, Zijn dienaar (zie Shemot 14-31). Toch wist Moshe zich bescheiden op te stellen. Hij was er namelijk van overtuigd dat, als andere mensen op aarde zijn gaven en mogelijkheden zouden hebben gehad, zij beter zouden hebben gepresteerd dan hij.

Dat is precies de boodschap van de berg Sinai. Enerzijds is het een berg en dat wijst op hoogte, kracht en aanzien. Anderzijds is deze berg laag en dat vertegenwoordigt bescheidenheid. We weten wat we waard zijn. We hebben kracht en aanzien. We zijn ons ervan bewust dat wij een unieke bijdrage kunnen en horen te leveren aan de maatschappij. We laten ons niet door vijanden intimideren. Spotters en belagers worden genegeerd. Tegelijkertijd weten wij dat onze talenten en begaafdheden door G-d aan ons geschonken zijn. We zijn er blij mee en dankbaar voor dat we ze ten goede mogen gebruiken. Zo zorgen wij ervoor dat we bescheiden blijven waardoor wij ruimte maken voor anderen. Het geven aan goede doelen wordt hierdoor een natuurlijke manier van leven, net zoals het positief beoordelen van onze medemens. Een waardevolle les!

Bracha Heintz

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

Gebaseerd op een les Rav YY Jacobson  

Opmaak Rianne Meijer en Sonja Tamam en Devorah Verwoerd

www.chabadutrecht.nl

Wil je geven aan een goed doel? Help dan mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen. Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Èmor | Schouwspel in een gersteveld

Èmor | Schouwspel in een gersteveld

De mondelinge leer. Waarvoor dient zoveel uitleg en interpretatie? Waarom niet eenvoudig de tekst letterlijk aanvaarden? Er staat immers al zo veel – over oogsten en data, over het tellen van dagen en weken, over het verfijnen van wat nog onvolmaakt is. Toch is niet alles meteen helder; soms prikkelt het, soms lijkt het zelfs tegenstrijdig. Waarom al die nuances, waarom dat subtiele en mysterieuze? Juist in de woorden die zich niet direct prijsgeven, liggen diepere lagen verborgen. Misschien ligt daar wel de ware uitnodiging van de Torah: niet alleen de tekst letterlijk te lezen, maar te doorgronden wat erin besloten ligt.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

 14 Niesan, in de middag – de dag waarop het Pesachoffer werd gebracht. Op diezelfde dag zond het Hooggerechtshof, dat zetelde in de Beit Hamikdash in Jerushalayim, drie afgevaardigden naar een gersteveld vlak buiten de stad. Daar bonden zij de vochtige gerst samen, terwijl deze nog met de aarde verbonden bleef.

15 Niesan, in de avond – de eerste avond van Pesach, waarop het Pesachoffer werd gegeten.

16 Niesan, in de avond – de avond waarop men in groten getale naar het gersteveld trok, samen met de drie afgevaardigden die daar ook op 14 Niesan waren geweest. Ieder van hen droeg een zeis en een mand en richtte zich tot de menigte:

“Is de zon onder?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is de zon onder?”
“Ja.”
“Is de zon onder?”
“Ja.”

Vervolgens vroegen zij:
“Is dit een zeis?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is dit een zeis?”
“Ja.”
“Is dit een zeis?”
“Ja.”

Daarna:
“Is dit een mand?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is dit een mand?”
“Ja.”
“Is dit een mand?”
“Ja.”

En indien het Shabbat was, vroeg het drietal:
“Is het vandaag Shabbat?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is het vandaag Shabbat?”
“Ja.”
“Is het vandaag Shabbat?”
“Ja.”

En ten slotte:
“Zal ik oogsten?”
En de toeschouwers antwoordden: “Oogst!”
“Zal ik oogsten?”
“Oogst!”
“Zal ik oogsten?”
“Oogst!”

Tafereel en toneel

Wat een indrukwekkend tafereel. Wat een schouwspel. Wat speelde zich hier af?

