Auteur: Rabbi Aryeh Leib Heintz

Behar | Vertrouwen of twijfelen, wat kies jij?

Behar | Vertrouwen of twijfelen, wat kies jij?

Is G-d in staat om in onze levensbehoeften te voorzien ook al staat de landbouw of de economie stil? Als je daaraan twijfelt ben jij juist diegene die de toevoer blokkeert. Wanneer je niet alleen gelooft, maar je er ook zeker van bent dat G-d Almachtig is en in staat is, ongeacht de situatie, voor ons te zorgen, dan is jouw vertrouwen de katalysator voor G-ds zegen. Wij maken de eerste stap door te vertrouwen, vervolgens vult G-d onze schuur en voorraadkast. Wat kies jij, vertrouwen of twijfelen?

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Wajiekra, hoofdstuk 25.

דַּבֵּ֞ר אֶל־בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ וְאָמַרְתָּ֣ אֲלֵהֶ֔ם כִּ֤י תָבֹ֙אוּ֙ אֶל־הָאָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר אֲנִ֖י נֹתֵ֣ן לָכֶ֑ם וְשָׁבְתָ֣ה הָאָ֔רֶץ שַׁבָּ֖ת לַה’׃

Spreek tot de kinderen van Israël en zeg hun, als jullie zullen komen naar het land dat ik jullie geef dan zal het land Shabbat vieren.

De naam van dit gebod is Shemita. Dat houdt in dat vanaf het moment dat het Joodse volk zich in Israël gevestigd had, men jaren ging tellen in cycli van zeven. In het zevende jaar mocht het land niet bewerkt worden en dit geldt tot op de dag van vandaag nog steeds.

Zoals wij elke week op de zevende dag Shabbat vieren en stoppen met de schepping te bewerken, zo stopt ook de landbouw elk zevende jaar. Het is een jaar dat wij niet ploegen, niet zaaien en niet oogsten. Of het nou om groenten, graan of fruit gaat, alles staat stil. Eens in de zeven jaar krijgt de aarde rust. En of je alleen een moestuintje hebt, een paar bomen bezit of 1000 hectares graanvelden beheert, de regel blijft hetzelfde. Jouw velden en alles wat erin groeit zijn tijdens het Shemita-jaar openbaar bezit geworden. Ieder mens of dier mag vrij komen plukken. De eigenaar heeft niet méér recht op zijn landbouwproducten dan wie dan ook. De eigenaar mag net als iedereen plukken wat hij voor eigen consumptie nodig acht, maar niet meer.

Levensgevaarlijk

Stelt u zich eens voor wat dit gebod te betekenen had in een tijd dat de hele economie op de landbouw gebaseerd was. In een jaar waarin het bewerken en oogsten verboden is ligt hongersnood al snel op de loer. Er is dan niets te eten, de winkels staan leeg en de overlevingskansen zijn zeer gering. Een levensgevaarlijke situatie!

Het hele leven draaide vroeger om voedselproductie in eigen land. De mens was nauw verbonden met de aarde. Tegenwoordig zijn we meer verbonden met wolken, golven en satellieten.

Hoe dan ook had men in het Shemita jaar niets te eten… of toch wel?
De meeste mensen waren boeren en hadden dat jaar geen inkomen. Alle mensen en dieren kregen vrije toegang om wat ze maar wilden te plukken. Stel je voor dat één jaar op de zeven jaar, iedereen vrij van je bankpas gebruik zou mogen maken!

Wanneer wij nu denken, dat het ‘maar om één jaar ging’, dan bewijst dat alleen maar hoe ver onze gedachtengang van het leven op het platteland af is. Want het gebrek aan voedsel duurde langer dan dat ene Shemita-jaar. Wat viel er namelijk in het achtste jaar te oogsten wanneer er in het zevende jaar niet gezaaid was? Pas in het achtste jaar, dat het eerste jaar van de nieuwe cyclus was, mocht de landbouw weer starten. Men kon pas in jaar 8 beginnen met ploegen en zaaien, waarna er gewacht moest worden dat er weer wat ging groeien. Pas wanneer men kon oogsten in jaar 8 was er sprake van voedselproductie, inkomen en eten voor het hele volk. De vraag wordt alleen maar sterker: wat was er te eten niet alleen in het zevende maar ook voor een groot gedeelte in het achtste jaar? Precies deze vraag staat in de Torah in Wajiekra 25, 20-22:

וְכִ֣י תֹאמְר֔וּ מַה־נֹּאכַ֤ל בַּשָּׁנָ֣ה הַשְּׁבִיעִ֑ת הֵ֚ן לֹ֣א נִזְרָ֔ע וְלֹ֥א נֶאֱסֹ֖ף אֶת־תְּבוּאָתֵֽנוּ׃

וְצִוִּ֤יתִי אֶת־בִּרְכָתִי֙ לָכֶ֔ם בַּשָּׁנָ֖ה הַשִּׁשִּׁ֑ית וְעָשָׂת֙ אֶת־הַתְּבוּאָ֔ה לִשְׁלֹ֖שׁ הַשָּׁנִֽים׃

וּזְרַעְתֶּ֗ם אֵ֚ת הַשָּׁנָ֣ה הַשְּׁמִינִ֔ת וַאֲכַלְתֶּ֖ם מִן־הַתְּבוּאָ֣ה יָשָׁ֑ן עַ֣ד ׀ הַשָּׁנָ֣ה הַתְּשִׁיעִ֗ת עַד־בּוֹא֙ תְּב֣וּאָתָ֔הּ תֹּאכְל֖וּ יָשָֽׁן׃

En als jullie zullen vragen, wat zullen wij eten in het zevende jaar, wij zullen niet zaaien en onze producten niet oogsten.
En ik zal mijn zegen gebieden voor jullie in het zesde jaar en het zal een productie opleveren voor drie jaar.
En jullie zullen zaaien het achtste jaar en jullie zullen van de oude productie eten tot het negende jaar, totdat de oogst van het achtste jaar komt, zullen jullie van de oude oogst eten.

Hashem zal ons een hele speciale zegen geven: het zesde jaar zal een driedubbele oogst opbrengen:

  1. de normale hoeveelheid voor het zesde jaar.
  2. een extra hoeveelheid dat de oogst van het zevende jaar zal vervangen
  3. daarbovenop nog een extra deel in afwachting van de oogst van het achtste jaar.

Wat bijzonder, een driedubbele zegen. Moshe belooft in de Torah dat het land in het zesde jaar van de cyclus een wonderbaarlijke driedubbele hoeveelheid oogst zal opbrengen.

Woord voor woord

Hierin vinden wij het G-ddelijke aspect van de Torah. Er zijn mensen die niet geloven dat de Torah door G-d geschreven is. Theorieën bestaan dat de Torah door Moshe zelf geschreven zou zijn of door andere zeer slimme personen. In dat geval merken wij op dat het niet zo slim zou zijn geweest van die ‘slimme personen’ om te beloven dat het zesde jaar een gigantische opbrengst zal geven. Want hoe lang gaat het duren totdat men ontdekt dat het niet zo is en dat die hele Torah dus niet klopt? Zes jaar. Niet meer. Hoe kon Moshe zo’n belofte en voorspelling uitspreken? Als men na zes jaar zou ontdekken dat er geen grotere oogst was geweest, was Moshe eruit gegooid en was de Torah ergens in een tweedehands boekenkraam terecht gekomen.

Zo zijn er nog meer gevallen van uitspraken die wij in de Torah ontdekken die alleen maar door G-d geschreven hadden kunnen worden. Neem bijvoorbeeld de opsomming van vier dieren waarvan ieder maar één van de twee koshere tekens heeft. Hoe zou een mens kunnen beweren dat er in de hele wereld maar vier dieren bestaan die of herkauwen of gespleten hoeven hebben? Had Moshe een wereldreis gemaakt dat hij zoiets kon verklaren? Kende hij alle dieren op aarde? En ook al zou dat zo zijn, waarom zou hij het risico nemen om dat zo in de Torah op te schrijven? Als Moshe inderdaad zijn eigen document geschreven had, zogenaamd in de naam van G-d, waarom staan er dan allerlei zaken in waardoor Moshe vroeg of laat door de mand zou vallen? Zelfs vandaag de dag lezen we regelmatig in het nieuws dat er ergens in de wereld een nieuw dierensoort ontdekt is. Hoe kon Moshe er zeker van zijn dat er nooit een dier ontdekt zou worden dat maar één van de twee koshere tekens zou hebben behalve de vier die al in de Torah genoemd worden?

