Tag: Rabbijn Aryeh Leib Heintz

Nitsawiem | Wat als het niet lukt?

Nitsawiem | Wat als het niet lukt?

Misschien denk je dat het heel moeilijk is om je aan de Torah wetten te houden, maar is dat wel zo? Wat precies wordt er van jou verwacht? Alles? Volmaaktheid?

Download hier de PDF van dit artikel

Moeilijk?

De geboden zijn niet moeilijk, ze zijn niet ver. Ze zijn niet in de hemel of aan de andere kant van de zee. Ze zijn heel dichtbij jou om ze uit te voeren met jouw mond, met jouw hart en met jouw daden.
Dewariem hoofdstuk 30 (11-14)

“Oh werkelijk? Nou, voor mij niet. Ik vind het best ingewikkeld, lastig, duur en omslachtig om de geboden uit te voeren.”

Hoe dan ook, ieder gezond mens zoekt voldoening en geluk in zijn leven. Het grootste geluk is: weten dat je goed bezig bent, weten dat je van betekenis bent.

Rosh Hashana

De vooravond van Rosh Hashana is een speciaal moment om daarover na te denken. Rosh Hashana is het begin van het Joodse jaar. Het is zo’n belangrijke dag dat het vaak ook HAYOM – de dag of vandaag – genoemd wordt. De Parasha die vlak voor Rosh Hashana gelezen wordt, begint met de volgende woorden: “Jullie staan vandaag allemaal stevig vóór G-d…”.

Jazeker, Rosh Hashana is een belangrijke en serieuze dag. Een dag waarop G-d de wereld berecht. Een dag waarop wij over het afgelopen jaar nadenken en bedenken hoe het komende jaar eruit zal gaan zien. G-d geeft ons meteen ook al versterking en bekrachtiging:  ‘Vandaag, op Rosh Hashana staan jullie sterk’, zegt Hij. Hoe kan dit? Met alles wat wij fout hebben gedaan? Komt de Torah ons vertellen dat wij sterk staan?

Met Rosh Hashana vieren wij de schepping van de mens. Deze schepping is natuurlijk niet zomaar gegaan. Het is niet zo dat aan de ene kant van de schepping G-d staat en aan de andere kant ‘deze wereld’. Er bestaat een heel spectrum van werelden. G-d heeft eerst een wereld geschapen die heel dichtbij Hem is, die Atsiloet heet. Vervolgens heeft Hij andere werelden gemaakt. Deze werelden zijn allemaal van spirituele aard, behalve onze wereld.

Ander perspectief

Ook binnen het spirituele bestaan er verschillende gradaties. In elke wereld schijnt het G-ddelijke licht net ietsje minder dan in de wereld ervoor. Totdat je in ‘onze wereld’ terecht komt. Hier schijnt het licht niet minder, hier is het helemaal donker, totale duisternis.

‘Met een andere wereld wordt bedoeld dat je naar dezelfde realiteit kunt kijken maar vanuit een ander perspectief’

De spirituele werelden zijn niet fysiek ‘boven’ of ‘ergens anders’ of ‘in een andere tijd’. Het is niet zo dat je met een ruimteschip naar een andere wereld zou kunnen reizen. Dit zou ook niet kunnen met een tijdmachine. Wat zijn die andere spirituele werelden dan wel? Met een andere wereld wordt bedoeld dat je naar dezelfde schepselen en realiteit kunt kijken maar vanuit een ander perspectief, met een andere kleur bril.

Stel iemand kijkt naar de muzieknoten van een symfonie. Hij zal heel veel streepjes, puntjes en rondjes zien en wordt er wellicht duizelig van. Toon dezelfde partituur aan een musicus en hij begint te glimlachen en te neuriën. Hij ziet melodieën  en verbanden. Hij neemt iets diepers waar, iets mooiers, iets geweldigs.

Het is niet alleen wat er fysiek aanwezig is maar ook en vooral wat het vertegenwoordigt en wat erachter schuilt.

Als je naar een appel kijkt zie je dan een appel of G-ddelijke energie die de appel doet bestaan? Zo ook is het met de spirituele werelden. Ze zijn allemaal hier aanwezig, de vraag is in hoeverre kunnen we ze waarnemen.