De aanwezigheid van zovelen en het driemaal herhalen van elke vraag dienden om de aandacht te vestigen en te onderstrepen dat alles nauwgezet werd uitgevoerd volgens de voorschriften van de Torah, en in het bijzonder volgens de mondelinge leer. Want, geachte lezer, de Torah kent twee onafscheidelijke delen. Het ene deel is de schriftelijke leer, de Tenach, waarvan de vijf boeken van Moshe woord voor woord aan hem door G-d zijn gedicteerd en de overige geschriften die met G-ddelijke inspiratie zijn opgetekend. Het andere deel is de mondelinge leer, die G’d aan Moshe als toelichting op de schriftelijke leer op de berg Sinai heeft overgeleverd.

Pas ongeveer 1500 jaar na het geven van de Torah werd de mondelinge leer, de Mishna, door Rabbi Yehuda Hanasi op schrift gesteld, in het jaar 189 van de gewone jaartelling. Zij werd samengesteld op basis van aantekeningen van verschillende geleerden. Het vastleggen van de mondelinge leer werd toen noodzakelijk geacht, omdat men vreesde dat deze kennis door de ballingschap niet langer nauwkeurig van generatie op generatie zou worden overgeleverd.

De schriftelijke en mondelinge leer zijn dikke maatjes; zij kunnen niet zonder elkaar bestaan. Enerzijds kan het schriftelijke deel van de Torah zonder toelichting niet volledig worden begrepen of uitgevoerd. Anderzijds is de gehele mondelinge leer gegrond in het schriftelijke gedeelte. Enkele voorbeelden zullen dit verduidelijken.

In de schriftelijke leer in Wajikra, 16: 29 en 31 staat:

:בַּחֹ֣דֶשׁ הַ֠שְּׁבִיעִי בֶּֽעָשׂ֨וֹר לַחֹ֜דֶשׁ תְּעַנּ֣וּ אֶת־נַפְשֹֽׁתֵיכֶ֗ם

In de zevende maand, op de tiende van de maand zullen jullie jezelf kwellen. (vers A)

שַׁבַּ֨ת שַׁבָּת֥וֹן הִיא֙ לָכֶ֔ם וְעִנִּיתֶ֖ם אֶת־נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם חֻקַּ֖ת עוֹלָֽם׃

Het is voor jullie een Shabbat stopdag en jullie zullen jezelf kwellen, een eeuwige wet. (vers B)

De tiende dag van de zevende maand is Yom Kipoer, Grote Verzoendag en de Torah vertelt ons om ons te kwellen. Maar nergens staat er in de schriftelijke leer wat het kwellen inhoudt. Misschien moeten we op een spijkerbed gaan liggen of op een mierennest gaan zitten. Toch weet iedereen dat Yom Kipoer een vastendag is. Maar waar komt deze kennis vandaan? Uit de mondelinge leer.

Nog een voorbeeld uit Dewariem, 12:21:

:וְזָבַחְתָּ֞ מִבְּקָרְךָ֣ וּמִצֹּֽאנְךָ֗ אֲשֶׁ֨ר נָתַ֤ן ה לְךָ֔ כַּאֲשֶׁ֖ר צִוִּיתִ֑ךָ

…en je zult je rund- en kleinvee die G-d jou gegeven heeft slachten zoals ik jou geboden heb… (vers C)

Maar waar wordt er geboden hoe je moet slachten? Nergens in de schriftelijke leer staat hier iets over! Rashi helpt ons met zijn uitleg over dit vers. Hij vertelt ons dat de slachtwetten aan Moshe Rabenoe op de berg Sinai werden verteld.

