Tag: Opbiechten

Ki Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Ki Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Elk mens heeft zijn goede kanten. Ik ook! We ontdekken samen hoe wij naar het positieve deel van ons leven leren kijken, het waarderen en er hardop over vertellen.

Download hier de PDF van dit artikel

Wiedoei Maasser is een van de 248 geboden die in de Torah staan en wordt in Parashat Kie Tawo besproken. Het gaat hier om een 3000 jaar oud belastingsysteem dat in Israël opereerde en uitstekend functioneerde. Het principe was door G-d Zelf bedacht: een cyclus van zeven jaar dat uit twee sets van drie jaar en vervolgens een apart zevende jaar bestond.

In het eerste en tweede jaar van de cyclus werd belasting in goederen op de volgende manier betaald. Of het nou ging om graan, vruchten, of groente, elke landeigenaar of boer gaf eerst 2% van zijn oogst aan de priesters. Dit heet Teroema. De priesters vertegenwoordigden iedereen in de dienst van de tempel. Ze waren ook verantwoordelijk voor onderwijs, bezaten geen grond en waren geen zakenlui. Ze leefden van de belastingopbrengsten die het Joodse volk aan hen gaf.

Nadat die 2% geheven was werd er vervolgens van wat er overbleef nog eens belasting geheven die Maaser Rishon heette. Dat was 10% van de resterende oogst en werd aan de Levieten gegeven. De Levieten voerden ook allerlei taken uit voor het hele volk.

Nog eens 10%

Nadat er 2% aan de priesters was gegeven en vervolgens 10% aan de Levieten werd er van de rest weer 10% genomen. Dat werd Maaser Sheni genoemd, de tweede Maaser of terwijl de tweede tiende. Dit deel hoefde de boer aan niemand te geven. Hij nam het zelf mee naar Jerushalayim en consumeerde het in deze heilige stad. Hij kon daar van die 10% van zijn oogst zelf eten en genieten. Het was een gelegenheid voor alle boeren om op reis te gaan naar Jerushalayim en daar te genieten van de sfeer. Het was een manier om de economie in Jerushalayim te versterken. Het vulde de stad met actie en het gaf de boer voldoening, zowel materieel als spiritueel.

Hierna was de boer vrij om de rest van zijn oogst voor zichzelf te bewaren, te verkopen of zelf te nuttigen.

Dit belastingsysteem gold in het eerste en tweede jaar van de zevenjarige cyclus alsook in het vierde en vijfde jaar. Wat gebeurde er in het derde en zesde jaar? In jaar 3 en 6 gaf de boer hetzelfde als in jaar 1 en 2 en 4 en 5. Eerst 2% aan de priesters en vervolgens 10% aan de Levieten.  Alleen het laatste deel, Maaser Sheni, de tweede Maaser, de laatste heffing was anders. Die ging niet mee naar Jerushalayim. Het werd aan de armen gegeven. Dat derde deel heette Maaser Ani, de tiende voor de armen.

Voor de armen

Behalve de tiende in jaar 3 en 6 kregen de armen elk jaar al sowieso al drie delen van de oogst.

  • Deel 1. Een boer mocht nooit zijn hele veld oogsten. Hij moest altijd een hoek van zijn veld ongeoogst laten. De armen mochten daar zelf komen plukken.
  • Deel 2. Als een boer een deel van zijn oogst was vergeten mocht hij niet teruggaan om het alsnog te halen. Dit liet hij achter voor de armen.
  • Deel 3.  Als een deel van de oogst tijdens het plukken viel, mocht de boer het niet oprapen. Ook dit deel werd voor de armen achtergelaten.

In het derde en zesde jaar van de cyclus ontvingen de armen behalve deze drie delen ook nog eens Maasser Sheni. Een tiende van de oogst nadat de delen voor de priesters en de Levieten al afgetrokken waren.

Jaar 1 en 2 waren gelijk aan jaar 4 en 5. Jaar nummer 3 was gelijk aan jaar nummer 6.

Speciale status

Nu het zevende jaar dat Shemita genoemd werd. Dit jaar had een speciale status. In dat jaar werden alle velden onbeheerd achtergelaten. Elk individu, boer of niet, arm of rijk, had gelijke toegang tot alle wijngaarden, velden en boomgaarden en mocht daar naar behoefte plukken. Ook de eigenaar mocht dat, maar alleen wat hij nodig had voor zichzelf, zijn gezin, zijn personeel en zijn dieren. Hij mocht er niet in handelen. Aangezien hij er in dat zevende jaar geen eigendom over had was hij ook niet bij machte om er belasting over te betalen.

Zo werd de landbouw, de belastingen, voedsel voor de armen en een vakantie naar Jerushalayim geregeld, volgens de wetten van de Torah.