Rechtschapen mens

Je zou verder kunnen denken dat de hogere werelden ideaal zijn. Er schijnt daar immers meer licht dan hier. Je zou ook kunnen stellen dat het hoogste wat een mens zou kunnen bereiken, is om een Tsadiek te worden, een rechtschapen mens. De Tsadiek leeft op zo’n hoog niveau dat hij alles op een G-ddelijke manier beziet en ervaart. Als er iets is dat ‘niet mag’, dan heeft hij daar automatisch geen zin in. Als er iets te eten is dat voor hem ‘te veel’ is, dan heeft hij er geen verlangen naar. Net zomin als ik ernaar verlang om een stukje glas te eten als ik honger heb…

‘Ik ben een mens die naar het materiële verlangt en het zichzelf het meest aangenaam wil maken’

Welnu, ik ben niet rechtschapen en ook al doe ik heel veel moeite, zal ik het nooit worden. Al doe ik soms zo mijn best, elke keer val ik weer terug. Wat wil je? Ik ben een mens van deze wereld. Wanneer ik iets leuks zie dan heb ik er zin in en dan ga ik zoeken hoe ik het tot mij kan krijgen. Natuurlijk beheers ik mij af en toe – en daar stop ik best veel kracht in, maar dat duurt maar eventjes. De volgende dag ben ik weer mijzelf, een mens die naar het materiële verlangt en het zichzelf het meest aangenaam wil maken.

Wat heeft het dan nog voor zin? Het is best wel deprimerend om je hele leven te vechten om jezelf te kunnen beheersen en uiteindelijk lijkt het alsof je nog steeds niets bereikt hebt.

We willen meer licht, maar we zien G-d niet. We hebben zo onze atheïstische kanten, af en toe. En wat wil je? G-d is toch niet zichtbaar en de gebakjes en de pretparken wel!

G-d kan wel heel goed verstoppertje spelen en het lukt mij lang niet altijd om Hem te vinden. Hoe moet dat verder? Wat verwacht G-d van mij? Ik voer een eeuwige strijd.

Kijk en besef

Het lukt mij niet om de rechtschapen persoon te worden die ik zou wensen. Maar het blijkt dat G-d dit helemaal niet van ons verwacht! Dit is niet het doel van de schepping. We hoeven geen duisternis in licht te veranderen. Dat gaat ons ook zelden of nooit lukken. Laat je hierdoor niet ontmoedigen, vertellen de geleerden ons.Trek het je wel wat aan, maar niet teveel.

Wat is dan mijn rol in het geheel? G-d heeft maar één verzoek: kijk naar deze wereld en besef dat het hier totaal donker is.

Het kan zijn dat het je amper lukt om daar iets in te veranderen, maar jouw opdracht is om je ervan bewust te zijn. Niets is erger dan dat een mens genoegen neemt met valsheid en leugens. In wezen is de hele schepping één grote leugen aangezien wij de Schepper niet kunnen zien.

Maar laat je niet in de maling nemen! Deze hele wereld is alleen een omhulsel. Dieper is er heel veel.  Ga op zoek naar de ziel in jezelf en naar de ziel die in de wereld verscholen ligt.

Dagelijks gevecht

Dit is een dagelijks gevecht van ‘de geest over de materie’, van ‘diepte over oppervlakkigheid’ en van ‘betekenis over onzin’. Misschien lukt het je niet om de leugens te transformeren, maar je kunt ze wel het hoofd bieden.

De hele schepping heeft de schijn dat het vanzelf bestaat. Deze schijn koppelt de schepping los van Zijn Bron. Wees je daarvan bewust, ook al lukt het je niet om daar verandering in te brengen. Je hebt misschien de slag verloren maar je hebt de oorlog gewonnen.

Dit is het drama van het leven; één individu, misschien wel alléén in zijn kamer waar niemand hem ziet, is toch in staat om om zich heen te kijken en te zeggen: ‘Deze wereld klopt niet. Ik zie alleen maar een schil, maar die ga ik niet opeten. Die gooi ik weg.’