Compensatie

En dan het bekende voorbeeld in Shemot, 21:24:

:עַ֚יִן תַּ֣חַת עַ֔יִן שֵׁ֖ן תַּ֣חַת שֵׁ֑ן יָ֚ד תַּ֣חַת יָ֔ד רֶ֖גֶל תַּ֥חַת רָֽגֶל

Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

De letterlijke betekenis van dit vers zou zijn dat als Reuven letsel toebrengt aan het oog van Shimon, er een oog bij Reuven verwond zou moeten worden. Zijn deze gruwelijke praktijken wel Joods? Nee, natuurlijk niet. Het is nooit voorgekomen dat een Joods gerechtshof een dergelijke uitspraak gedaan heeft. De mondelinge leer schiet ons te hulp. Iemand die een lichaamsdeel van een ander beschadigt, moet hem financieel compenseren. Hij moet hem vergoeden voor wat hij nu minder waard is door het ontbreken van het beschadigde lichaamsdeel. Dat is compensatie nummer één. Er zijn in totaal 5 financiële vergoedingen:

1. voor het ontbreken van het beschadigde lichaamsdeel
2. voor alle medische uitgaven
3. voor het gemiste salaris tot aan herstel
4. voor de pijn
5. voor de schaamte

Het kan ook niet anders. Wat immers als Reuven reeds aan één oog blind was? Wanneer ook zijn tweede oog verwond zou worden, zou hij volledig blind raken. Wie kan bovendien garanderen dat men in staat is exact hetzelfde letsel toe te brengen? Stel dat iemands oog voor een derde wordt beschadigd, hoe zorgt men ervoor dat de wond precies gelijk is? Misschien valt de schade groter uit, of juist geringer. Daarbij komt dat de betrokkene door het letsel ernstig ziek kan worden, of zelfs kan overlijden, bijvoorbeeld ten gevolge van een infectie. Er staat “oog om oog” en niet “oog om leven”. In de Talmoed worden hieraan twee bladzijden gewijd, waarin maar liefst tien verschillende redenen worden opgesomd waarom “oog om oog” niet letterlijk kan worden opgevat.

Nu wij dit weten, rijst nog een vraag: als er vijf vormen van financiële vergoeding verschuldigd zijn, waarom wordt dit dan niet duidelijk en expliciet in de Torah vermeld? De formulering “oog om oog” lijkt immers vatbaar voor misverstand.

Juist daarin ligt echter een diepere bedoeling besloten. De Torah laat ons op subtiele wijze verstaan dat een dader, zelfs wanneer hij alle vijf vormen van vergoeding betaalt, het in wezen nog steeds niets heeft rechtgezet. Een mens en zijn ledematen zijn immers niet te koop. Anders zou men kunnen denken dat men zonder aarzeling een ander kan slaan, verwonden of zelfs verminken, zolang men achteraf maar betaalt. Een vermogend persoon zou dan onbezorgd kunnen toeslaan en het vervolgens met geld kunnen aflossen.

“Welnee,” leert de Torah ons. “Heb jij het oog van je medemens beschadigd, dan zou in wezen jouw eigen oog diezelfde beschadiging moeten ondergaan.” “Oog om oog.” In de praktijk echter zal de rechtbank de dader slechts tot financiële compensatie verplichten.

De Torah is niet uitsluitend een wetboek. Elke zin en zelfs elk woord en letter heeft vele betekenissen. Wanneer alleen de wet van geldcompensatie in de Torah had gestaan, dan hadden we alle andere verborgen lagen niet kunnen ontdekken.

Natuurlijk baseert de mondelinge leer zich op het schriftelijke deel. Er staat namelijk helemaal niet oog om oog, maar עַ֚יִן תַּ֣חַת עַ֔יִן (ajien tachat ajien), oog onder oog. Wanneer men de letters van het woord עַיִן, oog, neemt en telkens de daaropvolgende letter in het alfabet kiest, ontstaat het volgende:

Na de עַ֚ Ajien komt de פ, Pee.
Na de יִ Joed komt de כ Kaf. 
Na de ן Noen komt de ס Samech.

