Categorie: Inspiratie

Tsaw | Zit jij er al warmpjes bij?

Tsaw | Zit jij er al warmpjes bij?

Het vuur uit de hemel komt pas op het offer nadat het hout aangestoken wordt. Hierin schuilt een les voor ons: als wij ervoor zorgen dat we de mitswot met warmte en enthousiasme doen, komt het vuur van Boven als antwoord. Het vuur zal al het negatieve in ons leven doven. Zit jij er al warmpjes bij?

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

“En het vuur zal op het altaar brandend gehouden worden, je zult het niet doven…”
Wajiekra 6-5

Hayom Yom 20 Adar 1

In deze tekst gaat het over het altaar in de Tabernakel of Tempel, het altaar waar de offers op gebracht werden. Elke ochtend bracht een priester nieuw hout, stak het aan en zorgde ervoor dat het vuur bleef branden. Daarna kwam er een hemels vuur en brandde het offer op.

Een offer is iets wat je van jezelf weggeeft. Je zet ‘een dier’ of ‘je eigen dierlijke aspect’ aan de kant voor een ander, voor een hoger doel. Maar hoe doe je dit? Hoe waarborg je de kwaliteit en de continuïteit?

Warmte vasthouden

Voor een goede temperatuur in huis heb je een thermostaat en brandstof nodig. Offers kunnen ook niet zonder brandstof en vuur. Met andere woorden, je kunt in je leven ‘de thermostaat aanzetten’ en van alles en nog wat doen, bijvoorbeeld regelmatig Torah leren en je keurig aan alle geboden houden. Je kunt je eigen comfort opzij zetten en tijd, geld en moeite weggeven voor het altaar. Maar dan nog, het moet branden, constant. Er moet continu een bepaalde warmte zijn.

Soms zijn we geïnspireerd, maar soms hebben we er totaal geen zin in. Soms is het leuk en spannend, andere keren saai en eentonig. Soms voelen we de warmte van het Jodendom, andere keren staan we er cynisch tegenover.

Hoe houden we de warmte vast, elke dag… constant? Er is maar één manier vertelt de Torah: ”De priester moest elke ochtend het hout op het altaar aansteken”. Vuur en warmte hebben brandstof nodig en die zullen we zelf moeten aanleveren.

Reken niet op je buren, je ouders, de Rabbijn en zelfs niet op G-d. Sommigen onder ons wachten op een wonder, een G-ddelijke stem of vuur uit de hemel. Wil je hulp van Boven krijgen, dan zal je eerst jezelf moeten helpen. Wil je dat planten groeien, dan zal je eerst moeten ploegen en zaaien. Daarna kan de groeikracht die zich in de aarde bevindt zijn werk gaan doen. De regen die vervolgens uit de hemel valt, zorgt voor het gewenste resultaat. Zo gebeurt het niet alleen in de fysieke wereld maar ook in de spirituele wereld.

Het vuur komt pas uit de hemel nadat het hout aangestoken wordt.

Met vreugde

Creëer je eigen inspiratie, motiveer jezelf, ontwikkel je eigen enthousiasme. Maak het Jodendom leuk, zet een vrolijk muziekje aan, doe een dansje in je woonkamer, zet je grote glimlach op en ga ervoor. Niet omdat het moet… maar uit blijheid. Blijheid dat G-d ons gekozen heeft om Hem te dienen. Blij dat wij het voorrecht hebben om dicht bij Hem te komen. Blij dat we ons met Hem kunnen verbinden. Tsaw betekent verbinding. Verbinding door Zijn geboden uit te voeren.

“Omdat je G-d niet met simcha (vreugde) gediend hebt” vertelt de Torah, Dewarim 28-46. De oorzaak van alle ellende is niet het feit dat je G-d niet hebt gediend. Nee, je hebt Hem wel gediend, je hebt het offer wel gebracht, maar het is koud op het altaar blijven liggen. De warmte en de innerlijke vreugde ontbrak. En dan heb je een groot koud en donker gat. Zo’n gat raakt al gauw gevuld met spulletjes die je helemaal niet wilt. Ondertussen blijft jouw offer daar in de kou liggen. Er gebeurt niets, helemaal niets. Alle moeite voor… niets.

Elke actie veroorzaakt een reactie; als je het vuur hier beneden aansteekt komt het vuur van Boven als antwoord. Zo ook veroorzaakt alle moeite die je doet een respons van Boven.

Je eigen vuur is begrensd, het is een menselijk vuur en dus gelimiteerd door tijd en ruimte. Wanneer jouw vuur eenmaal brandt, voegt G-d Zijn eigen vuur toe. Dit is zijn eigen onbegrensde warmte, zegen en succes. Vuur dat komt nadat jij de eerste stap hebt genomen. Laat de ketel branden, houd de warmte in je hart en in je ziel. Ervaar de pracht en praal van het Jodendom en straal het uit.

Warmpjes

Dat heerlijke stukje van je favoriete cake, het bijhouden van het nieuws of het checken van je emails en appjes: hoe heerlijk ook, ze zullen je hart en ziel niet warm houden. Ze zijn niet in staat om je ziel te ontsteken. Deze bezigheden werken allemaal verslavend en sleuren je neerwaarts.

Wil je een super dag voor jezelf creëren? Wil je gedreven door het leven gaan? Begin dan je dag met stilte, meditatie en gebed. Leer een stukje uit de Torah en leg een paar muntjes in het tsedaka-busje. Doe het met warmte en plezier. Wees vrolijk – of doe net alsof. Op den duur zal je glimlach jezelf en anderen aansteken en zal het onbegrensde hemelse vuur jou boven alles uittillen.