Als je al een vals document maakt, zorg er dan voor dat niemand kan bewijzen dat het vals is. Wie liegen wil, vertelt de gemara ons, moet ver weg blijven van bewijzen. Het is dan beter om verhalen uit het verleden en mensen die niet meer leven erbij te halen en te vertellen wat zij gezegd zouden hebben. Het is namelijk onmogelijk te bewijzen dat dit niet zo was. Wanneer je een nieuwe godsdienst wilt verzinnen of een vertakking van een reeds bestaande G-dsdienst wilt innoveren, gebruik dan uitsluitend zaken waarvan het tegendeel niet te bewijzen valt.

Maar Moshe heeft niets zelf geschreven. De Torah is hem woord voor woord door G-d Almachtig, Schepper van dieren en van de oogst gedicteerd. Moshe was totaal niet bezorgd dat men ooit een vijfde dier zou vinden dat maar één kosher teken zou hebben hetgeen millennia lang ook nooit gebeurd is. En dat het land in het zesde jaar extra zou produceren, daar had Moshe het volste vertrouwen in.

‘Wat zullen wij eten in het zevende jaar?’

Nu de voedseldistributie over het zesde, zevende en achtste jaar opgelost is kunnen wij ons afvragen waarom de Torah een vraag en antwoord stijl gebruikt en ons niet gewoon zoals gebruikelijk, direct het antwoord vertelt. Meestal is het zo, dat als de Torah ons iets wil vertellen dat het er gewoon staat. Soms in een hele zin, soms met één woord en vaak ook alleen met één letter. Maar wanneer zien wij dat er eerst een vraag wordt gesteld?:

מַה־נֹּאכַ֤֖ל בַּשָּׁנָ֣ה הַשְּׁבִיעִ֑ת

‘Wat zullen we in het zevende jaar eten? staat er in onze parasha, 25:20.

Deze vraag lijkt overbodig. Bij andere wetten en regels staat normaal alleen wat je moet doen. Waarom wordt er in dit geval hiervan afgeweken? Waarom staat er niet gelijk dat Hashem ons een zegen gaat geven. Je hoeft toch geen doctorandus in de economie te zijn om te begrijpen dat er een voedselprobleem zal ontstaan wanneer de Shemita-wetten gehouden zullen worden?!

Onophoudelijke stroom

Reb Elimelech uit Lizhensk (Polen) citeert zijn broer, Reb Zushe uit Annipoli’, en vertelt waarom de Torah in dit geval wel een vraag stelt. Hij biedt de volgende verklaring:

Toen Hashem de wereld schiep heeft Hij ervoor gezorgd dat er voor elk schepsel alles is wat het nodig heeft. Er bestaat voor ieder wezen een doorgaande stroom van benodigdheden, eten, drinken, meubels, vrienden, intelligentie, liefde etc… Iedereen is als het ware verbonden met Boven door middel van een buis waardoorheen continu allerlei goeds naar hem toekomt. De stroom gaat onophoudelijk door, behalve wanneer er storing ontstaat doordat een mens zichzelf niet meer is. Hij verliest zijn identiteit, hij weet niet meer waar hij aan toe is. Hij ligt ’s ochtends in bed en weet niet of hij wel of niet moet opstaan en waarvoor. Een typisch menselijk probleem. Geen enkel ander schepsel heeft dit dilemma. Elk ander schepsel op aarde weet waar het voor geschapen is en wat het te doen staat als het ’s ochtends of misschien juist ’s nachts opstaat.

Heb je ooit een mierennest geobserveerd? Duizenden mieren kruipen rond en zorgen samen voor hun leefomgeving, hun voedsel en hun voortplanting. Mieren beschikken over ijver waar wij nog wat van kunnen opsteken. Ooit een mier zien stoppen met werken omdat het zich afvroeg of het nog wel zin had om door te gaan? Ooit een boom ontmoet die twijfelde of hij dit seizoen wel door wilde groeien? Of de maan gezien die twijfelde of zij wel moest schijnen of in welke baan zij zich moest begeven?

Alle schepselen doen wat ze horen te doen, behalve de mens! Hij weet het niet, hij twijfelt, hij moet met zijn therapeut overleggen. De aarde voedt de planten, de planten zorgen voor voedsel voor de dieren maar zodra dit proces bij de mens arriveert, stopt ineens de cyclus. De mens twijfelt: zal hij vlees eten of niet, zal hij geloven of niet, zal hij als Jood leven of niet? Hij weet het niet zeker. Hij is niet meer in contact met zijn raison d’etre. G-d heeft hem geschapen en heeft samen met deze schepping een hoop kanalen en toegangswegen meegegeven waar een stroom van benodigdheden doorheen vloeit. Maar wat? De mens houdt het zelf tegen omdat hij niet begrijpt hoe het voor G-d mogelijk is om voldoende te creëren voor hem en voor ieder ander schepsel.

Twijfel

Het probleem ligt in de vraag, in de twijfel. Als een mens naadloos verbonden zou zijn met wie hij in werkelijkheid is, dan zou hij geen vraag hebben. Omdat hij zich afvraagt wie hij is, vraagt hij zich ook af wat hij waard is.

Op het moment dat hij zijn vertrouwen in zichzelf en in zijn capaciteiten verliest, is hij diegene die de stroom tegenhoudt. Dit was in Gan Eden al een probleem. G-d vroeg aan Adam: ‘Waar ben je?’ Natuurlijk wist G-d waar Adam was. G-d weet toch alles. Hij is alles en Hij is overal, ook waar Adam zich verstopt. Maar G-d wilde Adam wakker schudden omdat Adam zelf niet meer wist waar hij was. Adam was zijn relatie kwijt. Welke relatie? De relatie met zijn eigen ik, met wie hij had willen en kunnen zijn. Omdat Adam niet meer dezelfde persoon was na het eten van de verboden vrucht was hij ook zijn stroom van overvloed kwijt en moest hij het Gan Eden verlaten. Zijn vertrek uit het paradijs was geen straf. Het was een wijziging van een situatie die hij zelf gecreëerd had.

Wanneer G-d ons belooft dat het goed zal gaan wanneer wij ons aan de Shemita-regels houden, dan hebben we maar één ding te doen en dat is ons daaraan te houden en dan zal alles goed komen.  Dat is het hoogste niveau.

Dat niveau van vertrouwen lukt lang niet altijd en daarom komt de Torah in vers 20 van hoofdstuk 25 met een vraag, een twijfel. Met andere woorden: als je je aan Shemita houdt, komt alles goed en loopt de stroom gewoon door. Maar als je vragen hebt, als je twijfelt en je begint je zorgen te maken over de huur en de bankrekening en je gezondheid en de buren en je werk en de collega’s – en je vraagt je af of het allemaal goed kan komen: ‘Wat zullen we in het zevende jaar eten?’

Door het stellen van deze vraag verplaats je je naar een hele andere situatie. Je blokkeert je eigen stroom. Je bent bang dat je het niet waard bent. Misschien denk je wel dat G-d boos op je is. Wie zegt dat dat zo is? Natuurlijk houdt G-d van jou en van zijn schepselen, anders had hij jou en hen toch niet gemaakt! Je bent bezorgd, je twijfelt aan jezelf en aan je eigenwaarde en je vraagt je af of je van al het mooie in deze wereld wel mag genieten! Waar anders was deze prachtige natuur dan voor geschapen? Voor óns om te gebruiken volgens de Torah-code. Maar je twijfelt en je vraagt jezelf af of G-d misschien een wereld heeft geschapen met mensen erin en regels en wanneer deze mensen zich vervolgens aan die regels houden, zij juist door die regels niet genoeg te eten zullen hebben. Wat een onlogische manier van denken!

Vol vertrouwen

Misschien denk je dat G-d zich vergist en ons vraagt om Shemita te houden maar daarbij vergeet om ons in ons levensonderhoud te voorzien? Of Hij vraagt ons de Shabbat te vieren maar daardoor missen wij onze examens en verliezen we onze baan en levensonderhoud. Oh ja werkelijk? Zou G-d zich echt zo vergissen en de mens allerlei geboden en verboden laten uitvoeren en zou daardoor de mensheid falen, verhongeren en uiteindelijk sterven? Is dat de Torah? Is dat het Jodendom? Welnee. Maar omdat we het niveau van vol vertrouwen nog niet hebben kunnen bereiken verwoordt de Torah onze zorg en vraag: ‘wat zullen we in het zevende jaar eten?’