Aan het front

Dit is de boodschap van deze week. Het lukt ons niet altijd om ons op te trekken naar niveaus die ver boven ons liggen, maar dat is ook helemaal niet de bedoeling. Af en toe lukt het wel maar daarna is er vaak weer een terugval.
Net als het doornbos bij Moshe. Hij brandde wel maar verbrandde niet. Er was vuur, inspiratie en enthousiasme. Maar het had maar weinig effect. De takjes brandden niet en de doorns bleven prikken.

Zo is het leven. We hebben allemaal van die momenten dat we helemaal warm zijn en goed bezig zijn. Misschien gebeurt het wanneer je de kaarsjes van Shabbat hebt aangestoken, of je moeite hebt gedaan om een ander te helpen.

‘Waar het om gaat, is dat we de strijd aangaan en niet verwachten dat we winnen’

Hopelijk zullen er tijdens de Hoge Feestdagen zulke momenten langskomen.
Momenten van inspiratie, saamhorigheid en spiritualiteit. Maar dat gevoel houdt niet aan. Het komt als een golf op om daarna weer te verzachten. Maar je houdt altijd nog een beetje schuim en spirituele lucht over.

Is het erg dat je je enthousiasme niet constant kan aanhouden? Nee, het is jammer maar het geeft niet. In het leven blijf je geconfronteerd worden met duisternis. Je staat tenslotte aan het front, je vecht dagelijks tegen allerlei vijanden die jou proberen te weerhouden om goede daden te verrichten en die je de afgrond in willen duwen. Onze vijand is dat stemmetje in ons dat vreselijk te keer gaat om ons te beletten om iets goeds te doen. En datzelde stemmetje probeert ons ook te overtuigen om te doen wat G-d verboden heeft. Maar dan is dat vervelende stemmetje nog steeds niet klaar. Vervolgens gaat het ons laten zien hoe slecht wij zijn en hoe verkeerd wij gehandeld hebben in de hoop ons daarmee te ontmoedigen. In deze depressieve stemming gaan we zeker geen goede daden meer verrichten; dubbele winst voor onze innerlijke vijand.

En wie is dat stemmetje dan? Het is onze yetser hara, een slechte wil in ons, die G-d daar neergezet heeft om ons uit te dagen. G-d nodigt ons uit om tegen de yetser hara te vechten. Hij geeft ons de gelegenheid om dieper in ons potentieel te graven om dit stemmetje het hoofd te bieden. En ja, aan het front worden je kleren vies, is er bloed en narigheid. Geeft niet, waar het om gaat, is dat we de strijd aangaan en niet verwachten dat we altijd winnen.

Beweging in alle werelden

G-d heeft ons in deze laagste wereld neergezet en elke keer dat wij moeite doen om een laagje duisternis te verwijderen, bewerkstelligen wij trillingen in alle werelden. Onze ziel is als een lang touw. Als je aan de ene kant duwt en trekt beweegt alles mee.

Ja, dames en heren, wij met onze kleine en grote strijd, veroorzaken trillingen en bewegingen in alle werelden. Aangezien elk mens een ziel in zich heeft, een stukje van G-d, is hij bij machte om door één kleine daad een wereld van verandering teweeg te brengen.

Wat een kracht, wat een potentieel! Jij en ik hebben dit in ons! Kijk wat er in onze Parasha staat (Dewariem 30-12 t/m 14):

לֹ֥א בַשָּׁמַ֖יִם הִ֑וא לֵאמֹ֗ר מִ֣י יַעֲלֶה־לָּ֤נוּ הַשָּׁמַ֙יְמָה֙ וְיִקָּחֶ֣הָ לָּ֔נוּ וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ אֹתָ֖הּ וְנַעֲשֶֽׂנָּה׃
Het is niet in de hemel dat je zou zeggen, wie gaat er voor ons tot de hemel stijgen om het voor ons te pakken en het ons te laten horen zodat we het kunnen uitvoeren.