Je zult het niet doven. De Magid uit Mezeritch zet in dit vers een komma na het woord niet. En dan staat er: Je zult het niet, doven.

Je zult ‘het negatieve’ niet doven.

Als wij ervoor zorgen dat we de mitswot met warmte en enthousiasme doen, dan zal het vuur dat wij gebracht hebben al het negatieve in ons leven doven. Zit jij er al warmpjes bij?

Bracha Heintz
www.chabadutrecht.nl

Gebaseerd op een artikel van Rav YY Jacobson

שמחה ודיכאון לפי התניא

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

 

Wajiekra | Een offer uit de 21ste eeuw

Wajiekra | Een offer uit de 21ste eeuw

We hebben al 2000 jaar geen Tempel meer en toch bestuderen we de offers elk jaar weer opnieuw. Wat is de relevantie hiervan in de 21ste eeuw? Ontdek waarom ook jij nog dagelijks offers kunt brengen en hoe de voldoening die je daarvan krijgt vele malen groter is dan je te laten gaan in begeertes en dierlijke neigingen.

Download hier een printversie van het artikel

Welkom in Wajiekra, het derde en middelste boek van de Torah. Het eerste boek Bereeshiet vertelt over de schepping van de wereld en de aartsvaders die de toon hebben gezet voor deze wereld. Het tweede boek Shemot vertelt over de erfgenamen van de aartsvaders, het Joodse volk met alle perikelen van de ballingschap en verlossing uit Egypte, met als doel de openbaring van G-d op de berg Sinaï. Deze G-ddelijke aanwezigheid werd vervolgens verstoord door het gouden kalf en hersteld door het bouwen van een Tabernakel.

Nu was het zaak om, met behulp van de Tabernakel of Tempel, de G-ddelijke aanwezigheid te behouden. Zo zijn we beland in het derde, middelste en centrale boek.

In Wajiekra, Leviticus, wordt de praktische gang van zaken in de Tabernakel besproken: het brengen van de offers en de dienst van de Priesters en de Levieten. Deze onderwerpen worden in het middelste van de 5 boeken besproken omdat het hele idee van offers het middelpunt en kern vormt van het Jodendom. De tempel was er zodat de aanwezigheid van G-d in deze wereld geopenbaard kon worden d.m.v. offers. Dit is het doel niet alleen van de uittocht uit Egypte (Shemot) maar zelfs van de schepping van de wereld in zijn geheel (Bereeshiet).

De vraag is wat heeft een offer te maken met G-ddelijke openbaring? Bij een offer slacht je een dier dat vervolgens op het altaar verbrand wordt. Welke spirituele betekenis heeft dit? Het offeren van een dier lijkt misschien juist zo grof, zelfs barbaars.

Verborgen aanwezigheid

Op het moment dat iemand een gebod overtreedt, verstoort dit de relatie met diegene die het gebod gegeven heeft. Het veroorzaakt dat de gever van het gebod zich uit de relatie terug wil trekken. Stel dat iemand je vraagt om een kopje thee te zetten en je doet dat, dan versterk je daardoor je relatie met deze persoon. Hetzelfde geldt andersom. Als iemand jou verzoekt 0m een gunst en je weigert het, verslechter je de band met die persoon.  Zo ligt het ook met de band tussen mens en G-d. Wanneer iemand G-ds wil uitvoert, dan versterkt hij zijn verbinding met Hem. Wanneer iemand de wensen van zijn Schepper overtreedt, is het de overtreder die de relatie verstoort. Hij is diegene die veroorzaakt dat G-d zich terugtrekt, zich verstopt en ogenschijnlijk niet meer aanwezig is.

De offers brachten vergiffenis en verzoening na een overtreding. Ze zorgden op een directe manier dat de G-ddelijke aanwezigheid zich op aarde bleef manifesteren.

Wat is het verband tussen een offer en het feit dat G-d zich openbaart? Heeft G-d onze offers nodig? G-d behoeft per definitie toch helemaal niets? Hij is immers volmaakt, heeft alles en is alles. Wellicht is het brengen van een offer dan ook niet iets wat Hij nodig heeft, maar is het de mens die er baat bij heeft.

Harmonie

Het is niet toevallig dat hierover in het derde boek geschreven wordt.  Dat is niet alleen omdat het het middelste boek is. Drie is ook nog een speciaal getal dat nauw verbonden is met de Torah.

  •      Op dinsdag, de derde dag van de schepping staat er tweemaal ‘dat het goed’ was. De andere dagen staat het er maar één keer.
  •      De Torah is in het jaar 2448 gegeven, midden in het derde millennium.
  •      De Torah bestaat uit drie delen: 1) de vijf boeken van Moshe, 2) de profeten en 3) de geschriften.
  •      De Torah is in de derde maand van het jaar geschonken.
  •      Moshe was het derde kind van Amram en Yocheved.
  •      Het Joodse volk wordt in drieën verdeeld: 1) Priesters 2) Levieten en 3) Israëlieten.

Waarom ‘drie’? ‘Twee’ veroorzaakt een scheiding tussen twee aparte eenheden en ‘drie’ brengt weer harmonie tussen de twee eerste krachten. Zo brengt ook de Torah harmonie tussen twee tegengestelden: de spirituele wereld enerzijds en de materiële wereld anderzijds. De Torah is een gebruiksaanwijzing, door G-d zelf geschreven. Het is een handleiding waarmee je de materie kunt doordrenken met spiritualiteit en deze wereld kunt verheffen naar een hogere dimensie.