Er is een reset nodig en G-d belooft – na je vraag – opnieuw een zegen van overvloed:

En ik zal mijn zegen gebieden voor jullie in het zesde jaar en het zal een productie opleveren voor drie jaar.

Vandaar dat de Torah eerst een vraag stelt: wat zullen we eten? Het is niet de vraag van de Torah, het is de vraag van de twijfelaar, diegene bij wie de relatie en het vertrouwen in Hashem verzwakt is. Die kan niet meer teren op een stroom van natuurlijke zegeningen. Voor hem komt er een speciale zegen van driedubbele overvloed.

De bedoeling van ons bestaan is om te genieten van deze wereld, van een overvloed aan goedheid die G-d ons schenkt en die overvloed vervolgens te delen. Alleen ligt er wel een gebruiksaanwijzing bij en dat is de Torah die ervoor zorgt dat wij alles gebruiken op een gezonde spirituele en materiële manier. Als je deze methode gebruikt hoef je niet te twijfelen. Dan kun je ‘s ochtends gewoon je bed uitkomen en je gang gaan en ’s avonds met een gerust hart naar bed gaan.

De mineralen, het water en de aarde, voorzien de planten van voedsel. De planten voeden op hun beurt de dieren, die op hun beurt de mens van dienst zijn. Maar bij de mens zou ineens het verloop kunnen worden verstoord; hij zou zomaar de wereldsymfonie kunnen onderbreken omdat hij de laatste schakel en steek laat vallen. De drie categorieën onder hem – mineralen, planten en dieren – die elkaar zo goed opgevolgd hebben heeft hij in de steek gelaten doordat hij vergeten is om met de wereld om te gaan op een bewuste manier. Hij had dat vlees (dier) en de groente (planten) en het zout (mineralen) op een bedachtzame manier kunnen benutten, maar de opbouw van de melodie van de schepping is bij hem gestopt. Hij kijkt om zich heen en twijfelt wat hij vandaag moet doen. Dat is niet nodig. Ook gedachten kunnen gedisciplineerd worden.

Belangrijke schakel

Door positief te denken houd je je verbindingskanalen naar boven toe open. Hashem gunt het je, maar gun jij het jezelf? Waardeer wie je bent: een belangrijke schakel in de kosmos. Een mens kan kiezen om een schakel te zijn in het bevrijden van de wereld door de materie volgens de Torah te gebruiken. Anderzijds is hij in staat, doordat hij aan zichzelf twijfelt, om de volmaaktheid van de wereld in gevaar te brengen. Stop je de symfonie midden in de melodie of speel je de laatste scène op het toneel van het leven?

Een mens is door G-d geschapen en G-d draagt hem op om Hem hier op aarde te vertegenwoordigen. Het doel van de mens is om door de schepping heen de verborgenheid van Hashem te ontdekken. Dit doet hij door de materie te gebruiken conform de Torah-wetten. Als vertegenwoordiger van de Almachtige G-d worden natuurlijk zijn onkosten ruim vergoed tijdens de gewone jaren en zelfs tijdens het Shemita-jaar. Succes gegarandeerd!

Bracha Heintz

Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson

Hieronder een filmpje uit Israël in 2015 waarbij uitgelegd wordt hoe een gigantisch veld wegens de shemita eerder geoogst werd. Daardoor was het veld helemaal kaal geworden, veel vroeger in het seizoen dan normaal zou worden verwacht. Terroristen hadden een tunnel gebouwd die in dat kale veld uitmondde. Ze dachten dat wanneer ze uit de tunnel zouden komen, het graan hun zou camoufleren. Maar het graan was weg, eerder geoogst dan verwacht, nog snel voordat het shemita jaar zou beginnen. Zo werden de terroristen meteen ontdekt en hun levensgevaarlijke plannen in de kiem gesmoord. Shemita en alle Torah wetten beschermen ons hoe dan ook!

 

 

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Emor | Stoppen, tellen en verbeteren

Emor | Stoppen, tellen en verbeteren

Wij kunnen ons leven verbeteren en als een saffier schijnen. We zijn geen slachtoffers van onze levensomstandigheden. Wat ons voorgeschoteld wordt in het leven kunnen wij niet veranderen, wel hoe wij ermee omgaan. Wat de twee onafscheidbare gedeeltes van de Torah hiermee te maken hebben, de schriftelijke en de mondelinge, lees je in dit nieuwe artikel.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Het was 14 Niesan, de dag vóór Pesach en het hooggerechtshof, dat zitting had in de tempel in Jeruzalem, stuurde elk jaar drie afgevaardigden naar een gerstveld vlakbij Jeruzalem. Daar bundelden de afgezanten vochtige gerst terwijl het nog aan de grond vastzat.

De volgende dag op 15 Niesan, (de eerste dag Pesach) aan het einde van de dag als het donker werd en 16 Niesan begon, begaven massa’s mensen zich naar het gerstveld. De drie afgevaardigden namen elk een zeis en een mand mee en riepen naar de menigte toe:

“Is de zon onder?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is de zon onder?”                                                                                                                                                                                                                                         “Ja.”                                                                                          
“Is de zon onder?”
“Ja.”

Vervolgens:
“Is dit een zeis?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is dit een zeis?”
“Ja.”
“Is dit een zeis?”
“Ja.”

En daarna:
“Is dit een mand?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is dit een mand?”
“Ja.”
“Is dit een mand?”
“Ja.”

En als het Shabbat was vroeg ons drietal:
“Is het vandaag Shabbat?”
En de toeschouwers antwoordden: “Ja.”
“Is het vandaag Shabbat?”
“Ja.”
“Is het vandaag Shabbat?”
“Ja.”

En ten slotte:
“Zal ik oogsten?”
En de toeschouwers antwoordden: “Oogst!”
“Zal ik oogsten?”
“Oogst!”
“Zal ik oogsten?”
“Oogst!”

Toeters en bellen

Wat een toeters en bellen! Wat een spektakel! Wat was hier gaande?

De aanwezigheid van zovelen en het driemaal herhalen van elke vraag was bedoeld om de aandacht te trekken en te benadrukken dat dit precies gedaan werd conform de regels uit de Torah en met name de mondelinge leer. Want ziet U, geachte lezer, de Torah heeft twee onafscheidbare gedeeltes. Het ene deel is de schriftelijke leer, oftewel de 5 boeken Mozes, die G-d, woord voor woord, aan Moshe gedicteerd heeft. Het andere deel is de mondelinge leer die G-d aan Moshe erbij verteld heeft.

Pas 1500 jaar na het geven van de Torah werd de mondelinge leer, de Mishna, door Rabbi Yehuda Hanasi opgeschreven. Dat was in het jaar 189 van de gewone jaartelling. Het was samengesteld uit aantekeningen van verschillende geleerden.  Het op schrift stellen van de mondelinge leer achtten de geleerden noodzakelijk omdat zij zich zorgen maakten dat door de ballingschap het niet meer van generatie op generatie nauwkeurig onthouden zou worden.

De schriftelijke en mondelinge leer zijn dikke maatjes. Zij kunnen echt niet zonder elkaar. Enerzijds kan het schriftelijke deel van de Torah niet zonder uitleg begrepen of uitgevoerd worden. Anderzijds is de mondelinge leer totaal op het schriftelijke gedeelte gebaseerd. Een aantal voorbeelden zal het een en ander duidelijk maken.

In de schriftelijke leer in Wajiekra, 16: 29 en 31 staat:

בַּחֹ֣דֶשׁ הַ֠שְּׁבִיעִי בֶּֽעָשׂ֨וֹר לַחֹ֜דֶשׁ תְּעַנּ֣וּ אֶת־נַפְשֹֽׁתֵיכֶ֗ם

In de zevende maand, op de tiende van de maand zul je jezelf kwellen. (vers A)

שַׁבַּ֨ת שַׁבָּת֥וֹן הִיא֙ לָכֶ֔ם וְעִנִּיתֶ֖ם אֶת־נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם חֻקַּ֖ת עוֹלָֽם׃

Het is voor jullie een Shabbat stopdag en jullie zullen jullie kwellen, een eeuwige wet. (vers B)

De tiende dag van de zevende maand is Yom Kipoer, grote verzoendag en de Torah vertelt ons om ons te kwellen. Maar nergens staat er in de schriftelijke leer wat het kwellen inhoudt. Misschien moeten we op een spijkerbed gaan liggen of op een mierennest gaan zitten. Toch weet iedereen dat Yom Kipoer een vastendag is. Maar waar komt deze kennis vandaan? Uit de mondelinge leer.