En nu komt het. Wanneer de cyclus van 3 of 6 jaar voorbij was, was er een gebod dat וידוי מעשר heet, oftewel het opbiechten van de tiende.

Wat was dat?

In het vierde jaar en zevende jaar moest de boer controleren of hij wel aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan. Misschien was hij niet overal aan toegekomen en een bepaald deel vergeten of nog niet weggegeven. Misschien lag er nog ergens bij hem in opslag een hoeveelheid graan of erwten die hij nog schuldig was. Nu was de tijd aangebroken om alles wat hij verzuimd had te geven, uit te betalen.

Natuurlijk moest alles het liefst op het juiste moment, in het juiste jaar weggegeven worden. Mocht hij echter iets vergeten zijn, of hij was te druk en was er niet aan toegekomen, dan was het vierde jaar de laatste gelegenheid om alles recht te trekken.

Liefst in de Tempel

Aangezien er ook nog in de winter van het vierde jaar producten die in het derde jaar waren geplant, geoogst werden, moest de boer tot de lente van het vierde jaar wachten, op de laatste dag van Pesach, om liefst in de Tempel, maar het kon ook bijvoorbeeld thuis, zijn Maaser (tiende) op te biechten. Hoofdstuk 26 van Dewariem helpt ons verder.

כִּ֣י תְכַלֶּ֞ה לַ֠עְשֵׂר אֶת־כָּל־מַעְשַׂ֧ר תְּבוּאָתְךָ֛ בַּשָּׁנָ֥ה הַשְּׁלִישִׁ֖ת שְׁנַ֣ת הַֽמַּעֲשֵׂ֑ר וְנָתַתָּ֣ה לַלֵּוִ֗י לַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָֽאַלְמָנָ֔ה וְאָכְל֥וּ בִשְׁעָרֶ֖יךָ וְשָׂבֵֽעוּ׃

וְאָמַרְתָּ֡ לִפְנֵי֩ ה’ אֱלֹקיךָ בִּעַ֧רְתִּי הַקֹּ֣דֶשׁ מִן־הַבַּ֗יִת וְגַ֨ם נְתַתִּ֤יו לַלֵּוִי֙ וְלַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָאַלְמָנָ֔ה כְּכָל־מִצְוָתְךָ֖ אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתָ֑נִי לֹֽא־עָבַ֥רְתִּי מִמִּצְוֺתֶ֖יךָ וְלֹ֥א שָׁכָֽחְתִּי׃

לֹא־אָכַ֨לְתִּי בְאֹנִ֜י מִמֶּ֗נּוּ וְלֹא־בִעַ֤רְתִּי מִמֶּ֙נּוּ֙ בְּטָמֵ֔א וְלֹא־נָתַ֥תִּי מִמֶּ֖נּוּ לְמֵ֑ת שָׁמַ֗עְתִּי בְּקוֹל֙ ה אֱלֹקי עָשִׂ֕יתִי כְּכֹ֖ל אֲשֶׁ֥ר צִוִּיתָֽנִי׃

הַשְׁקִיפָה֩ מִמְּע֨וֹן קָדְשְׁךָ֜ מִן־הַשָּׁמַ֗יִם וּבָרֵ֤ךְ אֶֽת־עַמְּךָ֙ אֶת־יִשְׂרָאֵ֔ל וְאֵת֙ הָאֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תָּה לָ֑נוּ כַּאֲשֶׁ֤ר נִשְׁבַּ֙עְתָּ֙ לַאֲבֹתֵ֔ינוּ אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּדְבָֽשׁ׃

12) “Als je klaar bent om al je tienden van je oogst te geven in het derde jaar, het jaar van de tiende, en je zult het aan de Levi, aan de vreemdeling, aan de wees en de weduwe geven, en jullie zullen eten in jullie poorten en jullie zullen verzadigd zijn.

13) En jij zult zeggen vóór Hashem jouw G-d, “Ik heb uit mijn huis al het heilige verwijderd en ik heb ook gegeven aan de Levi en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe zoals Jouw gebod is, dat je mij geboden hebt. Ik heb Jouw gebod niet overtreden en ik ben niets vergeten.

14) Ik heb er niet van gegeten toen ik rouwde, noch heb ik het speciale deel verwijderd terwijl ik onrein was en ik heb het niet gebruikt voor een lijk. Ik heb naar de stem van Hashem, onze G-d geluisterd, ik heb gedaan zoals Jij mij alles hebt geboden.

15) Kijk vanuit Jouw heilige woonplaats, vanuit de hemel, en zegen Jouw volk, het Joodse volk en het land dat Jij ons geschonken hebt, zoals je het aan onze voorouders hebt gezworen, een land dat met honing en melk vloeit”.