Dichterbij komen

Wat heeft dit voor ons te betekenen? Wij leven in de 21ste eeuw. De Tempel is al bijna 2000 jaar geleden door de Romeinen verwoest. Er worden al zo’n 2000 jaar geen offers meer gebracht. In twee millennia tijd is de betekenis van het brengen van offers nogal vervaagd. Het doel van het brengen van offers ontgaat ons en de betekenis van dit ritueel inspireert de meesten van ons niet meer. Wij kunnen het niet meer begrijpen. In een wereld vol met vegetariërs, veganisten en een politieke partij voor de dieren, vragen wij ons af of de betekenis van deze praktijken nog wel in ons tijdperk van toepassing is.

De Tabernakel was gereed, het altaar stond op zijn plek en de offers konden gebracht worden. De Torah vertelt ons in Wajiekra gedetailleerd over de vele soorten offers, door wie ze gebracht moesten worden, hoe ze dit moesten doen, of ze wel of niet opgegeten werden, waar, wanneer enzovoort.

Een offer is echter geen cadeau. Het woord Korban  wordt vertaald met offer maar korban betekent letterlijk dichterbij komen.

Stel dat je relatie met G-d was afgezwakt. Je was bijvoorbeeld je enthousiasme kwijt. Je motivatie was verdwenen en daardoor overtrad je – al dan niet per ongeluk – een gebod of verbod. Tijd om met een offer een bezoek aan de Tempel te brengen. Door de grootsheid en schoonheid van de Tempel raakte je ongetwijfeld onder de indruk. Goud, zilver en koper waren een streling voor het oog. De Priesters liepen rond in hun prachtige kledij en de Levieten speelden op hun instrumenten tijdens het offeren. Ook de tien wonderen die dagelijks in de Tempel gebeurden (Pierkee Awot 5-5) maakten erg veel indruk. Het Yerushalayim-gevoel deed z’n werk. De persoon die gezondigd had werd opnieuw geïnspireerd. Zijn relatie met G-d was met nieuwe warmte geïnjecteerd.

Al 2000 jaar hebben we geen Tempel meer en worden er geen קרבנות korbanot (offers) meer gebracht. En toch lezen en bestuderen we elk jaar weer opnieuw het hoe en waarom van de korbanot. Wat is de relevantie in de 21ste eeuw? De meesten van ons vinden het hele idee raar of nog sterker: ze walgen ervan. Ouderwets gedoe en dierenmishandeling, daar komt het op neer, roepen de meesten van ons.

Gevoelens kanaliseren

Wie de korbanot overslaat als zijnde niet interessant en niet van deze tijd, mist een essentieel deel van het Jodendom. Iedereen heeft namelijk een dierlijk deel in zich. Er zijn overeenkomsten die wij met een dier delen. Immers heeft een dier een lichaam en een mens ook. Dieren volgen hun instinct. Zij kunnen niet anders. Een mens heeft ook dierlijke aspecten, honger en vele lichamelijke benodigdheden. Het grote verschil tussen mens en dier is dat een mens zijn dierlijke kant opzij kan zetten. Hij kan het vervullen van zijn behoeftes uitstellen of afstellen. Hij moet er wel moeite voor doen en er iets voor over hebben en dat is het offer dat hij brengt. Hij moet in zijn comfortabele leventje iets laten of uitstellen om bijvoorbeeld een ander te helpen. Het dierlijke deel van de mens zal bij het uitvoeren van een goede daad altijd protesteren. Maar een doorzetter is iemand die een offer brengt.

Elke persoon heeft een hart en hersenen. Nadenken en beredeneren doe je met je brein, gevoelens zetelen in je hart. Wanneer een mens ergens zin in heeft, is dit een gevoel dat uit het hart komt. Een mens is bij machte om dit gevoel met zijn hersens te analyseren en te beoordelen. Is dit gevoel of ‘mijn zin‘ waardevol? Moet ik het volgen en uitvoeren of kan ik het beter achterwege laten?

Een mens kan zijn gevoelens beheersen. Zijn hersens kunnen de baas zijn over zijn gevoelens. Daarom loopt een mens rechtop, omdat zijn brein op een hoger niveau ligt dan zijn hart. Dit wil niet zeggen dat gevoelens geen plek hebben. Ze zijn juist heel belangrijk, maar ze moeten gestuurd en beheerst worden. In een huwelijk bijvoorbeeld dien je ook je gevoelens te sturen. Als je getrouwd bent dan gebruik je de liefde in je hart om van je echtgenoot te houden – en niet van een ander.

Een dier kan dit niet. Als een beest iets wil, dan kun je het niet wijs maken dat hij dat beter achterwege kan laten. Hij heeft geen keus. Hij kan alleen maar zijn instinct volgen. Hij paart elke keer weer met een ander en jaagt en scheurt zijn voedsel meedogenloos uit elkaar. Daarom zijn bij de meeste dieren de hersens en het hart op gelijke hoogte.

Bij sommigen van ons is het dierlijk deel enorm groot en grof. Vandaar dat men soms een stier als offer moest brengen. Bij een ander is het bengeltje schattig en klein. Dat is het lammetje. Hoe dan ook, G-d stelt iedereen in de gelegenheid om zich tegen het dierlijke deel te verzetten en het te overwinnen. Maar je moet er wel wat voor overhebben. Daarom brengen we dagelijks offers. Want er is niets mis met je begeertes, zolang je je er tegen verzet, zo lang je strijd levert en de begeertes kanaliseert.