וְלֹֽא־מֵעֵ֥בֶר לַיָּ֖ם הִ֑וא לֵאמֹ֗ר מִ֣י יַעֲבָר־לָ֜נוּ אֶל־עֵ֤בֶר הַיָּם֙ וְיִקָּחֶ֣הָ לָּ֔נוּ וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ אֹתָ֖הּ וְנַעֲשֶֽׂנָּה׃
Noch is het aan de overkant van de zee dat je zou zeggen, wie zal voor ons de zee oversteken en het voor ons pakken en het ons te laten horen zodat we het kunnen uitvoeren.
 
כִּֽי־קָר֥וֹב אֵלֶ֛יךָ הַדָּבָ֖ר מְאֹ֑ד בְּפִ֥יךָ וּבִֽלְבָבְךָ֖ לַעֲשֹׂתֽוֹ׃
Want het is heel dicht bij je in je mond, en in je hart om het te doen.

Het is niet zo moeilijk. Je hoeft daar geen bergen voor te beklimmen en zeeën voor over te steken. Het is heel dichtbij je, vertelt de Torah ons, omdat het al in ons aanwezig is. Je hoeft het alleen maar te openbaren. Herontdek je eigen vlammetje in je hart, je eigen warme zuivere ziel. Luister ernaar en openbaar je eigen potentieel. Het is er al en daar gaan we het komende jaar op bouwen met de wetenschap dat we helemaal niet hoeven te winnen, alleen elke keer weer een duwtje in de goede richting.

Hierbij wens ik iedereen een goed en zoet jaar, een jaar vol met geluk, gezondheid en voldoening in materiële en spirituele zin!

Shana towa oemetoeka!

Bracha Heintz

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

Kie Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Kie Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Elk mens heeft zijn goede kanten. U ook! We ontdekken samen hoe wij naar het positieve deel van ons leven leren kijken, het waarderen en er hardop over vertellen.

Download hier de PDF van dit artikel

Wiedoei Maasser is een van de 248 geboden die in de Torah staan en wordt in Parashat Kie Tawo besproken. Het gaat hier om een 3000 jaar oud belastingsysteem dat in Israël opereerde en uitstekend functioneerde. Het principe was door G-d Zelf bedacht: een cyclus van zeven jaar dat uit twee sets van drie jaar en vervolgens een apart zevende jaar bestond.

In het eerste en tweede jaar van de cyclus werd belasting in goederen op de volgende manier betaald. Of het nou ging om graan, vruchten, of groente, elke landeigenaar of boer gaf eerst 2% van zijn oogst aan de priesters. Dit heet Teroema. De priesters vertegenwoordigden iedereen in de dienst van de tempel. Ze waren ook verantwoordelijk voor onderwijs, bezaten geen grond en waren geen zakenlui. Ze leefden van de belastingopbrengsten die het Joodse volk aan hen gaf.

Nadat die 2% geheven was werd er vervolgens van wat er overbleef nog eens belasting geheven die Maaser Rishon heette. Dat was 10% van de resterende oogst en werd aan de Levieten gegeven. De Levieten voerden ook allerlei taken uit voor het hele volk.

Nog eens 10%

Nadat er 2% aan de priesters was gegeven en vervolgens 10% aan de Levieten werd er van de rest weer 10% genomen. Dat werd Maaser Sheni genoemd, de tweede Maaser of terwijl de tweede tiende. Dit deel hoefde de boer aan niemand te geven. Hij nam het zelf mee naar Jerushalayim en consumeerde het in deze heilige stad. Hij kon daar van die 10% van zijn oogst zelf eten en genieten. Het was een gelegenheid voor alle boeren om op reis te gaan naar Jerushalayim en daar te genieten van de sfeer. Het was een manier om de economie in Jerushalayim te stimuleren. Het vulde de stad met actie en het gaf de boer voldoening, zowel materieel als spiritueel.

Hierna was de boer vrij om de rest van zijn oogst voor zichzelf te bewaren, te verkopen of zelf te nuttigen.