Hierbij eindigt het gebod van וידוי מעשר, het opbiechten van de tiende.

Klopje op eigen schouder

Interessant, maar tegelijkertijd zeer vreemd. Ik lees hier een verklaring maar ik bespeur nergens iets wat op opbiechten zou lijken.  Vooralsnog betekent opbiechten dat je benoemt hetgeen je verkeerd hebt gedaan. Dit doen we dagelijks in ons gebed. Ook op Yom Kipoer benoemen we al onze fouten. We hebben spijt, we verontschuldigen ons en nemen verantwoordelijkheid om in de toekomst ons aan de regels te houden.

Deze boer echter vertelt juist dat hij alles naar behoren heeft uitgevoerd. Hij is zelfs niets vergeten. Hij heeft precies alles gedaan zoals G-d hem geboden heeft. Zelfs per ongeluk heeft hij niets overtreden. Hij heeft alles foutloos en perfect uitgevoerd. Waarom wordt deze verklaring dan opbiechten genoemd? Het is juist het tegenovergestelde. Je verklaart dat je alles perfect hebt gedaan en je zelfs niets vergeten bent!

Het is Rav Yosef Ber Soloveitchik die ons gaat helpen om dit te begrijpen.

De Torah geeft ons hier een diepe boodschap: soms moet een mens een verklaring geven hoe goed hij is, hoe fantastisch hij alles gedaan heeft, hoe succesvol hij is. Klopje op je eigen schouder dus. Niet alleen moet hij het denken. Nee, hij moet het ook hardop zeggen en vertellen, niet vanuit hoogmoed of argwaan maar uit het diepste van zijn hart en met oprechtheid.

Want ziet U, geachte lezer, elk mens heeft zo zijn successen, zijn goede kanten, zijn vakken waar hij het hartstikke goed in doet. Hij moet leren om naar dit deel van zijn leven niet alleen te kijken, maar ook te vertellen en te waarderen.

Niet alleen moet hij zijn goede kanten bekijken, hij wordt zelfs geboden om ze op te noemen en te zeggen: “Ik heb het perfect gedaan, ik ben zelfs niets vergeten!”

Twee vragen

Blijven er twee vragen over:

  1. Waarom heet deze declaratie opbiechten? en
  2. Waarom moet dit aan G-d verteld worden? G-d weet toch al het goede dat hij uitgevoerd heeft?

Als je iets fouts hebt gedaan, dan begrijpen we dat je het op moet noemen. Ook dan weet G-d alles wat je uitgespookt hebt. In dat geval echter heeft de mens het nodig om zichzelf ermee te confronteren. Hij moet zich realiseren wat er gaande is voordat hij er iets aan kan doen. Vandaar dat elke vorm van inkeer met opbiechten begint. 

Maar onze boer heeft alles voortreffelijk en uitmuntend ten uitvoer gebracht. Wat is hij aan het opbiechten?

G-d heeft de mens gemaakt en weet hoe hij in elkaar zit, hoe hij opereert,  lichamelijk, emotioneel, psychisch en spiritueel. De wijsheid van G-d en Zijn adviezen liggen in de Torah verborgen.

Wij zullen weldra ontdekken welke raad G-d ons meegeeft omtrent het opbiechten.

Toetje op jurk

Stel je draagt een mooi kledingstuk. Het is gewassen en gestreken en je draagt het bij een bruiloft. Helaas bij het toetje stoot iemand tegen je aan en je zit onder de chocola. Je begeeft je naar een wastafel om de vlekken te verwijden en onderweg laat iemand zijn bessentaart met poedersuiker over je heen vallen. Op dat moment is de zaak hopeloos. Je geeft het op. Als iemand nog een restje soep kwijt moet, dan mag het wel op jouw jurk. Als je het nog een jurk kunt noemen aangezien er een metamorfose heeft plaatsgevonden. Een dweil zou nu een betere benaming voor je kledingstuk zijn.

‘Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan nog maar wat bovenop.’

Hetzelfde geldt voor je persoonlijkheid, je gevoel van eigenwaarde. Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan maar nog wat meer bovenop.

Niemand die het verschil zal merken tussen een vieze dweil en een viezere dweil. Er is geen noodzaak meer om een mooie jurk, een zuivere ziel, te beschermen.

Als je van jezelf denkt dat alles bij jou een mislukking is, dat je vies en onwaardig bent en dat je medemens en G-d jou niet respecteren en waarderen, ja, wat het heeft het dan voor zin om op te biechten en de smeerboel te verwijderen. Je zit toch al onder de vlekken… nee, je bent zelf één grote vlek.