Nog een voorbeeld uit Dewariem, 12:21:

וְזָבַחְתָּ֞ מִבְּקָרְךָ֣ וּמִצֹּֽאנְךָ֗ אֲשֶׁ֨ר נָתַ֤ן ְה לְךָ֔ כַּאֲשֶׁ֖ר צִוִּיתִ֑ךָ

…en je zult je rund- en kleinvee die G-d jou gegeven heeft slachten zoals ik jou geboden heb… (vers C)

Maar waar wordt er geboden hoe je slachten moet? Nergens in de schriftelijke leer staat hier iets over! Rashi helpt ons met zijn uitleg over dit vers. Hij vertelt ons dat de slachtwetten aan Moshe verteld werden op de berg Sinai.

Compensatie

En dan het bekende voorbeeld in Shemot, 21:24:

עַ֚יִן תַּ֣חַת עַ֔יִן שֵׁ֖ן תַּ֣חַת שֵׁ֑ן יָ֚ד תַּ֣חַת יָ֔ד רֶ֖גֶל תַּ֥חַת רָֽגֶל

Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

De letterlijke betekenis van dit vers zou zijn dat als Reuven letsel toebrengt aan het oog van Shimon, dat er een oog bij Reuven weggehaald zou moeten worden. Zijn deze gruwelijke praktijken wel Joods? Nee, natuurlijk niet. Het is nooit voorgekomen dat een Joods gerechtshof een dergelijke uitspraak gedaan heeft. De mondelinge leer schiet ons te hulp. Iemand die een lichaamsdeel van een ander beschadigt moet hem financieel compenseren. Hij moet hem vergoeden voor wat hij nu minder waard is door het ontbreken van het beschadigde lichaamsdeel. Dat is compensatie nummer één. Er zijn in totaal vijf financiële vergoedingen voor:

1. het ontbreken van het beschadigde lichaamsdeel
2. alle medische uitgaven
3. het gemiste salaris tot aan herstel
4. de pijn
5. de schaamte

Het kan ook niet anders want wat als Reuven al aan één oog blind was geweest? Wanneer zijn tweede oog weggehaald zou worden dan zou hij helemaal blind worden! Wie garandeert bovendien dat je, op jouw beurt, in staat bent om precies hetzelfde letsel aan te brengen? Stel, je hebt iemand z’n oog voor een derde beschadigd, hoe zorg je ervoor dat je een identieke wond aanbrengt? Misschien wordt de beschadiging wel groter of juist kleiner. De kans bestaat ook dat de persoon aan het letsel komt te overlijden door bijvoorbeeld infectie. Er staat ‘oog om oog’ en niet ‘oog om het leven’. Twee bladzijdes worden er in de Talmoed besteed aan het opsommen van wel tien verschillende redenen waarom ”oog om oog” niet letterlijk genomen kan worden.

Nu we dit weten, moeten wij nog een vraag stellen: als vijf financiële vergoedingen gegeven moeten worden, waarom staat dit dan niet zo letterlijk en duidelijk in de Torah? Oog om oog kan zo gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd worden. Maar de Torah wil ons op een subtiele manier aangeven dat een dader zelfs met alle vijf financiële restituties het nog steeds niet goed heeft gemaakt. Een mens en zijn lichaamsdelen zijn namelijk niet te koop. Anders zou je kunnen denken dat je rechts en links een ander kunt slaan, verwonden of amputeren, als je maar achteraf betaalt. Een heel rijk mens zou dan zorgeloos kunnen toeslaan en daarna met zijn financiële compensatie alles weer goed hebben gemaakt? “Welnee”, vertelt de Torah ons. “Heb jij het oog van je medemens afgehakt, dan zou jouw oog eigenlijk ook afgehakt moeten worden”. Oog om oog. Echter in de praktijk zal de rechtbank de dader enkel om een financiële compensatie vragen. 

De Torah is niet uitsluitend een wetboek. Elk vers heeft vele betekenissen. Wanneer alleen de wet duidelijk beschreven zou zijn geweest dan hadden we alle andere verborgen lagen niet kunnen ontdekken.

Natuurlijk baseert de mondelinge leer zich ook op het schriftelijke deel. Er staat namelijk helemaal niet oog om oog. Er staat עַ֚יִן תַּ֣חַת עַ֔יִן (ajien tachat ajien), oog onder oog. Als je de letters van het woord עַ֔יִן (ajien), oog neemt en van elke letter neem je de letter die eronder komt, d.w.z. de letter die in het alfabet erna komt dan gebeurt er het volgende:

Na de עַ֚ Ajien komt de פ, Pee.
Na de יִ Joed komt de כ Kaf.
Na de ן Noen komt de ס Samech.

Zet je deze drie nieuwe letters bij elkaar dan ontstaat het woord כסף (kesef) dat geld betekent, namelijk de financiële compensatie. Zo laat de Torah in dit vers doorschemeren (via de mondelinge leer) dat er zowel geld bedoeld wordt als het feit dat de dader eigenlijk dezelfde verwonding zou moeten krijgen die hij aangericht heeft. 

De schriftelijke leer zelf laat duidelijk zien dat er een mondelinge leer bij hoort. De Torah zelf is het medicijn en de mondelinge leer is de bijsluiter. “Lees goed de bijsluiter voordat U dit geneesmiddel gaat gebruiken”, staat er op mijn doosje met medicijnen.

Hebreeuws mondeling

De Talmoed vertelt ons het verhaal van een niet-Jood die zich wilde bekeren en die bij de geleerde Hillel kwam om uitsluitend de schriftelijke leer tot zich te nemen. Hij wilde de mondelinge leer van de rabbijnen niet accepteren. Hillel wist dat deze man oprecht was, maar niet begreep waar de mondelinge leer voor diende. En zo kreeg hij zijn eerste les, waarin Hillel hem een Alef en een Beet liet zien.

De volgende dag leerde Hillel hem dezelfde twee letters maar omgekeerd. Van de Alef zei hij dat het een Beet was en van de Beet dat het een Alef was. De man protesteerde hevig omdat hij nog de dag tevoren het precies omgekeerd had geleerd. “In dat geval”, zei Hillel, “zie je dat je een Rabbijn of leraar nodig hebt die jou mondeling het alfabet moet onderwijzen. Je moet mij dus vertrouwen dat ik de juiste traditie aan jou overbreng.” Het lezen van het alfabet is een mondelinge leer. Je kunt niet leren lezen tenzij iemand jou vertelt wat er staat. En jij denkt de Torah te kunnen begrijpen zonder de uitleg van de Rabbijnen. Maar de verklaringen van de Torah zijn vele malen complexer dan het lezen van het alfabet! Zonder de mondelinge traditie zul je de Torah nooit kunnen vatten.