Dit belastingsysteem gold in het eerste en tweede jaar alsook in het vierde en vijfde jaar van de zevenjarige cyclus. Wat gebeurde er in het derde en zesde jaar? In jaar 3 en 6 gaf de boer hetzelfde als in jaar 1 en 2 en 4 en 5. Eerst 2% aan de priesters en vervolgens 10% aan de Levieten.  Alleen het laatste deel, Maaser Sheni, de tweede Maaser, die derde en laatste heffing was anders. Die ging niet mee naar Jerushalayim. Het werd aan de armen gegeven. Dat derde deel heette Maaser Ani, de tiende voor de armen.

Voor de armen

Behalve de tiende in jaar 3 en 6 kregen de armen elk jaar al sowieso al drie delen van de oogst.

  • Deel 1. Een boer mocht nooit zijn hele veld oogsten. Hij moest altijd een hoek van zijn veld ongeoogst laten. De armen mochten daar zelf komen plukken.
  • Deel 2. Als een boer een deel van zijn oogst was vergeten mocht hij niet teruggaan om het alsnog te halen. Dit liet hij achter voor de armen.
  • Deel 3.  Als een deel van de oogst tijdens het plukken viel, mocht de boer het niet oprapen. Ook dit deel werd voor de armen achtergelaten.

In het derde en zesde jaar van de cyclus ontvingen de armen behalve deze drie delen ook nog eens Maasser Sheni. Een tiende van de oogst nadat de delen voor de priesters en de Levieten al afgetrokken waren.

Jaar 1 en 2 waren gelijk aan jaar 4 en 5. Jaar nummer 3 was gelijk aan jaar nummer 6.

Speciale status

En nu 9 het zevende jaar dat Shemita genoemd werd. Dit jaar had een speciale status. In dat jaar werden alle velden onbeheerd achtergelaten. Elk individu, boer of niet, arm of rijk, had gelijke toegang tot alle wijngaarden, velden en boomgaarden en mocht daar naar behoefte plukken. Ook de eigenaar mocht dat, maar alleen wat hij nodig had voor zichzelf, zijn gezin, zijn personeel en zijn dieren. Hij mocht er niet in handelen. Aangezien hij er in dat zevende jaar geen eigendom over had was hij ook niet bij machte om er belasting over te betalen.

Zo werd de landbouw, de belastingen, voedsel voor de armen en een vakantie naar Jerushalayim geregeld, volgens de wetten van de Torah.

En nu komt het. Wanneer de cyclus van 3 of 6 jaar voorbij was, was er een gebod dat וידוי מעשר heet, oftewel het opbiechten van de tiende.

Wat was dat?

In het vierde jaar en zevende jaar moest de boer controleren of hij wel aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan. Misschien was hij niet overal aan toegekomen en een bepaald deel vergeten of nog niet weggegeven. Misschien lag er nog ergens bij hem in opslag een hoeveelheid graan of erwten die hij nog schuldig was. Nu was de tijd aangebroken om alles wat hij verzuimd had te geven, uit te betalen.

Natuurlijk moest alles het liefst op het juiste moment, in het juiste jaar weggegeven worden. Mocht hij echter iets vergeten zijn, of hij was te druk en was er niet aan toegekomen, dan was het vierde jaar de laatste gelegenheid om alles recht te trekken.

Liefst in de Tempel

Aangezien er ook nog in de winter van het vierde jaar producten die in het derde jaar waren geplant, geoogst werden, moest de boer tot de lente van het vierde jaar wachten, op de laatste dag van Pesach, om liefst in de Tempel, maar het kon ook bijvoorbeeld thuis, zijn Maaser (tiende) op te biechten. Hoofdstuk 26 van Dewariem helpt ons verder.

כִּ֣י תְכַלֶּ֞ה לַ֠עְשֵׂר אֶת־כָּל־מַעְשַׂ֧ר תְּבוּאָתְךָ֛ בַּשָּׁנָ֥ה הַשְּׁלִישִׁ֖ת שְׁנַ֣ת הַֽמַּעֲשֵׂ֑ר וְנָתַתָּ֣ה לַלֵּוִ֗י לַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָֽאַלְמָנָ֔ה וְאָכְל֥וּ בִשְׁעָרֶ֖יךָ וְשָׂבֵֽעוּ׃