Wanneer dezenieuwe letters tot een woord samengevoegd worden, vormen zij het woord כסף, kesef, dat “geld” betekent, oftewel financiële compensatie. Zo laat de Torah in dit vers doorschemeren, via de mondelinge leer, dat enerzijds geldelijke vergoeding wordt bedoeld, en anderzijds dat de dader in wezen dezelfde verwonding zou behoren te ondergaan als die hij heeft toegebracht.

De schriftelijke leer zelf wijst er dus op dat zij vergezeld gaat van een mondelinge leer. De Torah zelf is het medicijn en de mondelinge leer is de bijsluiter. “Lees goed de bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat gebruiken”, staat er op elk doosje medicijnen.

Hebreeuws mondeling

De Talmoed verhaalt over een niet-Jood die zich tot het Jodendom wilde bekeren. Hij wendde zich tot de geleerde Hillel met het verzoek uitsluitend de schriftelijke leer te willen aanvaarden, terwijl hij de mondelinge leer afwees. Hillel doorzag zijn oprechtheid, maar ook zijn onbegrip ten aanzien van de aard en de noodzaak van de mondelinge leer. Daarom gaf hij hem een eerste les: hij toonde hem de letters alef en beet.

De volgende dag onderwees Hillel hem opnieuw dezelfde twee letters, maar nu omgekeerd. De alef noemde hij beet en de beet noemde hij alef. De man protesteerde heftig, want nog geen dag eerder had hij het precies andersom geleerd.

“Nu zie je,” zei Hillel tot zijn leerling, “dat je een leraar nodig hebt die je mondeling het alfabet bijbrengt. Nergens staat vastgelegd hoe een letter moet worden uitgesproken. Om te leren lezen is de mens geheel aangewezen op de mondelinge overlevering. Je moet er dus op vertrouwen dat je leraar de juiste traditie aan je doorgeeft, dezelfde traditie die hij op zijn beurt van zijn leraar heeft ontvangen, en zo teruggaand tot aan de berg Sinai.

Het lezen van het alfabet is een deel van de mondelinge leer. Je kunt niet leren lezen tenzij iemand jou vertelt wat er staat. En jij denkt de Torah te kunnen begrijpen zonder de uitleg van de Rabbijnen. Maar de verklaringen van de Torah zijn vele malen complexer dan het lezen van het alfabet! Zonder de mondelinge traditie zul je de Torah nooit kunnen vatten.”

Datum bepalen

En nu terug naar het oogsten van de eerste gerst, dat in onze Parasha besproken wordt. De vraag is wanneer dat gebeuren moest, op welke dag? Laten we de schriftelijke leer erbij halen uit parashat Emor, Wajiekra 23 ( 9 – 16)

וַיְדַבֵּ֥ר ה אֶל־מֹשֶׁ֥ה לֵּאמֹֽר׃

G-d zei tegen Moshe om te zeggen. (vers D)

דַּבֵּ֞ר אֶל־בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ וְאָמַרְתָּ֣ אֲלֵהֶ֔ם כִּֽי־תָבֹ֣אוּ אֶל־הָאָ֗רֶץ אֲשֶׁ֤ר אֲנִי֙ נֹתֵ֣ן לָכֶ֔ם וּקְצַרְתֶּ֖ם אֶת־קְצִירָ֑הּ וַהֲבֵאתֶ֥ם אֶת־עֹ֛מֶר רֵאשִׁ֥ית קְצִירְכֶ֖ם אֶל־הַכֹּהֵֽן׃

Spreek tot het Joodse volk en zeg tegen hen: “Als jullie naar het land zullen komen dat ik jullie geef en jullie zullen de oogst oogsten en jullie zullen brengen één Omer (circa 2,5 liter), het eerste van jullie oogst naar de priester. (vers E)

וְהֵנִ֧יף אֶת־הָעֹ֛מֶר לִפְנֵ֥י ה לִֽרְצֹנְכֶ֑ם מִֽמָּחֳרַת֙ הַשַּׁבָּ֔ת יְנִיפֶ֖נּוּ הַכֹּהֵֽן׃

