Tag: Bracha Heintz

Mishpatiem | Gevaarlijk IQ

Mishpatiem | Gevaarlijk IQ

Ons intellect, ons grootste talent, draagt een risico in zich dat we vaak onderschatten; wie het nieuws volgt, ziet hoe menselijke slimheid steeds vaker op gevaarlijke wijze wordt aangewend. Waar en hoe is dit misgegaan? De opeenvolging van gebeurtenissen in de Tora laat zien hoe dit heeft kunnen ontsporen. Oude verhalen die zich opnieuw afspelen op de voorpagina’s van onze kranten.

Download hier de printversie van dit artikel (PDF)

Vorige week hebben wij in parashat Yitro gelezen en geleerd hoe de Tien Geboden aan het Joodse volk op de berg Sinai werden gegeven. Na zo’n verheven spirituele ervaring, waarin G-d Zich rechtstreeks openbaarde, zien wij vol verwachting uit naar de volgende spirituele etappe. Wat blijkt? De parasha van deze week staat vol met civiele wetten: voorschriften over de omgang met dienaren, het eren van ouders en de vaststelling van vergoedingen bij lichamelijk letsel. Ook diefstal en moord komen aan bod en worden tot in detail besproken.

Niet alleen in de onderwerpen die de Tora behandelt schuilen diepe lessen, maar ook in de volgorde waarin zij worden gepresenteerd. Doordat de civiele wetten onmiddellijk volgen op het verhaal van de openbaring op de berg Sinai, kunnen wij concluderen dat er een nauwe samenhang tussen beide bestaat. Rashi, de grote geleerde uit de elfde eeuw, verduidelijkt dit verband en legt uit dat niet alleen de Tien Geboden op de berg Sinai werden ontvangen, maar de gehele Tora, inclusief de civiele wetten, door G-d werd uitgedacht en daar aan het Joodse volk werd gegeven. Daarom volgt de bespreking van de civiele wetten direct op de ontvangst van de Tien Geboden: om te tonen dat deze logische wetten op gelijke voet staan en dezelfde gewichtigheid hebben als de Tien Geboden.

Want wanneer wij zelfs de meest basale regels enkel naleven omdat zij logisch noodzakelijk lijken voor het goed functioneren van de maatschappij, zou dat gemakkelijk tot ontsporing kunnen leiden. De ware uitdaging ligt juist in het herkennen van de G-ddelijke dimensie in de meest vanzelfsprekende wetten.

Drie soorten geboden en verboden

De geboden en verboden kunnen in drie hoofdcategorieën verdeeld worden: 

  1. Mishpatiem: regels die wij zelf hadden kunnen bedenken en die wij dus ook volledig kunnen begrijpen, zoals het verbod op stelen en moorden. Dit zijn de civiele wetten die aan de basis liggen van elke gezonde maatschappij. Deze wetten worden mishpatiem genoemd. Zij vormen het onderwerp van onze parasha, die daarom eveneens Mishpatiem heet.
  2. Eedoet: regels die wij wel kunnen begrijpen, maar die wij zelf niet hadden kunnen bedenken, zoals het houden van Sjabbat en het vieren van de feestdagen.
  3.  Choekiem: regels die ons begrip te boven gaan, zoals kasjroet, het ritueel van de rode koe en alle wetten die betrekking hebben op reinheid en onreinheid.

Ons verstand leert ons dat de mishpatiem (categorie 1), de civiele wetten, noodzakelijk zijn voor een goed functionerende maatschappij. Over het algemeen ervaren wij deze regels als makkelijk om na te leven. Wij zijn gemotiveerd om de samenleving en de beschaving gezond en draaiende te houden. De beperkingen die daarmee gepaard gaan, nemen wij voor lief, waarbij politieagenten, rechters en gevangenissen ertoe bijdragen dat iedereen op het rechte pad blijft.

De tweede categorie, eedoet, is eveneens goed te bevatten. Iedereen met een gezond verstand begrijpt dat één rustdag per week noodzakelijk is om gezond te blijven en een betere bijdrage te kunnen leveren aan gezin en maatschappij. De psychische en emotionele voordelen van de Sjabbat maken het overduidelijk dat zij een positieve en verrijkende invloed heeft op ons leven.