וְאָמַרְתָּ֡ לִפְנֵי֩ ה’ אֱלֹקיךָ בִּעַ֧רְתִּי הַקֹּ֣דֶשׁ מִן־הַבַּ֗יִת וְגַ֨ם נְתַתִּ֤יו לַלֵּוִי֙ וְלַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָאַלְמָנָ֔ה כְּכָל־מִצְוָתְךָ֖ אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתָ֑נִי לֹֽא־עָבַ֥רְתִּי מִמִּצְוֺתֶ֖יךָ וְלֹ֥א שָׁכָֽחְתִּי׃

לֹא־אָכַ֨לְתִּי בְאֹנִ֜י מִמֶּ֗נּוּ וְלֹא־בִעַ֤רְתִּי מִמֶּ֙נּוּ֙ בְּטָמֵ֔א וְלֹא־נָתַ֥תִּי מִמֶּ֖נּוּ לְמֵ֑ת שָׁמַ֗עְתִּי בְּקוֹל֙ ה אֱלֹקי עָשִׂ֕יתִי כְּכֹ֖ל אֲשֶׁ֥ר צִוִּיתָֽנִי׃

הַשְׁקִיפָה֩ מִמְּע֨וֹן קָדְשְׁךָ֜ מִן־הַשָּׁמַ֗יִם וּבָרֵ֤ךְ אֶֽת־עַמְּךָ֙ אֶת־יִשְׂרָאֵ֔ל וְאֵת֙ הָאֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תָּה לָ֑נוּ כַּאֲשֶׁ֤ר נִשְׁבַּ֙עְתָּ֙ לַאֲבֹתֵ֔ינוּ אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּדְבָֽשׁ׃

12) “Als je klaar bent om al je tienden van je oogst te geven in het derde jaar, het jaar van de tiende, en je zult het aan de Levi, aan de vreemdeling, aan de wees en de weduwe geven, en jullie zullen eten in jullie poorten en jullie zullen verzadigd zijn.

13) En jij zult zeggen vóór Hashem jouw G-d, “Ik heb uit mijn huis al het heilige verwijderd en ik heb ook gegeven aan de Levi en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe zoals Jouw gebod is, dat je mij geboden hebt. Ik heb Jouw gebod niet overtreden en ik ben niets vergeten.

14) Ik heb er niet van gegeten toen ik rouwde, noch heb ik het speciale deel verwijderd terwijl ik onrein was en ik heb het niet gebruikt voor een lijk. Ik heb naar de stem van Hashem, onze G-d geluisterd, ik heb gedaan zoals Jij mij alles hebt geboden.

15) Kijk vanuit Jouw heilige woonplaats, vanuit de hemel, en zegen Jouw volk, het Joodse volk en het land dat Jij ons geschonken hebt, zoals je het aan onze voorouders hebt gezworen, een land dat met honing en melk vloeit”.

Hierbij eindigt het gebod van וידוי מעשר, het opbiechten van de tiende.

Klopje op eigen schouder

Interessant, maar tegelijkertijd zeer vreemd. Ik lees hier een verklaring maar ik bespeur nergens iets wat op opbiechten zou lijken.  Vooralsnog betekent opbiechten dat je benoemt hetgeen je verkeerd hebt gedaan. Dit doen we dagelijks in ons gebed. Ook op Yom Kipoer benoemen we al onze fouten. We hebben spijt, we verontschuldigen ons en nemen verantwoordelijkheid om in de toekomst ons aan de regels te houden.

Deze boer echter vertelt juist dat hij alles naar behoren heeft uitgevoerd. Hij is zelfs niets vergeten. Hij heeft precies alles gedaan zoals G-d hem geboden heeft. Zelfs per ongeluk heeft hij niets overtreden. Hij heeft alles foutloos en perfect uitgevoerd. Waarom wordt deze verklaring dan opbiechten genoemd? Het is juist het tegenovergestelde. Je verklaart dat je alles perfect hebt gedaan en je bent zelfs niets vergeten!

Het is Rav Yosef Ber Soloveitchik die ons gaat helpen om dit te begrijpen.