En hij zal de Omer heen en weer bewegen vóór G-d, voor jullie genoegen, de dag na de Shabbat (feestdag) zal de priester het heen en weer bewegen. (vers F)

וּסְפַרְתֶּ֤ם לָכֶם֙ מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת מִיּוֹם֙ הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם אֶת־עֹ֖מֶר הַתְּנוּפָ֑ה שֶׁ֥בַע שַׁבָּת֖וֹת תְּמִימֹ֥ת תִּהְיֶֽינָה׃

En jullie zullen tellen voor jullie vanaf de dag na de Shabbat (feestdag), vanaf de dag dat jullie de heen en weer bewegende Omer brengen, het zullen zeven volle shabbatot (weken) zijn. (vers G)

עַ֣ד מִֽמָּחֳרַ֤ת הַשַּׁבָּת֙ הַשְּׁבִיעִ֔ת תִּסְפְּר֖וּ חֲמִשִּׁ֣ים י֑וֹם וְהִקְרַבְתֶּ֛ם מִנְחָ֥ה חֲדָשָׁ֖ה לַה׃

Tot de zevende Shabbat (week) zullen jullie 50 dagen tellen en jullie zullen een nieuw meeloffer voor G-d brengen. (vers H)

Betekenis Shabbat 

In de bovengenoemde tekst, die deel uitmaakt van de schriftelijke leer, hebben wij zojuist gelezen dat het gerstoffer de dag na ‘Shabbat’ gebracht moest worden en dat er vanaf die dag, elk jaar weer, zeven weken geteld moeten worden, waarna het feest van Shawoe’ot gevierd wordt.  Ook weten wij dat het gerstoffer en de omertelling de dag na de eerste dag Pesach beginnen en Pesach niet per se op Shabbat valt.

Vraag 1: Wat betekent eigenlijk ‘Shabbat’?

Vraag 2: Hoe weten we dat de Torah hier niet per se Shabbat (zaterdag) bedoelt?

Vraag 3: Waarom staat er in de Torah dat we de dag na Shabbat horen te beginnen in plaats van te schrijven de dag na Pesach?

Wij denken natuurlijk allemaal dat Shabbat de zevende dag van de week is. En terecht, dat klopt ook, maar dat is niet de enige vertaling. Eigenlijk betekent Shabbat in het Hebreeuws stoppen. Inderdaad is G-d op de zevende dag van de schepping gestopt met het creëren van nieuwe schepselen. Ook wij stoppen op Shabbat met het maken van nieuwe voorwerpen. Maar dat stoppen gebeurt ook op feestdagen ongeacht op welke dag van de week die vallen.

Het woord Shabbat heeft nog meer verklaringen. Wanneer wij dit woord tegenkomen in de Torah kan het de volgende drie betekenissen hebben:

  1. de zevende dag van de week, zaterdag
  2. een feestdag, bijvoorbeeld Yom Kipoer wordt in de Torah ‘Shabbat’ genoemd, terwijl het op een doordeweekse dag kan vallen. Zie bovengenoemd vers B. Ook Pesach kan Shabbat genoemd worden zoals in de verzen F en G.
  3. een hele week zoals in de verzen G en H

Wanneer het Omeroffer in de Torah besproken wordt staat erbij op welke dag het gebracht moest worden, namelijk מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת (mimacharat hashabbat), d.w.z. de dag na ‘Shabbat’, de Stopdag. Welke van de vele stopdagen (Shabbat en feestdagen) wordt hiermee bedoeld? Wordt hier letterlijk Shabbat bedoeld of een feestdag? Als het gaat om het tellen van de Omer dan betekent Shabbat de eerste dag Pesach. Want ziet u, geachte lezer, het tellen van de omer wordt in parashat Emor beschreven. Maar niet alleen wordt de Omer hier besproken. Alle feestdagen komen in deze parasha aan bod en allemaal worden ze hier Shabbat (stopdag) genoemd. Als alle feestdagen shabbat worden genoemd, waarom zou Pesach een uitzondering zijn? We kunnen alleen maar concluderen dat als er in parashat Emor ‘Shabbat’ staat, dat daar een feestdag mee wordt bedoeld.