Datum bepalen

En nu terug naar het oogsten van de eerste gerst dat in onze Parasha besproken wordt. De vraag is wanneer dat gebeuren moest, op welke dag? Laten we de schriftelijke leer erbij halen met Wajiekra 23, vers 9 t/m 16:

וַיְדַבֵּ֥ר ֖ה אֶל־מֹשֶׁ֥ה לֵּאמֹֽר׃

G-d zei tegen Moshe om te zeggen. (vers D)

דַּבֵּ֞ר אֶל־בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ וְאָמַרְתָּ֣ אֲלֵהֶ֔ם כִּֽי־תָבֹ֣אוּ אֶל־הָאָ֗רֶץ אֲשֶׁ֤ר אֲנִי֙ נֹתֵ֣ן לָכֶ֔ם וּקְצַרְתֶּ֖ם אֶת־קְצִירָ֑הּ וַהֲבֵאתֶ֥ם אֶת־עֹ֛מֶר רֵאשִׁ֥ית קְצִירְכֶ֖ם אֶל־הַכֹּהֵֽן׃

Spreek tot het Joodse volk en zeg tegen hen: “Als jullie naar het land zullen komen dat ik jullie geef en jullie zullen de oogst oogsten en jullie zullen brengen één Omer (circa 2,5 liter), het eerste van jullie oogst naar de priester. (vers E)

וְהֵנִ֧יף אֶת־הָעֹ֛מֶר לִפְנֵ֥י ֖ה לִֽרְצֹנְכֶ֑ם מִֽמָּחֳרַת֙ הַשַּׁבָּ֔ת יְנִיפֶ֖נּוּ הַכֹּהֵֽן׃

En hij zal de Omer heen en weer bewegen vóór G-d, voor jullie genoegen, de dag na de Shabbat (feestdag) zal de priester het heen en weer bewegen. (vers F)

וּסְפַרְתֶּ֤ם לָכֶם֙ מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת מִיּוֹם֙ הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם אֶת־עֹ֖מֶר הַתְּנוּפָ֑ה שֶׁ֥בַע שַׁבָּת֖וֹת תְּמִימֹ֥ת תִּהְיֶֽינָה׃

En jullie zullen tellen voor jullie vanaf de dag na de Shabbat (feestdag), vanaf de dag dat jullie de heen en weer bewegende Omer brengen, het zullen zeven volle shabbatot (weken) zijn. (vers G)

עַ֣ד מִֽמָּחֳרַ֤ת הַשַּׁבָּת֙ הַשְּׁבִיעִ֔ת תִּסְפְּר֖וּ חֲמִשִּׁ֣ים י֑וֹם וְהִקְרַבְתֶּ֛ם מִנְחָ֥ה חֲדָשָׁ֖ה לַה׃

Tot de zevende Shabbat (week) zullen jullie 50 dagen tellen en jullie zullen een nieuw meeloffer voor G-d brengen. (vers H)

Betekenis Shabbat 

In de bovengenoemde verzen die deel uitmaken van de schriftelijke leer hebben wij zojuist gelezen dat het gerstoffer de dag na Shabbat gebracht moest worden en dat er vanaf die dag zeven weken geteld moesten worden om bij het feest van Shawoe’ot terecht te kunnen komen. Toch weten wij dat het gerstoffer en de omertelling de dag na Pesach beginnen, ongeacht op welke dag van de week dat valt.

Twee vragen moeten hier beantwoord worden.
Hoe weten we dat de Torah niet per se Shabbat bedoelt?
En als het al niet per se Shabbat hoeft te zijn, waarom staat het er dan?

Wat betekent ‘Shabbat’?

Wij denken natuurlijk allemaal dat Shabbat de zevende dag van de week is. En terecht dat klopt ook, maar dat is niet de enige vertaling. Eigenlijk betekent Shabbat in het Hebreeuws stoppen. Inderdaad is G-d op de zevende dag van de schepping gestopt met het creëren van nieuwe schepselen. Ook wij stoppen op Shabbat met het maken van nieuwe voorwerpen. Maar dat stoppen gebeurt ook op feestdagen ongeacht op welke dag van de week die vallen.

Het woord Shabbat heeft nog meer verklaringen. Wanneer wij dit woord tegenkomen in de Torah kan het de volgende drie betekenissen hebben:

  1. de zevende dag van de week
  2. een feestdag, bijvoorbeeld Yom Kipoer wordt in de Torah ‘Shabbat’ genoemd, terwijl het op een doordeweekse dag kan vallen. Zie bovengenoemd vers B. Ook Pesach kan Shabbat genoemd worden zoals in de verzen F en G.
  3. een hele week zoals in de verzen G en H

Wanneer het Omeroffer in de Torah besproken wordt staat erbij op welke dag het gebracht moest worden, namelijk מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת (mipacharat hashabbat), d.w.z. de dag na de stopdag. Welke van de drie stopdagen wordt hiermee bedoeld? Het antwoord is, na de dag van het Pesachfeest.

Pesach is 15 Niesan en dus moest het Omeroffer de volgende dag op 16 Niesan gebracht worden, ongeacht welke dag van de week dat was.

Dit hield in dat deze gerst precies de dag na Pesach geoogst moest worden en niet zoals de Tsedoekim beweerden. Zij waren een groep Joden die de mondelinge leer verwierpen en het woordje Shabbat maar op één manier vertaalden.

Zij waren van mening dat men na Pesach moest wachten totdat er eerst een Shabbat (een zaterdag) was, en dat men pas de volgende dag, op zondag, het Omeroffer moest brengen. Omdat ze de mondelinge leer niet accepteerden begrepen ze het vers verkeerd. Vandaar dat het brengen van het Omeroffer met heel veel spektakel geschiedde, om er publiciteit aan te geven hoe deze mitswa en vooral dat het op deze datum uitgevoerd moest worden.

En dus op de dag na Pesach d.w.z. op 16 Niesan werd de gerst naar de tempel gebracht. Daar werd het geroosterd in een geperforeerde pan. Vervolgens werd het gemalen en 13 keer gezeefd. Een “Omer” (een hoeveelheid van circa 2,5 liter) werd vermengd met olie en wierook en in alle richtingen bewogen. Een kleine hoeveelheid van dit mengsel werd door de priester op het altaar verbrand. Wat er overbleef werd door de priesters gegeten. Pas na dit ritueel mocht het Joodse volk van de nieuwe oogst gebruik maken.

Zie hier hoe het brengen van de Omer in de tempel gebeurde: https://www.youtube.com/watch?v=7c1WvQXGzUQ

Tellen

Op de dag na Pesach werd niet alleen het Omeroffer gebracht. Op die dag begon men ook de dagen te tellen tot aan het moment dat de Torah zeven weken later ontvangen zou worden. Vandaag kunnen wij geen Omeroffer meer brengen omdat de Romeinen de tempel in Jeruzalem hebben verwoest. Echter tellen wij nog steeds, zoals het in de Torah staat, de dagen vanaf Pesach tot aan het wekenfeest Shawoe’ot.

וּסְפַרְתֶּ֤ם לָכֶם֙ מִמָּחֳרַ֣ת הַשַּׁבָּ֔ת מִיּוֹם֙ הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם אֶת־עֹ֖מֶר הַתְּנוּפָ֑ה שֶׁ֥בַע שַׁבָּת֖וֹת תְּמִימֹ֥ת תִּהְיֶֽינָה׃

En jullie zullen voor jullie tellen vanaf de dag na de Shabbat (feestdag), vanaf de dag dat jullie de heen en weer bewegende Omer brengen, het zullen zeven volle shabbatot (weken) zijn. (vers G)

Na de uittocht uit Egypte begonnen de voorbereidingen voor het ontvangen van de Torah dat 7 weken later zou plaatsvinden. Het was een gelegenheid om 49 dagen lang zijn karaktereigenschappen te analyseren, tot zijn recht te laten komen en te doen schijnen.

Vanaf de dag na Pesach is het een mitswa om die zeven weken te tellen en elke week één van onze karaktereigenschappen te verbeteren. Zo bereiden wij onszelf ook nu voor, in de 21ste eeuw, om de Torah opnieuw op ons te nemen. De ballingschap in Egypte had het Joodse volk op het randje van een spirituele afgrond gebracht. Vanaf de uittocht uit Egypte kreeg iedere Jood zeven weken lang de tijd en de gelegenheid om zijn karakter te verbeteren alvorens hij de Torah op de berg Sinai zou gaan ontvangen. Ook vandaag gebruiken wij deze weken om ons karakter te verbeteren.

In de eerste week (chesed) werken wij aan חסד chesed, de liefde in ons leven. Ben ik in staat om liefde te voelen? Kan ik die liefde ook verwoorden aan diegenen van wie ik houd? Ben ik in staat om liefde te onvangen?

De tweede week (gewoera) ligt de focus op גבורה gewoera, het leggen van grenzen. Ben ik in staat om mijzelf te disciplineren? Geef ik mijn grenzen bij anderen aan?

De derde week kijk ik of ik in staat ben om met een ander mee te leven, תפארת tiferet. Ben ik er voor een ander volgens zijn mogelijkheden en niet volgens de mijne?

De vierde week, נצח netsach, concentreren wij ons op het doorzetten ondanks tegenslag. Heb ik voldoende ambitie?

De vijfde week הוד hod, kijken we of wij dankbaar kunnen zijn. Zijn wij in staat om toe te geven, om onze fouten te erkennen?