De Torah geeft ons hier een diepe boodschap: soms moet een mens een verklaring afgeven over wat hij verkeerd  heeft gedaan. Maar hij moet ook weten te vertellen hoe goed hij is, hoe fantastisch hij alles gedaan heeft, hoe succesvol hij is. Klopje op je eigen schouder dus. Niet alleen moet hij het denken. Nee, hij moet het ook hardop zeggen en vertellen, niet vanuit hoogmoed of argwaan maar uit het diepste van zijn hart en met oprechtheid.

Want ziet U, geachte lezer, elk mens heeft zo zijn successen, zijn goede kanten, zijn vakken waar hij het hartstikke goed in doet. Hij moet leren om naar dit deel van zijn leven niet alleen te kijken, maar ook te vertellen en te waarderen.

Niet alleen moet hij zijn goede kanten bekijken, hij wordt zelfs geboden om ze op te noemen en te zeggen: “Ik heb het perfect gedaan, ik ben zelfs niets vergeten!”

Twee vragen

Blijven er twee vragen over:

  1. Waarom heet deze declaratie opbiechten? en
  2. Waarom moet dit aan G-d verteld worden? G-d weet toch al het goede dat hij uitgevoerd heeft?

Als je iets fouts hebt gedaan, dan begrijpen we dat je het op moet noemen. Ook dan weet G-d alles wat je uitgespookt hebt. In dat geval echter heeft de mens het nodig om zichzelf ermee te confronteren. Hij moet zich realiseren wat er gaande is voordat hij er iets aan kan doen. Vandaar dat elke vorm van inkeer met opbiechten begint. 

Maar onze boer heeft alles voortreffelijk en uitmuntend ten uitvoer gebracht. Wat is hij aan het opbiechten?

G-d heeft de mens gemaakt en weet hoe hij in elkaar zit, hoe hij opereert,  lichamelijk, emotioneel, psychisch en spiritueel. De wijsheid van G-d en Zijn adviezen liggen in de Torah verborgen.

Wij zullen weldra ontdekken welke raad G-d ons meegeeft omtrent het opbiechten.

Toetje op jurk

Stel je draagt een mooi kledingstuk. Het is gewassen en gestreken en je draagt het bij een bruiloft. Helaas bij het toetje stoot iemand tegen je aan en je zit onder de chocola. Je begeeft je naar een wastafel om de vlekken te verwijden en onderweg laat iemand zijn bessentaart met poedersuiker over je heen vallen. Op dat moment is de zaak hopeloos. Je geeft het op. Als iemand nog een restje soep kwijt moet, dan mag het wel op jouw jurk. Als je het nog een jurk kunt noemen aangezien er een metamorfose heeft plaatsgevonden. Een dweil zou nu een betere benaming voor je kledingstuk zijn.

‘Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan nog maar wat bovenop.’

Hetzelfde geldt voor je persoonlijkheid, je gevoel van eigenwaarde. Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan maar nog wat meer bovenop.

Niemand die het verschil zal merken tussen een vieze dweil en een viezere dweil. Er is geen noodzaak meer om een mooie jurk, een zuivere ziel, te beschermen.

Als je van jezelf denkt dat alles bij jou een mislukking is, dat je vies en onwaardig bent en dat je medemens en G-d jou niet respecteren en waarderen, ja, wat het heeft het dan voor zin om op te biechten en de smeerboel te verwijderen. Je zit toch al onder de vlekken… nee, je bent zelf één grote vlek.

Als je zo in het leven staat dan zul je nooit tot inkeer kunnen komen. Dan ga je niet eens beginnen om je fouten te wassen. Het heeft toch geen zin. Wel eens iemand tegen gekomen die zegt: “Ik doe toch altijd alles fout! “Het gaat zelfs nog een stapje verder; in zo’n geval neem je niet eens verantwoordelijkheid voor je daden. Waarom zou je? Het maakt toch geen enkel verschil.

Hardop vertellen

Nee, vertelt de Torah ons. Wil je tot inkeer komen, ga dan eens eerst aan jezelf vertellen, hardop, in de Tempel, wie jij bent. Een schepsel in het evenbeeld van G-d gemaakt. Een persoon die ver boven zijn vlekken uitsteekt, iemand die zich niet laat definiëren door negatieve punten.