Maar dan de choekiem! De wetten waar we met ons verstand niet bij kunnen. Hoe kun je uitleggen dat je geen varkensvlees of paardenvlees mag eten? Welke logica schuilt hierachter? Hoe kun je vatten dat iemand door het aanraken van een lijk onrein wordt en vervolgens door zich in water onder te dompelen zijn reinheid weer verkrijgt? Het antwoord is simpel: geen enkele logica! De choekiem zijn regels die niet verklaarbaar zijn. Het zijn wetten waar geen reden voor is. Kunt u zich voorstellen dat men een gebod uitvoert waarvan niemand begrijpt waarom? Zelfs de grootste en meest geleerde rabbijn kan hiervoor geen uitleg geven. Waarom zou men zo’n gebod dan toch naleven?

Moeite met geloven

Om dit te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk het volgende te beseffen: G-d heeft niet alleen de schepselen en de natuur geschapen, maar alles wat bestaat. Ook emoties, dimensies, begrippen en karaktereigenschappen zijn door Hem voortgebracht. Zelfs logica en het vermogen om te begrijpen zijn scheppingen. G-d had dus evengoed een wereld kunnen scheppen waarin begrijpen geen enkele rol speelt. Dat kunnen wij ons nauwelijks voorstellen, maar G-ds vermogen om werelden te scheppen reikt sowieso ver voorbij onze verbeelding.

Wanneer men het zo beschouwt, is het helemaal niet vreemd dat bepaalde aspecten van het leven onbegrijpelijk blijven. G-d kan besluiten allerlei schepselen te creëren en daarbij bepalen of zij binnen het menselijk begrip vallen of daarbuiten liggen. Een schepsel kan nooit boven zijn Schepper uitstijgen.

Het intellect is het hoogste goed dat de mens bezit, maar daarmee is niet gezegd dat het ook het hoogste is wat bestaat.

Sommige mensen hebben moeite om in G-d te geloven. ‘Ik geloof niet in G-d, want ik begrijp niet waarom Hij ons vraagt bepaalde handelingen te verrichten.’ Of: ‘Ik geloof niet in G-d omdat er zulke vreselijke dingen in de wereld gebeuren.’ Mensen willen G-d begrijpen; zij willen de Almachtige als het ware “naar beneden halen” en Hem hullen in een intellectueel jasje. Maar hoe slim zullen wij G-d maken? Welk IQ-niveau achten wij passend voor Hem?

Wat een belachelijk idee om G-d zo te doen krimpen dat Hij in onze hersens zou passen!  

G-d hoeft Zijn handelen niet te onderwerpen aan de grenzen van ons begrip. Wij kunnen de Tora ten volle aanvaarden, zelfs wanneer zij ons verstand te boven gaat. Juist daarom dragen de heren onder ons een keppeltje: als teken en als voortdurende herinnering dat ons menselijk  intellect slechts tot een bepaalde grens kan reiken.

In het dagelijks leven maken wij voortdurend gebruik van allerlei voorwerpen zonder precies te weten hoe zij in elkaar zitten of hoe zij functioneren. Of verdiep jij je eerst in elk apparaat voordat je het gebruikt?

Ga je medicijnen studeren voordat je je door een arts laat behandelen?
Word je ingenieur voordat je een brug oversteekt?
Inspecteer je de motoren van een vliegtuig voordat je ermee op reis gaat?

Dag en nacht vertrouwen wij op anderen die gespecialiseerd zijn in hun vak. Wij stellen ons leven zelfs in hun handen door de piloot en de chirurg te vertrouwen.

Kennelijk meten wij met twee maten want wanneer het om G-d gaat, willen wij plotseling wel alles kunnen begrijpen en verklaren voordat wij Hem vertrouwen en bereid zijn Zijn geboden uit te voeren, alsof Hij niet gespecialiseerd zou zijn in Zijn vak. Wie weet beter dan G-d hoe wij in elkaar zitten en wat goed voor ons is? G-d is onze Schepper. Hij heeft ons gemaakt, gevormd en geschapen. Bij uitstek is Hij Degene die weet welke handelingen ons ten goede komen en welk voedsel gunstig is voor ons lichaam, voor onze ziel en voor ons emotionele, psychische en spirituele welzijn.

Het is deze wetenschap die ten grondslag ligt aan, en de motivatie vormt voor het feit dat G-d ons alle voorschriften in de Tora heeft gegeven, zowel de begrijpelijke geboden als de onbegrijpelijke wetten. Zoals een ouder zijn kind regels en verboden oplegt om het te beschermen en te vormen tot een evenwichtig en gezond  volwassen mens, zo heeft G-d talrijke voorschriften ingesteld om ons te behoeden voor een schadelijke leefstijl zodat wij optimaal kunnen functioneren en een succesvol en gelukkig leven kunnen leiden.