Sturen en temmen

De kabbala leert ons dat elke ziel op aarde is gekomen met als doel om ‘het dierlijke in goede banen te leiden’. Niet dat het dier per se slecht is, maar het dierlijke is zo vreselijk egoïstisch. Het wil zichzelf tevredenstellen met allerlei grote en kleine pleziertjes. Onschuldige en minder onschuldige hebberigheid. ‘Het beest’ neemt de overhand wanneer je verzuimt om je dierlijke instincten en egoïsme te beheersen. Als een mens steeds zwicht voor zijn begeertes wordt zijn drang naar genot hoe langer hoe sterker. Zijn ‘dier’ zou zomaar een vreselijk overheersend monster kunnen worden. Het is aan de ziel om het dier te leiden, te sturen en te temmen – en niet andersom.

Maar hoe? De procedure in de Tempel kent 4 stappen. Vier onderdelen om het dier te offeren:

Stap 1. Een verklaring afleggen dat een bepaald dier bestemd is om als offer gebracht te worden.
Stap 2. Het dier slachten door het doorsnijden van zowel de voedselpijp als de luchtpijp.
Stap 3. Het bloed tegen het altaar besprenkelen.
Stap 4. Bepaalde vet-delen van het dier verwijderen en op het altaar verbranden.

Onze persoonlijke offers hebben soortgelijke etappes.

Stap 1. Stel een verklaring op: wie ben ik en waar ga ik naar toe? Waarom ben ik geboren en wat is het doel van mijn leven?

Stap 2. Slachten: laten zien wie de baas is. Ben je een slachtoffer van jouw levensomstandigheden of bepaal jij zelf de route? Gebruik jij je telefoon of word je door dit apparaat gebruikt? De voedselpijp vertegenwoordigt je zelfbeheersing bij de maaltijd. De luchtpijp is de sfeer waarin je leeft en waar je voor kiest om je aan bloot te stellen en de informatie die je naar binnen toelaat.

Stap 3. Het besprenkelen van het bloed tegen het altaar aan: bloed vertegenwoordigt je warmte en je passie. Zorg dat je deze nooit dempt! Je hoeft het slechts te kanaliseren en om te draaien naar een hoger doel. Geen zure gezichten, maar enthousiasme en schik wanneer je iets goeds doet. Geniet van je goede daden en voer ze met gedrevenheid en plezier uit.

Stap 4. Vet verbranden. Vet staat symbool voor plezier. Vet wordt gevormd door al die extra lekkernijen. Aan ons de taak om het plezier in materiële zaken om te buigen naar spirituele zaken. Genot in het materiële leven verzwaart een mens. Spiritueel genot maakt je lichter. Je  kunt je verlangens omwentelen naar een hoger genot: naar plezier en voldoening om kosher te eten, shabbat te vieren of een ander te helpen..

Voor wie worstelt met zijn dierlijke aspecten, zoals luiheid, boosheid, egoïsme, verslaving, depressie of onverschilligheid, geeft de Torah aanwijzingen hoe we het dierlijke deel in ons naar een hoger doel kunnen brengen. Je moet er wel wat voor over hebben en dat is jouw offer.

Bevoorrecht

In de Tempel werden er dagelijks offers gebracht. Zo moet ieder mens ook dagelijks een krachtige strijd leveren tegen allerlei zaken die hem van zijn menselijkheid willen afleiden, tegen zaken die hem in een dier willen veranderen, al is het maar tijdelijk.

Dit is de kern, het middelpunt van het Jodendom. Je eigen comfort opzijzetten om je goed te gedragen door bijvoorbeeld een ander te helpen. Dit is jouw offer – en daarmee help je jezelf nog het meest. Een mens wordt tenslotte niet gelukkig van allerlei materiële zaken. Integendeel, hij zal nooit tevreden zijn en altijd meer willen en daardoor nooit zijn ultieme materialistisch doel behalen.

Daarentegen, wanneer je jezelf een beetje schikt, dan heb je daar continu voldoening van. Hoe meer je weggeeft en opoffert, hoe gelukkiger en rustiger je zult zijn. Hoe meer je je beheerst en grip op je leven hebt, hoe vrolijker je ervan wordt en hoe lekkerder je in je vel zit. Het plezier van iets opofferen, is vele malen groter dan jezelf onbeheerst te laten gaan.

Dank je wel G-d, dat je ons geleerd hebt om offers te brengen en daarmee een beheerst en gelukkig leven te leiden.

We zijn bevoorrecht dat wij toegang hebben tot de kern van het Jodendom dat in het middelste boek aan ons geopenbaard wordt. Dieren offeren is het recept voor een leven gevuld met voldoening, zonder bittere nasmaak. Je zet iets van je begeertes opzij en je hebt een offer gebracht waar je nog een fantastisch gevoel aan overhoudt. Het besef dat je bovenaan de wereld staat, omdat je vecht voor jezelf en voor de wereld om je heen. Omdat het je soms lukt om een offer te brengen en je te beheersen. Gefeliciteerd! Met jouw offers heb jij de hele wereld  een stapje dichterbij de Tempel in Yerushalayim gebracht.

Shabbat Shalom!