Ja, er is hier en daar misschien wel een vlekje, maar ik ben dat vlekje niet. Ik heb successen geboekt. Ik heb mijn plicht gedaan. Ik ben een goede persoon, die alles wat mij niet toebehoort gegeven heeft aan wie het moest ontvangen. Ik ben de baas over mijzelf.

Als ik de mist in ga, dan kan ik dat corrigeren want ik heb oneindig veel kracht, potentie en mogelijkheden. Ik laat de regie bij mijzelf. Ik heb controle en als het fout gaat dan is het precies dat, een vlekje op een prachtige mooie jurk. De jurk is elegant en daar hoort geen vlekje op. Het vlekje wordt meteen verwijderd. Maar op een dweil? Wie maakt zich druk om een schoonmaak doek, vuil, vuiler of nog vuiler.

Geen vergissing

Ik heb mij misschien vergist, maar ik ben geen vergissing. Ik kan kiezen hoe ik mij verhoud tot het verleden en daardoor ook tot het heden en de toekomst. Als ik mij goed voel en mij realiseert wat ik waard ben dan zal ik automatisch deze waarde willen behouden en elk vlekje willen corrigeren.

Ik wacht ook niet op complimenten en erkenning van anderen. Dit doe ik helemaal zelf. Het is een verplichting, één van de mitswot die ons geboden is. Ik ga het liefst naar de heiligste plek op aarde, de tempel in Jerushalayim en daar ga ik zelf hardop vertellen hoe fantastisch en vlekkeloos ik ben. Zelfs per ongeluk heb ik niets verzuimd. Ik ben niet afhankelijk van de waardering van anderen.

Eigen waarde

De Torah leert ons dat elke vorm van inkeer en opbiechten begint met het opnoemen van je eigen waarde. De basis voor inkeer is het verklaren van hoe je alles perfect hebt uitgevoerd, je hebt zelfs geen enkele steek laten vallen.

Daarom wordt deze parasha gelezen vlak voor Rosh Hashana en Yom Kipoer. Het is weleens waar geen opbiechten, maar het is daar wel de voorwaarde en de inleiding voor.

Wat een waardevolle les, wat een speciaal leermoment!

Proef je successen, benadruk ze en toon het mooie en pure in jezelf en in anderen. Wil je verandering in het gedrag bewerkstelligen van jezelf of een familielid? Ga dan eerst kijken of er überhaupt een wilskracht en potentieel aanwezig is. Zorg dat de mensen om je heen (jezelf inbegrepen) positief geluid horen. Zorg dat jij jouw goede daden “opbiecht”. Vanuit dit positieve gevoel zul jij de wilskracht in jezelf ontdekken om op te biechten, spijt te betuigen en verantwoordelijkheid voor jouw gedrag in de toekomst nemen.

Alleen als je in jezelf gelooft dat jij een prachtig schoon en mooi kledingstuk bent waar incidenteel een klein vlekje op terecht is gekomen, zul je bij machte zijn om de viezigheid te verwijderen. Wanneer je dit positief gevoel bij jezelf weet te ontdekken en te ontplooien zul jij het ook aan je medemens kunnen doorgeven. Je zult in staat zijn om je kinderen, je levenspartner, je buurvrouw en de bakker in een zuiver en schoon daglicht te beschouwen. Nu ben je klaar voor Rosh Hashana, het Joodse Nieuwjaar en Yom Kipoer. Het zijn dagen van inkeer en bezinning.

Met de wetenschap dat er een fantastische kern in jouw hart en ziel ligt zul je in staat zijn dit jaar om je vlekjes te reinigen, met liefde en respect naar jezelf en je medemens!

Shabbat Shalom en Shana Tova!

Bracha Heintz

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

 

Even voorstellen

Samen al meer dan 30 jaar in Utrecht aan het werk: rabbijn & rebbeztin Heintz! Lees meer..

🌿 Soekot in Utrecht

Vrienden Joods Utrecht

Ook Hebreeuws leren?

Poerim 2019 Utrecht 🤹‍♂