Dit kan worden vergeleken met iemand die protesteert tegen een hek dat midden in de hoge bergen is geplaatst en hem verhindert verder te wandelen. Hij klaagt over deze beperking en besluit het hek toch te passeren, waarna hij helaas in een diep ravijn zijn dood tegemoetgaat. Het hek was er niet om hem te hinderen of te beperken, maar juist om hem te beschermen. Zo dienen alle G-ddelijke geboden en verboden ertoe ons te beschermen tegen valkuilen en ons te leiden op het meest ideale pad naar geluk, succes en voldoening in het leven. 

Het zou uiterst onhandig en dom van ons zijn de hekken te passeren die G-d heeft geplaatst en zo ten prooi te vallen aan onze eigen nederlaag en ons verval. In eerste instantie lijkt het vaak aantrekkelijk deze afbakeningen te negeren en te doen wat in het leven het leukste, makkelijkste of meest handige lijkt. Wat op korte termijn verleidelijk oogt, blijkt achteraf vaak niet verstandig te zijn en berokkent uiteindelijk veel schade aan onszelf, ons gezin en aan de keten van onze overlevering en het voortbestaan van Am Yisrael. 

Slim genoeg

Natuurlijk is het bijzonder moeilijk iets uit te voeren wanneer je ouders en zelfs de rabbijn het je niet kunnen uitleggen. Waarom zou je iets doen als je het niet begrijpt? Het antwoord is misschien onverwacht, maar tegelijk glashelder: juist omdát je diep nadenkt, voer je G-ds onbegrijpelijke geboden uit.

Je bent slim genoeg om te beseffen dat je niet alles kunt begrijpen.

Dit wetende wordt het wellicht eenvoudiger om de choekiem, de onbegrijpelijke wetten, met de juiste intentie uit te voeren. Bij de choekiem is er namelijk geen ruimte voor eigen afwegingen: men kan ze alleen naleven vanuit het geloof dat zij goed zijn: goed voor jezelf, voor je medemens en voor je relatie met Degene die ze heeft geboden.

De ultieme uitdaging ligt juist bij de civiele wetten. Lukt het jou om deze na te leven, niet omdat je ze begrijpt, maar vanuit het besef dat G-d ze jou heeft geschonken? Uiteindelijk is dit de juiste, en zelfs de enige motivatie.

Want wat gebeurt er op het moment dat je de civiele wetten uitvoert enkel omdat je ze logisch en noodzakelijk acht? Dan zou je ook kunnen besluiten ze niet meer na te leven zodra je ze niet langer nuttig of relevant vindt.

Stel dat je op een dag besluit dat het eren van je ouders niet langer nodig of gewenst is of dat het je ouders zelf zijn die aangeven dat zij niet meer geëerd willen worden. Wat dan? Of stel dat je straatarm bent en vindt dat je best iets mag stelen van iemand die rijk is en het toch niet zal missen; je kunt het gestolene of de waarde ervan immers later, in betere tijden, teruggeven. Of je meent dat iemand moet sterven omdat hij toch al stokoud is, ernstig gehandicapt is, vreselijk lijdt of… vul zelf maar in.

Wanneer de civiele wetten worden overgelaten aan de logica van de mens, is de maatschappij goed op weg om langzaam maar zeker te ontaarden in een immorele en onethische beschaving, een situatie waarin diefstal, moord en allerlei andere gruwelijkheden ongemerkt tot de norm zouden kunnen worden.

Richtingen

Daarom is het zó belangrijk dat wij uiterst zorgvuldig omgaan met ons verstand, onze logica en onze redeneringen. Ons intellect is fantastisch. We hebben er zoveel mee bereikt; er zijn vele uitvindingen gedaan, waardoor we nu, in de 21ste eeuw, beland zijn in een wereld waar mensen gezonder zijn, langer leven en allerlei machines, apparaten en systemen benutten die het leven makkelijker en aangenamer maken.