Bracha Heintz
Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson
Opmaak Rianne Meijer en Sonja Tamam
www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

 

Beeld: chabad.org

Pekoedee | Gouden belletjes en wollen granaatappels

Pekoedee | Gouden belletjes en wollen granaatappels

Onderaan de kleding van de hogepriester is een zoom waaraan gouden bellen en wollen granaatappeltjes hangen. Ze vertegenwoordigen het héle Joodse volk, niemand uitgezonderd. Bij iedere beweging van de hogepriester maken de belletjes lawaai en  worden ze gedempt door de wollen granaatappeltjes: een waardevolle boodschap over wanneer het verstandig is om iets te zeggen en vooral hoe luid het uitgesproken dient te worden.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Deze week sluiten we het tweede boek Shemot af met parashat Pekoedee, waarin o.a. het maken van de kleding van de kohaniem (priesters) beschreven wordt.

Elke kohen droeg 4 kledingstukken, een hemd, een broek, een tulband en een ceintuur. De hogepriester droeg daarbovenop vier extra kledingstukken: een lichtblauwe tuniek, een schort dat achterstevoren gedragen werd, een borstschild waar 12 edelstenen in zaten en een gouden hoofdband waar G-ds naam in gegraveerd was.

Ieder kledingstuk was prachtig om te zien en had een eigen functie. Het doel van de Tempel – en alles wat erbij hoorde – was om verzoening te bewerkstelligen tussen G-d en het Joodse volk. Het begon allemaal met het gouden kalf. Dat was de eerste grote fout waar het Joodse volk zich aan schuldig had gemaakt. Daarna zou het nog wel vaker misgaan, zowel collectief als individueel. Het Tempelsysteem, waarbij de kleding van de hogepriester een belangrijke rol speelde, was bedoeld om na een fout weer verzoening te  verkrijgen.

Levensbelang

Vandaag nemen we één van de kledingstukken van de hogepriester onder de loep, namelijk de tuniek, en wel twee detail van dit speciale blauwe wollen gewaad. Er hingen namelijk aan de zoom van dit kledingstuk gouden bellen en wollen granaatappeltjes (Shemot 39, 24-26).

וַֽיַּעֲשׂוּ֙ עַל־שׁוּלֵ֣י הַמְּעִ֔יל רִמּוֹנֵ֕י תְּכֵ֥לֶת וְאַרְגָּמָ֖ן וְתוֹלַ֣עַת שָׁנִ֑י מָשְׁזָֽר׃

En zij hebben gemaakt aan de zoom van de tuniek granaatappels gedraaid van blauwe en paarse en rode wol.

וַיַּעֲשׂ֥וּ פַעֲמֹנֵ֖י זָהָ֣ב טָה֑וֹר וַיִּתְּנ֨וּ אֶת־הַפַּֽעֲמֹנִ֜ים בְּת֣וֹךְ הָרִמֹּנִ֗ים עַל־שׁוּלֵ֤י הַמְּעִיל֙ סָבִ֔יב בְּת֖וֹךְ הָרִמֹּנִֽים׃

En zij hebben gemaakt bellen van zuiver goud en zij hebben de bellen midden in de granaatappels gelegd rondom de zoom van de tuniek midden in de granaatappels.

פַּעֲמֹ֤ן וְרִמֹּן֙ פַּעֲמֹ֣ן וְרִמֹּ֔ן עַל־שׁוּלֵ֥י הַמְּעִ֖יל סָבִ֑יב לְשָׁרֵ֕ת כַּאֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה ה’ אֶת־מֹשֶֽׁה׃

Een bel en een granaatappel, een bel en een granaatappel rondom de zoom van de tuniek, om te dienen zoals G-d het Moshe geboden heeft.

En Shemot 28:35:

וְהָיָ֥ה עַֽל־אַהֲרֹ֖ן לְשָׁרֵ֑ת וְנִשְׁמַ֣ע ק֠וֹלוֹ בְּבֹא֨וֹ אֶל־הַקֹּ֜דֶשׁ לִפְנֵ֧י ה’ וּבְצֵאת֖וֹ וְלֹ֥א יָמֽוּת׃

En het (de tuniek) zal zijn op Aharon om te dienen en zijn geluid zal gehoord worden als hij naar het heiligdom gaat voor G-d en wanneer hij vertrekt en hij zal niet sterven.

De Torah is heel precies. De kledingstukken en zelfs de versieringen onderaan de zoom waren niet alleen voor de sier. Ze waren letterlijk van levensbelang. Opdat de hogepriester in leven zal blijven moest elk detail à la lettre gevolgd worden zoals het aan het einde van vers 35 staat: “…en hij zal niet sterven”.

Stel je voor, een hogepriester die in de Tempel rondloopt en dat bij elke beweging die hij maakt er 72 belletjes rinkelen. Wat een kabaal! En dat lawaai was ook echt nodig zoals er staat: “…en zijn geluid zal gehoord worden…”.

Maar is zo veel lawaai maken wel gewenst?

Hemels vuur

Kijk naar het bekende verhaal van Elijahoe de profeet. Het was in de tijd van de eerste Tempel toen Koning Achaw en Koningin Iezewel regeerden. De ene was nog slechter dan de andere. Zij hadden de leiding over Israel. Het was een tijd van vreselijke afgodsdienst. Elijahoe, de  profeet, probeerde er alles aan te doen om deze ongewenste praktijken te doen stoppen. Maar wat hij ook deed, het had geen effect. Hij waarschuwde de koning dat hij de regen zou laten ophouden. En zo gebeurde het ook. Na drie jaar extreme droogte beloofde Elijahoe om de regen terug te laten komen op één voorwaarde: Alle valse profeten moesten naar de berg Carmel gaan.