In week zes יסוד yesod, ligt de focus op communicatie en hechten. Verbind ik mij werkelijk met de mensen waar ik mee verbonden hoor te zijn?

De laatste week, nummer 7, ontwikkelen wij onze capaciteiten om leiding te geven, מלכות malchoet. Ben ik voldoende zelfverzekerd om leiding te geven? Komt mijn motivatie om te leiden door onzekerheid of door een verlangen om positieve invloed te hebben?

Maar wanneer begint het tellen en dit verbeterproces precies? “Vanaf de dag na de Shabbat” staat in de Torah.

Onze geleerden vertellen dat Shabbat in dit geval niet de zevende dag van de week betekent, maar de dag na het feest. Welk feest? Pesach. Want ziet U, de betekenis van het woord “Shabbat” is niet altijd de zevende dag. Shabbat betekent stoppen. En net zo goed als wij stoppen met onze bezigheden wanneer wij Shabbat vieren, zo ook doen we dat op onze feestdagen. Ook het Joodse volk moest stoppen met hun verankering in de Egyptische cultuur om zo hun weg langzaam maar zeker naar de berg Sinai te vinden.

Toen en nu ook. Hoe vaak zitten we niet op het randje? Iedereen zijn eigen randje… we zitten vast, geblokkeerd in gewoontes waar wij vanaf willen. G-d geeft ons de mogelijkheid om te stoppen (Shabbat), elke dag weer. Het is aan ons om die dagelijkse gelegenheden aan te grijpen. Door het tellen van de Omer realiseren wij ons dat wij wel degelijk kunnen stoppen.

Elke week is er een nieuwe karaktereigenschap aan de beurt. Elke dag wordt geteld: 

  1. וּסְפַרְתֶּ֤ם, oesefartem staat in de Torah en dat betekent: “Jullie zullen tellen”.
  2. Maar וּסְפַרְתֶּ֤ם, oesefartem betekent ook, jullie zullen schijnen als een saffier.
  3. En ook jullie zullen verbeteren לשפר (leshaper)
  4. Ten slotte kun je het woord ook nog relateren aan ספור (sipoer), een verhaal.

Werk aan je karakter

De uittocht uit Egypte, de zeven weken tellen en het ontvangen van de Torah zijn samen het verhaal ספור (sipoer) van onze ziel: dat wij behalve eten, slapen en werken nog een andere dimensie hebben. Dat wij als mens in staat zijn om boven onze natuurlijke instincten, gewoontes en neigingen uit te stijgen. Wij kunnen ons leven inderdaad verbeteren en schijnen als een saffier. Het tellen van de dagen herinnert ons aan het feit dat wij onszelf los kunnen maken van onze verankering in de Egyptische of Nederlandse cultuur. Dat we langzaam maar zeker, dag in dag uit, week in week uit, ons karakter weten om te buigen om een plezierig mens te worden voor onszelf en voor onze omgeving.

Nee, we zijn geen slachtoffers van onze levensomstandigheden. Wij kunnen kiezen om daar bovenuit te stijgen. Wat ons voorgeschoteld wordt in het leven kunnen wij niet veranderen, wel hoe wij ermee omgaan. Ons grootste knelpunt is wanneer wij vast zitten aan de fouten die wij in het verleden gemaakt hebben of aan de problemen die anderen ons aandoen. Jij en ik zijn in staat om dit te stoppen. Vandaar dat we beginnen te tellen na de Shabbat (= stoppen). Eerst stoppen met verkeerde vastgeroeste patronen en daarna beginnen met tellen, schijnen en verbeteren. 

Neem de regie, werk aan je karakter, bereid je voor en de berg Sinai komt al in zicht. Een berg waar G-d ons omarmd heeft, ons gekozen heeft en ons op een podium gezet heeft. Wij werden toen gekozen als de ambassadeurs van de Koning der koningen. Wij bewegen ons in een materiële wereld maar eigenlijk is dit schijn. Ons werkelijke leven en de realiteit is helemaal niet van deze wereld. Wij zijn op reis, van Egypte naar Israël. Met zweet en tranen werken wij aan onszelf en proberen wij te stoppen met ongewenst gedrag. Elke dag en elke stap brengt ons een stukje dichter bij de berg. Goede reis!

Bracha Heintz

www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Kedoshim | Verbonden met je wortels

Kedoshim | Verbonden met je wortels

Wist je dat de landbouwregels uit de Torah ons vertellen hoe wij verbonden kunnen blijven met onze wortels, met onze ziel en dus ook met G-d? Zolang de vruchten aan de boom vast zitten blijven zij verbonden met hun wortels en levenskracht. Zo ook een Jood. Zolang hij bewust omgaat met zijn oorsprong zal hij altijd als Jood blijven bestaan.  

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Het Jodendom is geen G-dsdienst, maar een manier van leven. Daarom zul je in de Torah niet alleen religieuze wetten vinden, maar ook gebruiksaanwijzingen en regels voor alle details van het dagelijkse leven. Ook de landbouw hoort hierbij. Zo vinden wij in de Parasha van deze week, (waar maar liefst 51 ge- en verboden aan de orde komen), een verbod en een gebod met betrekking tot bomen, boomgaarden en vruchten:

Nadat een boom geplant is, is er een verbod om de eerste drie jaar, (geteld vanaf 1 Tishrie*), de vruchten ervan te plukken, te consumeren of te verkopen. Dit heet Orla. Daaraan gekoppeld is er een gebod om in het vierde jaar na de planting van een boom, de vruchten ervan alleen in Jerushalayim te eten. Deze vierdejaars vruchten kunnen uitsluitend gegeten worden in de tijd dat de tempel bestaat en alleen door iemand die rein is (bijvoorbeeld doordat hij niet in contact geweest is met een lijk).

Jammer genoeg hebben wij op dit moment geen tempel in Jerushalayim (een situatie waar we G-d dagelijks om smeken om te veranderen). Ook wordt vandaag de dag iedereen als onrein beschouwd omdat iedereen bewust of onbewust bijvoorbeeld in aanraking is gekomen met of in hetzelfde gebouw is geweest als een lijk. Zolang de tempel niet bestaat beschikken wij helaas over geen enkele manier om onszelf te reinigen. Daarom eten wij de vierdejaars vruchten niet in Jerushalayim (en uiteraard ook niet daar buiten). In plaats daarvan hevelen wij de speciale status van deze vruchten over naar een klein muntstuk dat wij daarna wegdoen op zo’n manier dat niemand het meer kan vinden of gebruiken. 

Israël

Dit verbod en gebod zijn altijd en overal geldig. Er is echter een verschil tussen vruchten uit Israël en vruchten uit andere landen in het geval dat je twijfelt of die vruchten van de eerste vier jaar zijn (Orla) of niet. Als je een vrucht wilt eten die van een boom komt en je weet niet hoe oud die boom is, zijn er twee mogelijkheden:

  1. De boom bevindt zich in Israël. Dan mag je de vrucht niet eten want wie weet is de boom nog geen 4 jaar oud.
  2. De boom bevindt zich buiten Israël. Als je in zo’n geval niet weet van welke boom jouw vrucht afkomstig of hoe oud de boom is, dan mag je de vrucht toch eten.

Stel, je gaat naar een supermarkt in Assen, Brugge, Alicante of Lima. Dan mag je daar gewoon fruit kopen. Je hoeft niet uit te zoeken uit welke boomgaard deze appels komen en of de bomen minstens drie jaar oud zijn of niet. Misschien zijn ze dat wel of misschien ook niet. In geval van twijfel hoef je niet na te gaan waar de vruchten vandaan komen en hoe oud de bomen zijn. 

Daarentegen mag je Israëlisch fruit uitsluitend eten als je zeker weet dat het geen Orla is.