Maar wees op je hoede: hetzelfde dierbare intellect waarmee wij het goede kunnen dienen, kan ook worden aangewend voor het meest destructieve kwaad. Want hoe beraam je een bankoverval? Dat vraagt om scherp denkvermogen en strategisch inzicht. Hoe organiseren terroristen een terreuraanslag, een giftige gasaanval, een ontwrichtende cyberaanval of zelfs nucleaire verwoesting? Dat vraagt om een angstaanjagend niveau van intelligentie, kennis en technische vaardigheid, losgekoppeld van ethiek, geweten en verantwoordelijkheid.

Zo wordt pijnlijk duidelijk dat intellect op zichzelf geen garantie is voor het goede. Zonder moreel kompas kan het uitgroeien tot een instrument van ongekende vernietiging!

Laat ons daarom waakzaam zijn in het verheerlijken van het intellect; het kan zich in vele richtingen bewegen en zelfs tot levensgevaarlijke ontsporingen leiden. G-d staat boven ons verstand en ons denkvermogen. Ethiek en morele waarden laten zich niet meten in IQ. Wat wij als begrijpelijke regels ervaren, zijn in wezen dragers van een diepere morele orde. Zij bevatten waarden die wij niet altijd onderkennen, maar die ons op korte én lange termijn behoeden voor verderf, verwoesting en geweld, zelfs wanneer ons verstand tekortschiet om hun volle betekenis te waarderen.

Vertrouwen

De westerse beschaving is gegrondvest op de Tien Geboden en op de vele wetten die daaruit zijn voortgevloeid. Volgens de Tora staat niemand boven de wet, arm of rijk, koning of dienaar, houthakker of waterputter, premier, burgemeester, professor of winkelbediende. Deze fundamentele gedachte is door moderne beschavingen overgenomen uit de civiele wetten van onze parasha, terwijl het er eeuwenlang heel anders aan toeging.

Koningen werden beschouwd als halfgoden en handelden naar willekeur. In de Verenigde Staten werden slaven, nog niet zo lang geleden, gezien als bezit in plaats van als mensen. Het slaan van een slaaf werd niet als moreel verwerpelijk beschouwd. Slavenhouders bezochten trouw de kerk, waar hun werd uitgelegd dat het gebruik van de zweep op de blote rug van hun slaven en het afhakken van hun ledematen volkomen gerechtvaardigd was. En om nog maar te zwijgen over de manier waarop Joden door de eeuwen heen zijn mishandeld en gediscrimineerd.

Dit alles maakt op pijnlijke wijze zichtbaar waartoe het menselijk intellect kan afglijden wanneer het zich losmaakt van het G-ddelijke morele en ethische kompas.

Zowel de begrijpelijke wetten als de ondoorgrondelijke voorschriften, de handelingen die wij kunnen bevatten en de gebruiken die ons begrip te boven gaan, worden allen nageleefd vanuit morele waarden die uitsluitend door onze Schepper worden bepaald. Juist daarom worden de civiele wetten in de Tora direct na de openbaring op de berg Sinai gepresenteerd.

Deze aaneenschakeling maakt ons erop attent dat zelfs de meest alledaagse civiele regels hun oorsprong vinden op een niveau dat ver boven ons denkvermogen uitstijgt. En zoals deze regels niet het product zijn van ons intellect, zo kan datzelfde intellect ook niet dienen om ze te beoordelen, aan te passen of af te schaffen.

De meest basale wetten bevinden zich op hetzelfde niveau als het onbegrijpelijke en het wonderlijke dat zich bij de berg Sinai heeft voltrokken.

Wij zijn verstandig genoeg om te erkennen dat ons denkvermogen begrensd is. Daarom vertrouwen wij erop dat zelfs de civiele wetten, naast hun logische verklaring, nog andere en diepere lagen bevatten, lagen die wij wellicht nooit in hun geheel zullen kunnen doorgronden, omdat onze hersens zo begrensd zijn vergeleken met het Oneindige.
En dát begrijpen wij nog net wél.

Bracha Heintz

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!


Gebaseerd op lessen van de Lubavitcher Rebbe.
Tekst: Bracha Heintz | Opmaak en headerfoto: Rianne Meijer, Sonja Tamam en Devorah Verwoerd

 

Beshalach | Hoe hardnekkig zijn wij?

Beshalach | Hoe hardnekkig zijn wij?