Er kwamen 450 van de 850 profeten opdagen, samen met het volk. Elijahoe berispte het Joodse volk en vroeg hen om te kiezen tussen het dienen van Baäl (de afgod) en de ware G-d. Men wist heel goed wie de ware G-d was, en toch was iedereen heel erg aangetrokken tot het dienen van afgoden. Het was zo de trend en mode van de dag; iedereen deed het, sociale druk. Moest het dan ineens anders? Om de keuze te vergemakkelijken, stelde Elijahoe voor dat er door beide partijen een offer gebracht zou worden. Het offer dat door een hemels vuur verbrand zou worden was het echte offer aan de ware G-d gebracht.

Zo gezegd, zo gedaan. De valse profeten legden hun vlees op het altaar. Ze gingen bidden, ze gingen heen en weer lopen. Ze gingen zichzelf zelfs verwonden om maar indruk te maken op de afgod Baäl. Het heeft niet mogen baten. (Koningen I, hfdst 18)

Nu was het Elijahoes beurt. Hij nam een stier en doordrenkte het dier en het altaar met water. Na een kort gebed daalde een hemels vuur neer dat het offer consumeerde. Het bewijs was geleverd. “G-d is onze G-d” riep iedereen luidkeels. Het was een enorm spektakel. De valse profeten werden vermoord en de rust en de regen keerden terug.

Helaas was dit maar van korte duur. Al gauw kwam het aanbidden van afgoden terug. Koningin Iezewel was helemaal niet onder de indruk, maar juist kwaad dat alle profeten vermoord waren. Elijahoe de profeet moest vluchten omdat de koningin hem wilde vermoorden.

Fluisterend

Minder bekend is dat Elijahoe daarna naar een grot in de berg Sinaï kwam om zich te verstoppen. Daar sprak G-d hem toe en vroeg hem wat hij daar deed. Elijahoe legde alles uit: hoe het Joodse volk afgoden diende en hoe zijn leven op het spel stond omdat Koningin Iezewel de doodstraf aan hem opgelegd had.

Melachim I, 19 (11 en 12)

“Ga naar buiten en sta op de berg vóór G-d en zie G-d komt voorbij en een grote sterke wind splitst de bergen en hakt de rotsen vóór G-d. G-d is niet in de wind.
En na de wind, een aardbeving, G-d is niet in de aardbeving.
En na de aardbeving vuur, G-d is niet in het vuur.
En na het vuur een zacht fluisterend geluid.” Hier staat niet dat G-d niet in het fluisterend geluid is en dus is Hij dat wel.

De Malbim legt het bovenstaande uit: “G-d heeft Elijahoe laten zien dat Hij zich niet in de wind bevindt, noch in lawaai noch in vuur, alleen in een ruisende stem. Hieruit zullen Zijn afgezanten en Zijn profeten leren dat zij geen stormen moeten creëren en geen aardbevingen en geen vuur zoals Elijahoe dat deed in zijn ijver om G-d te verdedigen. Want hij heeft de regen uit de hemel weerhouden en de profeten van Baäl geslacht. Want G-d zal zijn profeten sturen die met een fluisterende stem naar hen toe moeten komen en het volk zullen aantrekken met touwen van liefde en zachte woorden.”

Eliyahoe de profeet was een hele heilige man. Hij was in staat om wonderen te verrichten en veel indruk en kabaal te maken. Iedereen was overtuigd, maar hoe lang blijft de verbluffing over het wonder nog een impact hebben?

Koning Salomon verklaart in Kohelet (9, 17)

“De woorden van de wijzen worden op een rustige manier beluisterd en een dictator schreeuwt tegen gekken.”

‘Fluisterend geluid’ en ‘rustige manier’ zijn uitdrukkingen en bewijzen dat al dat lawaai nergens voor dient. Onze vraag is alleen maar nog groter geworden: waarom moest de hogepriester met de bellen onderaan zijn tuniek lawaai maken?

Verklaringen

De Ramban verklaart dat de kohen, met zijn rinkelende bellen als het ware bij de Tempel aanbelde alvorens hij binnenkwam. Hij vroeg daarmee toestemming aan G-d om tot de Tempel toe te treden om de dienst te mogen verrichten. Want iemand die het paleis van de koning betreedt zonder toestemming krijgt de doodstraf.

Rabbi Shimon bar Yochai zegt: “G-d haat vier zaken en ik houd er ook niet van: iemand die plotseling zijn huis binnen komt, (zonder te kloppen), om het maar niet te hebben over het huis van zijn vriend enz…”

De Abarbanel legt uit: ”Zijn geluid zal gehoord worden… zodat hij zich bewust is van het feit dat hij zich in de Tempel bevindt en weet wat er van hem verwacht wordt.”

Of nog een verklaring; zolang men de kohen hoorde rinkelen, wist men dat hij nog leefde. Mocht de kohen zich met één detail in zijn dienst vergissen – of was hij het niet waard om hogepriester te zijn – dan overleefde hij zijn bezoek aan het Allerheiligste niet. Aangezien niemand anders behalve hij in het allerheiligste mocht komen zou niemand weten of hij nog in leven was. Alleen het geluid van de belletjes getuigde van zijn bewegingen en zijn leven.

De Chizkoenie zegt: “Zijn geluid zal gehoord worden… zodat men de tijd van de dienst wist, en zo konden zij hun hart toewijden aan hun Vader in de hemel. Een andere reden: om de hogepriester te onderscheiden van de andere priesters die ook dienst deden. Maar op Yom Kipoer, wanneer de hogepriester de tuniek niet moest dragen, was dit onderscheid niet nodig aangezien de hogepriester de enige was die op die dag de hele dienst deed.