Pesach is 15 Niesan en dus moest het Omeroffer de volgende dag op 16 Niesan gebracht worden, ongeacht welke dag van de week dat was.

Had er in de Torah letterlijk gestaan dat het Omeroffer de dag na Pesach gebracht moest worden, dan had men niet geweten welke dag dat was. Wat wordt er precies met Pesach bedoeld? Is dat 14 Niesan, de dag dat het Pesachoffer gebracht werd of zou het 15 Niesan zijn, de feestdag waarop het Pesachoffer gegeten werd?  Door de term Shabbat te gebruiken, kon er geen verwarring zijn, omdat het woord ‘Shabbat’ alleen een feestdag kan zijn, een dag wanneer men stopt (shabbat) met het uitvoeren van werkzaamheden. 14 Niesan, de dag dat het Pesach offer gebracht werd is geen stopdag d.w.z. dat werk op die dag geoorloofd is. Daarentegen is 15 Niesan wel een stopdag. Mimacharat hashabbat, de dag na de stopdag kan dus alleen de dag na 15 Niesan zijn, dus 16 Niesan.

Dit hield in dat deze gerst precies de dag na de feestdag (stopdag) van Pesach geoogst moest worden en niet zoals de Tsedoekim beweerden. Zij waren een groep Joden die de mondelinge leer verwierpen en het woordje Shabbat maar op één manier vertaalden. Zij waren van mening dat men tot na Pesach moest wachten totdat er eerst een Shabbat (een zaterdag) was, en dat men pas de volgende dag, op zondag, het Omeroffer moest brengen. Omdat ze de mondelinge leer niet accepteerden, begrepen ze het woord ‘Shabbat’ verkeerd. Vandaar dat het brengen van het Omeroffer met heel veel spektakel geschiedde, om er publiciteit aan te geven hoe deze mitswa vervuld moest worden en vooral wanneer.

En dus op de dag na Pesach d.w.z. op 16 Niesan werd de gerst naar de tempel gebracht. Daar werd het geroosterd in een geperforeerde pan. Vervolgens werd het gemalen en 13 keer gezeefd. Een “Omer” (een hoeveelheid van circa 2,5 liter) werd vermengd met olie en wierook en in alle richtingen gezwaaid. Een kleine hoeveelheid van dit mengsel werd door de priester op het altaar verbrand. Wat er overbleef, werd door de priesters gegeten. Pas na dit ritueel mocht het Joodse volk van de nieuwe oogst gebruik maken.

Zie hier hoe het brengen van de Omer in de tempel gebeurde:

https://www.youtube.com/watch?v=7c1WvQXGzUQ

Tellen

Op de dag na Pesach werd niet alleen het Omeroffer gebracht. Op die dag begon men ook de dagen te tellen tot aan het moment dat de Torah zeven weken later ontvangen zou worden. Vandaag kunnen wij geen Omeroffer meer brengen omdat de Romeinen, onder leiding van hun bevelhebber Titus, in het jaar 70, de Tempel in Jeruzalem hebben verwoest. Offers kunnen we niet brengen, maar tellen kan, mag en moet altijd: zeven weken lang, tussen Pesach (het bevrijdingsfeest) en Shawoe’ot (het Wekenfeest) tellen we de dagen en de weken, zoals het in de schriftelijke leer staat:

וּסְפַרְתֶּ֤ם לָכֶם֙ מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת מִיּוֹם֙ הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם אֶת־עֹ֖מֶר הַתְּנוּפָ֑ה שֶׁ֥בַע שַׁבָּת֖וֹת תְּמִימֹ֥ת תִּהְיֶֽינָה׃

En jullie zullen voor jullie tellen vanaf de dag na de Shabbat (feestdag), vanaf de dag dat jullie de heen en weer bewegende Omer brengen, het zullen zeven volle shabbatot (weken) zijn. 