Overal om je heen duiken blokkades en belemmeringen op die je weerhouden van wat je werkelijk wilt doen. Ze houden jou gevangen, zoals Farao ooit het Joodse volk maar bleef vasthouden. Wie zich, ondanks tegenwerking, niet laat verlammen en toch blijft voortgaan, zal ontdekken dat zelfs de Farao’s uiteindelijk meewerken. De zee zal zich splijten, en de weg naar je bestemming zal zich openen.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Het was eindelijk zover. De vrijheid van het Joodse volk was werkelijkheid geworden. Am Jisraël had Egypte achter zich gelaten en was op weg naar de berg Sinaï, om daar de Torah in ontvangst te nemen.

En het gebeurde toen Farao het Joodse volk wegstuurde” (Sjemot 13:17)

Zo opent de Parasha, het wekelijkse Torah-gedeelte dat wij lezen. Opmerkelijk genoeg wordt hier gezegd dat het Farao zélf was die het Joodse volk liet gaan. Werkelijk? Diezelfde Farao die keer op keer weigerde toestemming te geven om de slavernij te beëindigen? Dezelfde man die, ondanks herhaalde waarschuwingen, zijn land ten onder liet gaan aan tien verwoestende plagen? De dictator die tot het allerlaatste moment hardnekkig vasthield aan zijn macht en zijn slaven niet wilde loslaten?

De Torah kiest haar woorden met uiterste precisie. Wie de Hebreeuwse letters van het woord פרעה (Par‘o, Farao) omdraait, krijgt הערףha‘oref, de nek.

Farao was een nek-persoon

Hardnekkig

Wat is een nek-persoon? Iedereen heeft toch een nek? Dat is inderdaad zo. Maar bij ieder mens spelen andere lichaamsdelen en de karaktereigenschappen die zij symboliseren, een meer of minder dominante rol. Bij Farao speelt de nek een cruciale rol. Zó bepalend zelfs, dat de letters van zijn naam פרעה exact dezelfde zijn als die van הערף – de nek.

Wat is de rol van de nek? Zij vormt het doorgeefluik tussen hoofd en lichaam, tussen de hersenen en het hart. In de praktijk betekent dit dat alles wat zich in de hersens afspeelt, niet automatisch naar het hart doorgespeeld wordt. Eerst moeten de intellectuele zaken door een smalle nek voordat deze bij het hart (gevoelens) en de rest van het lichaam (daden) terecht kunnen komen. Juist in die nek zou wel eens een blokkade kunnen ontstaan. Een soort file, omdat de weg ineens smaller wordt.

Je weet iets, je begrijpt het, je hersens staan erachter, maar de communicatie naar je lichaam is geblokkeerd. Hart en gevoelens zijn niet onder de indruk. Je begrijpt het wel, maar je voelt er weinig of niets voor en je handelt er ook niet naar. Dit is hoe Farao, een nek-persoon, in elkaar zit.

Wat is hardnekkigheid (קשה ערף)? Dat is een eigenschap van iemand die iets begrijpt en er toch niet naar handelt. Eigenwijs in gewoon Nederlands. Maar waarom heet het hardnekkig, een uitdrukking die letterlijk uit het Hebreeuws vertaald is? Omdat de nek moeilijk en hard doet. In plaats van alles door te laten stromen, stelt de nek zich hard op en verspert zij de doorgang.

Uit het water

Bij Moshe ligt dat fundamenteel anders. Batja, de dochter van Farao, haalde uit de Nijl een mandje tevoorschijn, waarin een baby lag te huilen.

וַתִּקְרָ֤א שְׁמוֹ֙ מֹשֶׁ֔ה וַתֹּ֕אמֶר כִּ֥י מִן־הַמַּ֖יִם מְשִׁיתִֽהוּ׃

Zij gaf hem de naam Moshe, want, zo zei zij: “… ik heb hem uit het water getrokken” (Sjemot 2:10). De naam Moshe wordt afgeleid van het woord ‘mishisoehoe’ wat ‘getrokken uit’ betekent.

Mosje werd uit het water gehaald en zo heet hij ook. Zijn naam onthult zijn wezen. Zijn karakter en essentie worden bepaald door water. Hij is een water-persoon.

Wat kenmerkt wezens die met water verbonden zijn? Dat zij niet los van het water kunnen bestaan. Haal een vis uit het water, scheid hem van zijn bron, en dat betekent zijn dood.

Dieren en mensen die op het land leven zijn eveneens met hun omgeving verbonden, maar niet op dezelfde manier. Zij leven óp de aarde, niet ín de aarde. Ze staan erop, worden erdoor gedragen en hun voedsel komt, direct of indirect, uit die grond voort. Toch zijn zij niet volledig met de aarde versmolten. Gelukkig maar, want wie geheel in de aarde opgaat, is niet levend, maar begraven.