Als je zo in het leven staat dan zul je nooit tot inkeer kunnen komen. Dan ga je niet eens beginnen om je fouten te wassen. Het heeft toch geen zin. Wel eens iemand tegen gekomen die zegt: “Ik doe toch altijd alles fout! “Het gaat zelfs nog een stapje verder; in zo’n geval neem je niet eens verantwoordelijkheid voor je daden. Waarom zou je? Het maakt toch geen enkel verschil.

Hardop vertellen

Nee, vertelt de Torah ons. Wil je tot inkeer komen, ga dan eens eerst aan jezelf vertellen, hardop, in de Tempel, wie jij bent. Een schepsel in het evenbeeld van G-d gemaakt. Een persoon die ver boven zijn vlekken uitsteekt, iemand die zich niet laat definiëren door negatieve punten.

Ja, er is hier en daar misschien wel een vlekje, maar ik ben dat vlekje niet. Ik heb successen geboekt. Ik heb mijn plicht gedaan. Ik ben een goede persoon, die alles wat mij niet toebehoort gegeven heeft aan wie het moest ontvangen. Ik ben de baas over mijzelf.

Als ik de mist in ga, dan kan ik dat corrigeren want ik heb oneindig veel kracht, potentie en mogelijkheden. Ik laat de regie bij mijzelf. Ik heb controle en als het fout gaat dan is het precies dat, een vlekje op een prachtige mooie jurk. De jurk is elegant en daar hoort geen vlekje op. Het vlekje wordt meteen verwijderd. Maar op een dweil? Wie maakt zich druk om een schoonmaak doek, vuil, vuiler of nog vuiler.

Geen vergissing

Ik heb mij misschien vergist, maar ik ben geen vergissing. Ik kan kiezen hoe ik mij verhoud tot het verleden en daardoor ook tot het heden en de toekomst. Als ik mij goed voel en mij realiseert wat ik waard ben dan zal ik automatisch deze waarde willen behouden en elk vlekje willen corrigeren.

Ik wacht ook niet op complimenten en erkenning van anderen. Dit doe ik helemaal zelf. Het is een verplichting, één van de mitswot die ons geboden is. Ik ga het liefst naar de heiligste plek op aarde, de tempel in Jerushalayim en daar ga ik zelf hardop vertellen hoe fantastisch en vlekkeloos ik ben. Zelfs per ongeluk heb ik niets verzuimd. Ik ben niet afhankelijk van de waardering van anderen.

Eigen waarde

De Torah leert ons dat elke vorm van inkeer en opbiechten begint met het opnoemen van je eigen waarde. De basis voor inkeer is het verklaren van hoe je alles perfect hebt uitgevoerd, je hebt zelfs geen enkele steek laten vallen.

Daarom wordt deze parasha gelezen vlak voor Rosh Hashana en Yom Kipoer. Het is weleens waar geen opbiechten, maar het is daar wel de voorwaarde en de inleiding voor.

Wat een waardevolle les, wat een speciaal leermoment!

Proef je successen, benadruk ze en toon het mooie en pure in jezelf en in anderen. Wil je verandering in het gedrag bewerkstelligen van jezelf of een familielid? Ga dan eerst kijken of er überhaupt een wilskracht en potentieel aanwezig is. Zorg dat de mensen om je heen (jezelf inbegrepen) positief geluid horen. Zorg dat jij jouw goede daden “opbiecht”. Vanuit dit positieve gevoel zul jij de wilskracht in jezelf ontdekken om op te biechten, spijt te betuigen en verantwoordelijkheid voor jouw gedrag in de toekomst nemen.

Alleen als je in jezelf gelooft dat jij een prachtig schoon en mooi kledingstuk bent waar incidenteel een klein vlekje op terecht is gekomen, zul je bij machte zijn om de viezigheid te verwijderen. Wanneer je dit positief gevoel bij jezelf weet te ontdekken en te ontplooien zul jij het ook aan je medemens kunnen doorgeven. Je zult in staat zijn om je kinderen, je levenspartner, je buurvrouw en de bakker in een zuiver en schoon daglicht te beschouwen. Nu ben je klaar voor Rosh Hashana, het Joodse Nieuwjaar en Yom Kipoer. Het zijn dagen van inkeer en bezinning.

Met de wetenschap dat er een fantastische kern in jouw hart en ziel ligt zul je in staat zijn dit jaar om je vlekjes te reinigen, met liefde en respect naar jezelf en je medemens!

Shabbat Shalom en Shana Tova!

Bracha Heintz

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

 

Even voorstellen

Samen al meer dan 30 jaar in Utrecht aan het werk: rabbijn & rebbeztin Heintz! Lees meer..

🌿 Soekot in Utrecht

Vrienden Joods Utrecht

Ook Hebreeuws leren?

Poerim 2019 Utrecht 🤹‍♂