De ballingschap in Egypte had het Joodse volk tot op de rand van een spirituele afgrond gebracht. Een ingrijpende rehabilitatie was noodzakelijk. Daarom begon het Joodse volk onmiddellijk na de uittocht uit Egypte met de voorbereidingen op het ontvangen van de Torah, dat zeven weken later zou plaatsvinden. Het was en is nog steeds de periode die ieder mens de gelegenheid biedt gedurende 49 dagen zijn karaktereigenschappen te onderzoeken, te verfijnen en te doen schijnen. Het Joodse volk had zeven weken de tijd om een innerlijke transformatie aan te gaan om van een verslaafde staat over te gaan naar vrijheid. Vrijheid om zich boven hun trauma’s uit te tillen, vrijheid om eigen keuzes te maken. Daarmee baanden zij de weg voor alle generaties die volgden. Ook wij staan immers voor diezelfde opdracht: ons losmaken van wat ons gevangen houdt en leren kiezen voor wat werkelijk van waarde is boven wat slechts lokt door gemak of genot.

Vanaf de dag na Pesach is het een mitswa om die zeven weken te tellen en elke week één van onze karaktereigenschappen te verbeteren. Zo bereiden wij onszelf ook nu, in de eenentwintigste eeuw, voor om onze verbinding met de Torah elk jaar opnieuw te versterken door haar een nieuwe injectie van warmte en toewijding te geven. 

In de eerste week (chesed) werken wij aan חסד chesed, de liefde in ons leven. Ben ik in staat om liefde te voelen? Kan ik die liefde ook verwoorden aan diegenen van wie ik houd? En ben ik in staat om liefde te ontvangen?

De tweede week (gewoera) ligt de focus op גבורה gewoera, het stellen van grenzen. Ben ik in staat om mijzelf te disciplineren? Geef ik mijn grenzen bij anderen aan? Ben ik in staat om de grenzen die anderen mij opleggen te aanvaarden?

De derde week kijk ik of ik in staat ben om met een ander mee te leven, תפארת tiferet. Ben ik er voor een ander volgens zijn behoeften en niet volgens de mijne?

De vierde week, נצח netsach, concentreren wij ons op het doorzetten ondanks tegenslag. Heb ik voldoende ambitie?

De vijfde week הוד hod, kijken we of wij dankbaar kunnen zijn. Zijn wij in staat om toe te geven dat wij zoveel van Hashem ontvangen, om ons kwetsbaar op te stellen en om onze fouten te erkennen?

In week zes יסוד yesod, ligt de focus op communicatie en hechten. Verbind ik mij werkelijk met de mensen waar ik mee verbonden hoor te zijn, met de mensen van wie ik houd?

De laatste week, nummer 7, ontwikkelen wij onze capaciteiten om leiding te geven, מלכות malchoet. Ben ik voldoende zelfverzekerd om leiding te geven? Komt mijn motivatie om te leiden door onzekerheid of door een verlangen om positieve invloed te hebben? Ben ik ook in staat om aan mijzelf leiding te geven?

Maar wanneer begint het tellen en dit verbeterproces precies? “Vanaf de dag na de Shabbat” staat in de Torah. Onze geleerden vertellen dat Shabbat in dit geval niet de zevende dag van de week betekent, maar de dag na de Stopdag, de feestdag. Welk feest? Pesach. Net zo goed als wij stoppen met onze bezigheden wanneer wij Shabbat vieren, zo ook doen we dat op onze feestdagen.

Hierin schuilt nog een les: ook het Joodse volk moest stoppen met zijn verankering in de Egyptische cultuur om zo zijn weg langzaam maar zeker naar de berg Sinai te vinden.