Voor wie met water verbonden is, geldt het omgekeerde. Daar is afscheiding nauwelijks mogelijk. De meeste waterdieren kunnen buiten hun element niet overleven. Hun band met de bron is zo wezenlijk, dat losmaking gelijkstaat aan hun einde.

Waar volledige verbondenheid met de aarde voor een land-schepsel de dood betekent, is het voor een vis, een waterdier, juist een voorwaarde voor leven. Hij moet in zijn bron blijven en er sterk mee verbonden zijn om te kunnen bestaan.

Farao losgekoppeld

Moshe is een water-persoon d.w.z. dat hij met zijn bron verbonden is. Hij weet waar hij vandaan komt. Hij verbindt zich met zijn oorsprong , d.w.z. met het idee dat er een Schepper is, die alles, inclusief hemzelf, gemaakt heeft. Farao, daarentegen was een nek-persoon. Hij was per definitie losgekoppeld van zijn bron. Farao beweerde (Yechezkel 29-3)

לִ֥י יְאֹרִ֖י וַאֲנִ֥י עֲשִׂיתִֽנִי׃

‘De Nijl is van mij en ik heb mijzelf gemaakt.’

In Egypte regent het vrijwel nooit. Jaren kunnen voorbijgaan zonder dat er een druppel regen valt. De hele economie van het land is niet op hemels water gebaseerd maar op het water van de Nijl. Farao beweerde dat deze rivier van hem was en dat hij zichzelf door zijn eigen wijsheid en slimheid groot gemaakt had en zichzelf koning had gemaakt. Hij had geen hemelse regen nodig of een G-d die hem hielp. Hij dacht alles zelf te kunnen en liet zich door iedereen aanbidden. 

Hier ligt het verschil tussen Farao en Moshe. Farao was nergens mee verbonden. Niets maakte indruk op hem. Zelfs de plagen die heel Egypte verwoestten lieten hem koud. Zijn hardnekkigheid heeft zijn hele land, zijn hele volk en uiteindelijk ook hemzelf tot totale vernieling geleid, gelijk een regeringsleider die met zijn koppigheid verwoesting veroorzaakt en uiteindelijk zijn eigen ondergang teweegbrengt.

En toen kwam plaag nummer tien, de laatste, het sterven van de eerstgeborenen. Farao was zelf een eerstgeborene en zijn eigen leven stond nu op het spel. Toen zag hij pas de waarheid onder ogen. Niet zijn eigen waarheid en illusie, maar de echte waarheid, de G-ddelijke waarheid, de essentie en zuivere juistheid. Net zoals bij menig atheïst bij wie het geloof pas boven water komt wanneer hij met een ernstige ziekte of een levensgevaarlijke situatie geconfronteerd wordt.

Wie willen wij zijn? Moshe die met zijn Schepper verbonden is of wachten wij, zoals Farao, op een calamiteit om de waarheid noodgedwongen te ontdekken?

Farao was volledig losgekoppeld van zijn Schepper en bron. Zelfs toen G-d Zich aan hem openbaarde met bovennatuurlijke plagen, liet dit hem koud. De grootste wonderen bleven bij hem in het bovenkamertje steken. De ene plaag na de andere brak uit. Natuurlijke rampen, ziektes en pandemieën maakten nauwelijks indruk op hem. Hij zag G-ds hand wel, maar hij handelde er niet naar.  Zijn nek vormde een barrière tussen hetgeen hij zag en begreep en hetgeen hij voelde. Farao was een waanzinnig geblokkeerde dictator die zijn land niet op een rationele manier kon besturen.

Moshe daarentegen was naadloos met zijn bron verbonden. Hij wist en voelde waar hij vandaan kwam, zowel in zijn hersens als in zijn hart. Zijn nek faciliteerde de connectie tussen het besef in zijn hersens enerzijds en het gevoel en ernaar handelen anderzijds. Moshe realiseerde zich wie zijn Schepper was en handelde er ook naar.

 Daaruit blijkt dat het geen zin heeft om op wonderen te wachten om pas dan je band met G-d te versterken. Farao zag talloze wonderen, maar zij lieten geen spoor na. Wonderen zijn overal, voor wie ervoor kiest ze niet alleen te zien, maar er vooral naar te handelen.