Waarom Orla? Twee verklaringen:

  1. Het eerste, het beste en het mooiste bewaar je vanzelfsprekend voor G-d en dus ga je de mooiste nieuwe vruchten in Jerushalayim eten. De eerste drie jaar hebben bomen meestal geen vruchten. Als ze dat wel hebben zijn deze van lage kwaliteit. Zou je de vruchten van de eerste drie jaar naar Jerushalayim brengen, dan zou dat een gebrek aan respect zijn voor G-d om een minderwaardige oogst in de heiligste stad van de wereld te consumeren. En dus wachten we eerst drie jaar om er zeker van te zijn dat we mooie vruchten hebben. In het vierde jaar, wanneer de vruchten volledig tot ontwikkeling zijn gekomen, nemen we ze mee naar de hoofdstad om ze daar op te eten. (Sefer Hachinuch).
  2. Adam en Chava werden op het negende uur van de zesde dag geschapen. Drie uur later begon de Shabbat. Tijdens deze drie uren mochten ze niet van de boom van de Kennis eten. Op Shabbat mochten ze dat wel. Omdat zij zich geen drie uur konden beheersen, wachten wij drie jaar voordat wij vruchten eten (Siftee Cohen). Hadden Adam en Chava geduld gehad, dan hadden ze de vruchten kunnen plukken, persen en het sap op Shabbat kunnen gebruiken om Kidoesh te maken. Volgens een aantal geleerden was de boom waar ze niet van mochten eten namelijk een wijnstok. (Een appelboom was het in ieder geval niet.)

Landbouwregels

Geval nummer 1

Wat gebeurt er nu wanneer je een appel hebt die toch geplukt is binnen de eerste drie jaar na het planten van de boom? Vervolgens raakt deze appel per ongeluk vermengd in een kist appelen van andere bomen die wel meer dan drie jaar oud zijn. Wat nu? Gooi je de hele kist weg? Nee, schrijft de Joodse wet ons voor. Als de verboden appel één op 200 is, dan zeggen wij dat deze vrucht nietig is ten aanzien van de rest. De verhouding moet minstens één op 200 zijn.

Zo hanteert de Joodse wetgeving in bepaalde gevallen het idee dat iets nietig wordt verklaard (batel in het Hebreeuws) t.a.v. een meerderheid. Afhankelijk van het geval kan de vereiste verhouding wisselen. Soms gaat het om een meerderheid, soms moet de verhouding 1 op 60 zijn (bij vlees en melk) of bijvoorbeeld in het geval van Orla, 1 op 200.

Maar let op! Het volgende principe geldt: je mag nooit iets vooraf met opzet nietig verklaren.

Je mag dus niet in je kippensoep een druppeltje melk toevoegen, ook al is het volume van de soep 60 keer zo veel als die van de melk.  Valt er per ongeluk een druppel melk in de soep, dan is het wat anders. Dan passen we de 1-op-60-regel toe. Ook in ons geval: doe je met opzet een verboden appel in een kist waar er minstens 199 andere geoorloofde appels in zitten, dan worden alle 200 appels verboden vruchten.

Geval nummer 2

Je hebt een boomgaard. Alle bomen, behalve één, zijn ouder dan drie jaar. Eén boom valt nog binnen de drie eerste jaren. Klein probleempje: je weet niet meer welke boom het is! Wat nu? De vruchten van alle bomen zijn in principe geoorloofd behalve van die ene boom, maar welke is dat? Helaas weet je dat niet.

De Joodse wet is er heel duidelijk over: je mag de hele boomgaard niet oogsten, ongeacht hoeveel bomen er zijn; 100, 200 of zelfs 100 000.

Stel, je buurman, ook een boer, was zo vriendelijk om je appels te oogsten terwijl je een weekendje weg was. Hij was niet op de hoogte van die ene boom die nog geen drie jaar oud was. Nu zijn de geplukte appels van alle bomen per ongeluk vermengd geraakt en je hebt een verhouding van 1 op 200, dan ineens zijn alle appels wel geoorloofd.

Met andere woorden: zolang de vruchten aan de boom hangen maakt het niet uit hoeveel bomen er in de boomgaard zijn. Of er nu 2 bomen, 200 of 2000 zijn, de wet dat iets-wegvalt-in-een-bepaalde-hoeveelheid kan niet toegepast worden. Het oogsten van de gehele boomgaard is verboden omdat je niet weet welke boom jonger is dan drie jaar. Maar indien ze per ongeluk geplukt zijn, dan vallen de verboden vruchten weg in een meerderheid van 200.

Aan de boom of los van de boom

Waarom het verschil? Aan de boom of los van de boom? Kennelijk wordt het plukken of het niet plukken van vruchten zeer serieus genomen.

En terecht: op het moment dat je een vrucht plukt, dan verbreek je de verbinding van deze vrucht met zijn wortels en zijn levenskracht. Wees daar voorzichtig mee. De Torah zet ons aan tot nadenken en helpt ons om bewuster om te gaan met alle schepselen, zowel mensen, dieren, planten als mineralen.

Hoe zou jij het ervaren als je geen voedsel en vocht meer zou krijgen? Een mens wordt in de Torah vergeleken met een boom!

Wie geeft jou het recht om zomaar een blaadje van een boom af te scheuren tijdens een wandeling? Welk recht heb jij om planten te ontwrichten en los te koppelen van hun bron, hun levenskracht en voedsel? Er wordt in de moderne samenleving bij hoog en laag beweerd dat wij geen of weinig vlees moeten eten. En planten dan? Hoezo mogen die wel gegeten worden?

Maar plukken en slachten mag allebei van de Torah, want een verbinding verbreken wordt toegestaan mits men zich aan een hele duidelijke voorwaarde houdt, namelijk dat men door dat plukken een hogere verbinding gaat bewerkstelligen. Wanneer jij de vrucht eet en de nu verkregen energie in je lichaam gebruikt om goede daden te verrichten, dan zorg je dat je aan de geplukte vrucht een nieuwe verbinding hebt gegeven. Je hebt het verbonden met een nog hogere levenskracht dan wanneer hij nog aan de boom vast zat. En dan mag het. Niet alleen mag het, maar je doet de vrucht een gunst door de voedzame stof die er door Hashem ingestopt is terug te brengen naar Hashem doordat je de kracht van de vrucht gebruikt om G-ds wil uit te voeren. 

Hetzelfde geldt voor het slachten van dieren. Je mag niet zomaar een dier doden. Echter, gebruik je het voor voedsel en neem je de energie van het vlees om je menselijk te gedragen en goede daden te verrichten, op dat moment heb je het vlees en het dier met G-d verbonden. Het dier bereikt daardoor het doel waar het voor geschapen is. Je zou eigenlijk de dierenwereld tekortdoen als je het niet zou gebruiken. Vandaar dat het Jodendom het toestaat om dieren, planten en mineralen te consumeren. Hierbij is de mens de schakel die deze drie elementen op een hoger niveau brengt.

Verloren vruchten en verloren mensen

Verder kunnen wij concluderen dat zolang een vrucht aan de boom vast zit, deze nooit en te nimmer weg zal vallen in de menigte. Ook al bevindt een boom zich in een boomgaard van een miljoen andere bomen, dan behoudt hij nog steeds zijn eigen bestaansrecht en individualiteit. De vruchten van deze boom zullen nooit teniet verklaard kunnen worden ten aanzien van een menigte, hoe groot dan ook.  Zolang de vruchten verbonden zijn met hun oorsprong, hun bron, hun wortels en levenskracht is het onmogelijk voor een boom om zijn identiteit te verliezen.

Hierin berust het geheim van het overleven van het Joodse volk. Heb je je ooit afgevraagd waarheen het Egyptische volk, de Griekse beschaving of het Romeinse rijk verdwenen zijn? En het machtige Spanje dan? Waar zijn al die mensen met al hun filosofieën, tradities, cultuur en aanverwante wreedheden gebleven? Deze Super Powers zijn allemaal, op een gegeven moment in de geschiedenis, door een ander volk overheerst. Verzwakt en in de minderheid zijn zij hun identiteit kwijtgeraakt.

Als je een geschiedkundige analyse zou maken van het Joodse volk of een militair onderzoek zou doen, dan zou de conclusie alleen maar kunnen zijn dat het Joodse volk niet meer zou bestaan. Toch is het Joodse volk, ondanks alle vervolgingen en overheersingen, zijn identiteit nooit kwijtgeraakt. Het geheim van dit volk is zijn verbinding met zijn Schepper d.m.v. Torah studie en het uitvoeren van de mitswot. Zolang het volk verbonden blijft met zijn bron en levenskracht zal het nooit en te nimmer in de menigte opgaan.

Onverslaanbaar

Dagelijks worden wij blootgesteld aan strijd met de buitenwereld maar ook aan een innerlijke strijd. De verantwoordelijkheden die wij dragen, worden ons soms te veel. Er heerst te veel stress op ons werk, op school en in onze relaties.