Allemaal prachtige en logische verklaringen maar nu gaan wij ontdekken wat de kernreden is voor al die toeters en bellen.

Detail

Niet alleen bereikte de Tempel als geheel verzoening, maar ook elk voorwerp dat zich daarin bevond, elk kledingstuk en zelfs elk detail in ieder kledingstuk speelde een rol in de toenadering van het Joodse volk naar hun Vader in de hemel. De Talmoed vertelt (Zewachim 88:2):

“Het hemd (van de priester) brengt herstel voor moord (aangezien de broers van Yosef zijn hemd in het bloed van een geit hadden gedoopt om hun vader te kunnen vertellen dat hij door een wild dier was opgegeten.)

> De broek brengt herstel voor verboden relaties zoals er staat “En hij maakte voor hen stoffen broeken om hun naaktheid te bedekken”
> De tulband herstelt hoogmoed. Waar komt dit vandaan? Rabbi Chaniena zegt: “Laat iets komen dat hoog zit en het zal verzoening geven voor hoogmoed.”
> De ceintuur herstelt de (slechte) gedachtes van het hart.
> Het borstschild is voor verkeerde rechtspraak.
> De schort brengt herstel voor afgodsdienst.
> De tuniek herstelt kwaadsprekerij. Waar komt dit vandaan? Rabbi Chaniena zegt. “Laat iets dat lawaai maakt verzoening brengen op een slecht geluid.”
> De hoofdband herstelt brutaliteit aangezien het op het voorhoofd gedragen wordt.”

De Alshich verklaart dat de tuniek er was om alles wat je met je mond verkeerd doet te vergeven. Hij merkt op dat er in het vers staat dat de bellen tussen de granaatappels geplaatst werden en niet de granaatappels tussen de bellen. Waarom? En waarom staat er in een ander vers dat er om en om een bel en een granaatappel was. Waarom herhalen wat net al beschreven staat, maar dan op een andere manier?

Twee grenzen

De bellen vertegenwoordigen het spreken en de zachte wollen granaatappels zijn er om het geluid te absorberen en te dempen. Vandaar dat, hoewel er om en om een bel en een granaatappel was, er ook in het vers staat dat de bellen tussen de granaatappels geplaatst moesten worden en niet andersom. Elke bel heeft namelijk twee granaatappels om zich heen nodig om het geluid te stoppen. Zo ook behoeft onze tong twee grenzen: de tanden en de lippen.

Wij hebben twee ogen en maar één mond, zodat je maar de helft vertelt van wat je ziet. En behalve dat je weinig moet spreken, hoor je je ook rustig en zachtjes te uiten.

De Keli Yakar vertelt: “Daarom was de tuniek lichtblauw zoals de zee. Want ook de zee, hoe golvend en hoe sterk dan ook, wordt door het strand tegengehouden om verder te gaan. In het Hebreeuws bestaat er een woord, שפה, safa, dat zowel strand als lip betekent. Safa houdt de blauwe oceaan tegen, zoals je je lippen kunt sluiten alvorens je iets verkeerd gaat zeggen. En de kohen mocht de tuniek enkel dragen wanneer hij in de Tempel was, omdat men voor heilige dingen wel beperkt lawaai mag maken. Waarom hingen er granaatappels naast de gouden belletjes? Omdat een granaatappel vol zit met 613 zaadjes en dat is precies het aantal geboden en verboden die er in de Torah staan. Als de belletjes (het spreken), samenhangen met de graantappels (de 613 mitswot) dan is het lawaai welkom.

Dames en heren. Zoveel geleerden, zoveel meningen. De ene nog rijker en mooier dan de andere. De ene uitleg voegt iets toe, een andere verklaring geeft meer diepgang.

De Baal Shem Tov had een unieke simpele stijl met ongekende diepte. Hij illustreert het idee van lawaai en stilte met het voorbeeld van een man die in het water verdrinkt. Hij schreeuwt, schudt zijn armen en benen heen en weer, gooit zijn lichaam van rechts naar links. Hij roept en gaat tekeer in zijn strijd tegen het water. Uiteraard lacht niemand hem uit. Zo ook iemand die middenin het gebed is; hij schudt, zingt en beweegt; hij probeert zich te redden van de wateren die hem doen zinken, de gedachtes die hem afleiden. Het is een eeuwige strijd; zodra je het gebedenboek opent, vloeien en stromen vreemde gedachtes naar binnen. Strijd gaat gepaard met een hoop frictie en  lawaai.

Rustig en stil

Vergelijk het met de man die zijn broer jaren niet gezien heeft. Hij wacht hem op bij de pier. En ja hoor, het schip komt in zicht en daarmee wordt zijn verlangen om zijn broer weer te zien nog meer aangewakkerd. Al gauw ziet hij hem op het dek staan. Hij zwaait en schreeuwt keihard in de hoop dat zijn broer hem in het oog zal krijgen. Het schip nadert en beide broers zwaaien en maken allerlei bewegingen naar elkaar. Eindelijk kan het schip meren en laten de matrozen de plank zakken. De broers omhelzen elkaar en op dat moment hoort men niets meer. Wanneer ze bij elkaar zijn is alles goed, alles klopt. Roepen, schreeuwen en zelfs spreken zou overbodig zijn.