Toen en nu ook. Hoe vaak zitten we niet op het randje? Iedereen zijn eigen randje… we zijn geblokkeerd, we zitten vast in gewoontes, waar wij vanaf willen. G-d geeft ons de mogelijkheid om te stoppen (Shabbat), elke dag weer. Het is aan ons om die dagelijkse gelegenheden aan te grijpen. Door het tellen van de Omer realiseren wij ons dat wij wel degelijk kunnen stoppen en dat verandering mogelijk is. Elke week is er een nieuwe karaktereigenschap aan de beurt. Elke dag wordt geteld: 

  1. וּסְפַרְתֶּ֤ם, oesefartem staat in de Torah en dat betekent: “Jullie zullen tellen = לספור ( liespor betekent tellen) ”.
  2. Maar וּסְפַרְתֶּ֤ם, oesefartem betekent ook, jullie zullen schijnen als een saffier = ספיר.
  3. En ook: jullie zullen verbeteren = לשפר (leshaper)
  4. Ten slotte kun je het woord ook nog relateren aan ספור (sipoer), een verhaal. Het verhaal van het Joodse volk en het verhaal van elke Jood, van mij, van jou, van ons. Mijn ontberingen, mijn angst na weer een steekpartij en mijn onverzettelijke doorzettingsvermogen. 

Reset 

De uittocht uit Egypte, het tellen van de zeven weken en het ontvangen van de Torah vormen samen het verhaal,  סיפור (sipoer) van onze ziel: dat wij, naast eten, slapen en werken, nog een andere dimensie bezitten. Dat wij als mens in staat zijn om boven onze natuurlijke instincten, gewoontes en neigingen uit te stijgen. Dat wij ons leven daadwerkelijk kunnen verfijnen en kunnen schijnen als een saffier. Het tellen van de dagen herinnert ons eraan dat wij onszelf kunnen losmaken van onze verankering in welke cultuur dan ook. Dat wij, langzaam maar zeker, dag na dag, week na week, ons karakter kunnen vormen en ombuigen, om een plezierig mens te worden voor onszelf en voor onze omgeving.

Nee, we zijn geen slachtoffers van onze levensomstandigheden. Wij kunnen ervoor kiezen om daarbovenuit te stijgen. Wat ons in het leven wordt voorgeschoteld, kunnen we niet veranderen, wel hoe wij ermee omgaan. Ons grootste knelpunt ontstaat wanneer we blijven vastzitten in wat anderen ons hebben aangedaan, of in de fouten die we zelf in het verleden hebben gemaakt. Jij en ik zijn in staat om dat te stoppen en te doorbreken. Daarom beginnen we te tellen na de Shabbat = stoppen. Eerst stoppen met verkeerde, vastgeroeste patronen, en daarna beginnen met tellen, verbeteren en schijnen.

Deze reset is binnen handbereik. Neem de regie, werk aan je karakter, bereid je voor en de berg Sinai komt al in zicht. Een berg waar G-d ons omarmd heeft, ons gekozen heeft en ons op een podium heeft geplaatst. Wij werden toen gekozen om als ambassadeurs van de Koning der koningen te functioneren. Wij bewegen ons in een materiële wereld maar eigenlijk is dit schijn. Onze natuurlijke staat ligt daar ver boven omdat wij onszelf weten te tillen naar een hogere dimensie. En Hashem beweegt met ons mee in een werkelijkheid waarin wonderen onze normale staat van ‘zijn’ is. Ons leven en onze realiteit zijn helemaal niet van deze wereld.

Wij zijn op reis, van Egypte naar Israël, van verankerde, verkeerde gewoontes naar vrijheid. Met zweet en tranen werken wij aan onszelf en proberen wij te stoppen met ongewenst gedrag. Elke dag en elke stap brengt ons een stukje dichter bij de Sinaï-berg, de plek waar het Joodse volk, de Torah en haar wonderen bij elkaar komen.

Goede reis! 

Bracha Heintz

www.chabadutrecht.nl

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.