Van binnenuit kunnen wij verteerd worden door zo veel schuldgevoelens, angst, onzekerheden, pijn en soms trauma’s. Wat moeten we daar allemaal mee? Plus, en dat is het nog het grootste gevaar: de sociale druk. De angst om anders te zijn, om uitgelachen te worden, om er niet bij te horen, om anders gekleed te zijn. Sommigen van ons zullen alles doen om bij de groep te horen, om door anderen gewaardeerd te worden. Maar waar ben je zelf dan? Wat blijft er nog van jou over? Waar is jouw unieke bijdrage aan de wereld? Allemaal verkocht en weggegeven? Aan wat?

Je kijkt in de spiegel en het enige wat er nog over is, is een omhulsel. De rest heb je verkocht om erbij te horen. Je hebt jezelf opgeofferd en soms je kinderen ook. Zelfs je relatie met G-d en jouw unieke identiteit heb je weggegeven om er maar bij te kunnen horen, om hetzelfde te zijn als anderen.

Landbouw regels verklappen de oplossing. Wil je je identiteit behouden, blijf verbonden met jezelf, met je eigen ziel die een deel van G-d is. Luister naar je eigen stem. Doe eens al het lawaai om je heen uit.

De laatste van alle profeten, Malachi verklapt het geheim:

כִּ֛י אֲנִ֥י ה לֹ֣א שָׁנִ֑יתִי וְאַתֶּ֥ם בְּנֵֽי־יַעֲקֹ֖ב לֹ֥א כְלִיתֶֽם׃

“Omdat ik G-d ben, Ik ben niet veranderd en jullie zijn de kinderen van Yakov, jullie zullen niet vergaan”

G-d verandert nooit. Ook een Jood behoudt eeuwig zijn Joods-zijn mits hij er zich mee verbindt. Ontwikkel je die relatie, dan vergroot je automatisch je weerbaarheid. Je gedrag is niet afhankelijk van het weer, de president, de koning, de krant of de buren. Je bent een weerspiegeling van G-ds wil. Net zomin als je G-d kunt vermoorden, zo kun je iemand die G-ds aanwezigheid bij zich draagt niet verslaan.

Verbind jezelf met wie je echt bent. Koester het G-ddelijke vonkje dat altijd in je blijft branden. Net zomin als je G-d kunt verslaan zal het nooit lukken om een Joods vonkje in de menigte te laten verdwijnen. Steek dat vonkje aan, maak er een prachtig groot licht van, voor jezelf, je kinderen en voor iedereen die dat licht wenst te gebruiken om ook zíjn kern te ontdekken.

Het paradijs uit

Het verbod tot het eten van vruchten in de eerste drie jaren is nauw verbonden met de overtreding van Adam en Chava, drie uur voor het ingaan van Shabbat. Drie jaar wachten wij om goed te maken dat de eerste mensen zich drie uur niet konden beheersen. Er ligt echter ook een dieper verband tussen Orla en het eten van de verboden vrucht in het paradijs.

Zoals eerder genoemd gebeurt er iets wezenlijks bij het plukken van een vrucht. Je scheidt de vrucht van zijn voedselbron. Hetzelfde gebeurde er bij het eten van de verboden vrucht. Op dat moment hebben Adam en Chava besloten om niet naar G-d te luisteren. Ze hebben zich toen gedistantieerd van het verbod en dus ook van Diegene die het verbod heeft uitgevaardigd. Ze hebben G-d buiten spel gezet. Zij hebben hun relatie met G-d verbroken.

‘Waar ben je?’, vroeg G-d aan Adam. Hij had door het eten van de verboden vrucht, zich losgemaakt van zijn oorspronkelijke missie, van zijn G-d en zijn Bron die hem zojuist geschapen had. G-d kon Adam als het ware niet meer vinden of herkennen. Adam was overgegaan naar een andere realiteit. Hij had zich naar een andere situatie verplaatst en zichzelf onvindbaar gemaakt. Vandaar dat Gan Eden niet meer als woonplek voor hem geschikt was. Hij moest het paradijs uitgestuurd worden. Omdat hij een ander mens was geworden moest zijn woonomgeving ook aangepast worden.

Hij had zijn eigen ziel van zijn lichaam gescheiden. Hij had zijn lichaam ontwricht van het doel waar het voor geschapen was. Zijn lichaam was nu geen direct kanaal meer voor het spirituele. Hij had zijn lijf voedsel aangeboden dat giftig was voor zijn ziel. Hierdoor ging het materiële een eigen leven leiden. Voordien waren zijn lichaam en ziel naadloos met elkaar verbonden. Nu zijn ze noodgedwongen van elkaar gescheiden. Het lijf was door de overtreding losgekoppeld van zijn ziel. Het lichaam bleef als leeg omhulsel over en moest zich daardoor schamen en bedekken.

G-d had gezegd dat Adam zou sterven als hij van de verboden vrucht zou eten. Maar Adam is helemaal niet gestorven! Integendeel, hij leefde daarna nog heel lang. Had G-d dan voor niets gewaarschuwd? Er staat echter nergens dat hij meteen zou sterven. Wat G-d bedoelde is, dat als hij van de vrucht zou eten dat hij dan ooit zou sterven. De oorspronkelijke intentie van G-d was dat een mens eeuwig zou leven. Had hij zich 3 uur kunnen beheersen dan had G-d het sterven niet hoeven toe te passen en had een mens eeuwig geleefd.

Bij elke overtreding die een mens begaat ontkoppelt hij zijn lichaam van zijn ziel. Hij laat zijn lijf functioneren zonder hoger doel, zonder spirituele inhoud. Deze scheiding veroorzaakt de noodzaak om te sterven. Wat gebeurt er als iemand sterft? Precies hetzelfde: het lichaam en de ziel worden bij het overlijden van elkaar gescheiden. Het lijf gaat naar de aarde en vindt daar, door ontbinding, zijn herstel. De ziel wacht in de hemel. Na reparatie kunnen ze weer bij elkaar komen met het herleven der doden.

Leven in harmonie

Bij elke overtreding die een mens begaat veroorzaakt hij een scheiding tussen lichaam en ziel. Is de overtreding heel ernstig dan zal hij het alleen maar goed kunnen maken doordat zijn lichaam en ziel volledig gescheiden worden. Dat is de definitie van de dood. Vandaar dat een doodvonnis soms de enige oplossing is voor een aantal ernstige misdrijven. Het is geen straf, het is de enige manier om het weer goed te maken. Zo ook is het sterven na 120 jaar noodzakelijk om alle kleinere overtredingen recht te trekken, waarbij elk vergrijp zijn oorsprong vindt in de allereerste verboden vrucht.

Het omgekeerde geldt des te meer: elke keer dat een Jood kosher eet of op een andere manier Joodse activiteiten met zijn lichaam onderneemt, voedt hij zijn lichaam en ziel op een gezonde Joodse manier. Zijn lichaam is op dat moment een omhulsel voor de ziel. Hierdoor kunnen lichaam en ziel in harmonie leven. Dit klopt en dat voelt hij ook als rustgevend.

Al sinds de schepping zijn wij bezig, individueel en collectief, om ons lichaam met onze ziel weer naadloos te verbinden. Zolang de vruchten aan de boom vast zitten en zolang een Jood met zijn wortels verbonden blijft zal hij altijd als Jood blijven leven en zich ontwikkelen. Je zult hem nooit kunnen verslaan en hij zal ook nooit in de menigte kunnen verdwijnen!

Am Yisrael Chai!

Bracha Heintz

* niet zoals men zou kunnen denken, vanaf 15 Shewat

Gebaseerd o.a. op een les van Rav YY Jacobson
Opmaak: Rianne Meijer en Sonja Tamam en Devorah van der Heiden

 
Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.
 

Even voorstellen

Samen al meer dan 30 jaar in Utrecht aan het werk: rabbijn & rebbeztin Heintz! Lees meer..

Vrienden Joods Utrecht

🕯️🕯️ Shabaton Utrecht🍷🥖

Chanoeka 2020 terugkijken

🎥 Masterclass Joods Monument

Op deze bijzondere locatie in Utrecht vertelt Bracha Heintz over de Joodse geschiedenis van Utrecht en blies Rabbijn Heintz op de sjofar. Bekijk ook de bijdragen van Wim Rietkerk en kunstenaar Amiran Djanashvili. Meer foto’s hier.