Zo lang je ver van elkaar bent is het nodig om elkaars aandacht te trekken, om de afstand te overbruggen. Zo ook in het gebed. Het begin van het ochtendgebed is vol gezang en liederen, maar wanneer men bij het hoogtepunt komt, het staande gebed met negentien zegens, dan is het muisstil. Men fluistert enkel de woorden en zelfs diegene die naast je staat hoort je niet.

Op het moment dat je nog ver van G-d bent, aan het begin van je gebed, dan is het nodig om je los te maken van alles wat je verbinding met G-d stoort. Aan het begin zou je kunnen verdrinken in een zee van allerlei gedachtes. Misschien voel je je onzeker of juist apathisch of schuldig, depressief, verward of onverschillig. Naar mate je in het gebed vordert klim je een soort spirituele ladder op; je hijst jezelf omhoog tegen de zwaartekracht in. Je hijgt en krijst jezelf omhoog in een poging om alles wat je stoort achterwege te laten. Na deze voorbereiding ben je gereed om de troonzaal binnen te treden, om je Schepper te omhelzen en om één met Hem te zijn. Dan is het rustig en stil.

Als er weerstand is moet je vechten, bewegingen en lawaai maken. Als alles klopt en één is, dan heerst er stilte. Wanneer je met je vuist op een tafel slaat, is er kabaal. Je komt frictie en weerstand tegen. Sla je in de lucht, dan hoor je bijna niets. Lawaai vertegenwoordigt wrijving en afstand. Stilte betekent eenheid en harmonie.

Het effect van de luidruchtige acties van Elijahoe de profeet waren van korte duur. Natuurlijk kun je een hoop lawaai maken, honderden mensen bij elkaar brengen en een spektakel maken op een berg. Regen tegenhouden, offers in het openbaar brengen, valse profeten doden. Allemaal zo spectaculair. Maar al gauw was deze storm over. Natuurlijk is een aardbeving of een tsunami vreselijk. Maar hoe lang duurt het?

Ga je mee?

Dus pas op met je woorden en de manier waarop je ze uit. Ben je met een granaatappel begonnen d.w.z. heb je eerst nagedacht? Spreek je af en toe en is het daarvoor en daarna stil? Of spreek je bijna constant en is het maar af en toe stil? Heb jij twee bellen en daartussen een granaatappel? Of heb jij twee granaatappels met daartussen een bel?

Spreek je noodzakelijke en mooie woorden of zit je zomaar te kletsen, zo niet kwaad te spreken? En wie is eigenlijk diegene die aan het woord is? Jouw hogere essentie of je donkere kant? Je zelfverzekerde of je onzekere ik? Uit je egoïsme of ben je groot? Spreek je uit angst of uit betrokkenheid? Uit liefde of uit onzekerheid? Bouw je met je woorden iets op of ben je iemand of iets aan het afbreken?

De tuniek herinnert ons aan de kleur van de zee, maar ook aan het strand dat ‘de sterke luide golven’ stopt. Het lawaai van de belletjes dat de kohen met elke beweging maakte, maakt ons ervan bewust dat elke beweging effect heeft. Al bewoog hij slechts zijn arm, er rinkelde al wat. Een piepkleine virus zet de hele wereld op z’n kop. Des te meer dat één positieve daad het evenwicht in de wereld naar de goede kant kan brengen.  Wanneer je nog niet in een perfecte staat bent en de frictie aangaat met alles wat je omlaag trekt, of met alles wat jouw klimmen naar gezond leven en éénheid verstoort, dan is lawaai maken noodzakelijk.

Anderzijds herinneren de wollen granaatappels ons eraan dat wij het geluid en het geklets moeten dempen. Eerst een granaatappel en dan pas een bel en vervolgens weer een granaatappel. Eerst nadenken en vervolgens spreken en daarna weer zwijgen en reflecteren. En waarom dan granaatappels en niet een andere vrucht zoals bijvoorbeeld een appel? Zodat wij beseffen dat elke Jood, op welk niveau hij zich ook bevindt, potentieel gevuld is met goede daden gelijk een granaatappel met zaadjes..

Dit is de kledij die de hogepriester draagt wanneer hij zich in de Tempel begeeft. Hij neemt niet alleen de rechtschapenen met zich mee. Hij vertegenwoordigt het hele Joodse volk, ook de belletjes die moeten vechten om hun hoofd boven water te houden en de granaatappels die vol met goede daden zijn. Iedereen doet mee, telt mee en trilt mee. Elke Jood is een onmisbaar deel van het Joodse volk en vervult een unieke rol in de meest heilige intieme plek op aarde. Mocht de hogepriester zich in de Tempel begeven en één belletje of granaatappel zou missen, dan zou hij sterven.

Dit is de manier waarop wij het Heiligdom betreden, waarin wij ons met G-d verbinden.

Let op wat je zegt en vraag je af welk deel van jou aan het woord is. Vecht als een leeuw met kabaal tegen alles wat je afleidt en tegenhoudt. En, vergeet niet iedere Jood met je mee te nemen naar Yerushalayim. Want iedereen, op welk niveau dan ook, hoort erbij.
Ga je mee?

Bracha Heintz
Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson
Opmaak Rianne Meijer & Sonja Tamam
www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

 

Beeld: chabad.org

Even voorstellen

Samen al meer dan 30 jaar in Utrecht aan het werk: rabbijn & rebbeztin Heintz! Lees meer..

🌿 Soekot in Utrecht

Vrienden Joods Utrecht

Ook Hebreeuws leren?

Poerim 2019 Utrecht 🤹‍♂