Blokkades en belemmeringen

En wij? Wij leven in een wereld vol met Farao’s, blokkades en andere belemmeringen die ons weerhouden om uit te voeren wat wij echt willen, om toe te passen wat onze hersens beslissen wat goed voor ons is.

Wie zijn onze Farao’s?

Mensen en ideeën die ons in de weg zitten, die ons beletten om te doen wat wij diep in onszelf werkelijk willen.
Situaties die de weg naar de berg Sinaï en het ontvangen van de Torah versperren.
Voor de ene is het een examen dat op Shabbat gemaakt moet worden en voor de ander is het de baan die dreigt verloren te gaan wanneer hij op zaterdag niet komt opdagen. 
Een Joodse partner vinden lijkt onbegonnen werk en kosher eten op tafel zetten vinden we moeilijk, te duur, te ver, te ingewikkeld en te lastig. Wij lopen tegen huwelijkswetten aan en vinden het uitdagend om de Shabbatkaarsen op tijd aan te steken.

Wij zien wonderen om ons heen. Wij zien bijvoorbeeld dat het Joodse volk, ondanks zoveel tegenslag, millennia lang, alles en iedereen overleeft. We zien dat Israel, omringd door vijandelijke staten, blijft voortbestaan. De werking van ons lichaam is ook een groot wonder dat wij vooral pas merken wanneer een deel, G-d behoede ons, niet naar behoren functioneert. De plagen waren zeker wonderen! Maar waarom beschouwen wij de dagelijkse wonderen niet als wonderen? Waarom kijken wij er niet naar? Waarom doen we er niets mee en laten zij ons koud?

Geen toegang emoties

Het antwoord zit hem in de nek. Wij hebben soms te maken met een hardnekkige barrière. Wij hebben gewoon last van hardnekkigheid. Wij zien G-ds aanwezigheid wel, maar wij doen er niets mee. Het blijft een intellectuele gewaarwording die niet doorgesluisd wordt naar het hart. De nek blokkeert de toegang tot de emoties.

Toch gaat het uiteindelijk lukken om door te zetten. We beseffen dan dat elke belemmering enkel een uitdaging en illusie is. Wij kunnen het wel, als wij het maar echt hard genoeg willen. Dan zal wat de hersens weten, kunnen doorvloeien naar het hart. Wij hoeven alleen maar te beslissen om nu eens te gaan toepassen wat de Almachtige G-d van ons wil, in plaats van onszelf steeds achter smoesjes te verschuilen. Als wij met kracht en dapper  gaan kiezen om geen gehoor meer te geven aan wat ons door de buitenwereld (Farao) opgedrongen wordt, dan zullen de mensen die aan de macht zijn of onze baas zijn, ons uiteindelijk helpen om G-ds wil uit te voeren. Durven wij deze stap in ons leven te zetten?

Farao, die steeds weigerde om het Joodse volk vrij te laten heeft ons uiteindelijk naar de berg Sinaï gestuurd. Hij heeft ons zelfs uit Egypte verjaagd, zoals er staat: ‘En het was toen Farao het volk wegstuurde’. Niet alleen heeft Farao toestemming gegeven aan de Joden om weg te trekken, hij heeft ze zelfs weggestuurd!

Dus trek je niets aan van wat ze allemaal zeggen en allemaal doen. Onthoud, gelijk de dieren die in water leven, wat je bron is en waar je vandaan komt. Laat je niet intimideren door een werkbaas of een schooldirecteur die jou op Shabbat of Yom Kipoer geen vrije dag wilt geven. Kijk recht voor je. Vrees niet de Egyptenaren die je achterna zitten. Geneer je niet wanneer jij je koshere boterham eet en je klasgenoten of collega’s een niet-koshere amandelkoek in de cafetaria kopen. Wees niet bang voor de zeeën van uitdagingen die op je pad liggen. Uiteindelijk, wanneer de buitenwereld merkt dat je doorzet, dat je principes hebt, dan zal die buitenwereld jou respecteren en jou juist helpen om naar de Torah toe te gaan; En het gebeurde toen Farao het Joodse volk wegstuurde…

Doel bereiken

De hardnekkigheid van Farao zette zich alsnog voort: drie dagen na de uittocht uit Egypte begonnen de Egyptenaren spijt te krijgen dat zij hun slaven kwijt waren. Uitgerust met hun 600 beste wagens (Shemot 14:7) haalden zij het Joodse volk al gauw in. Am Yisrael zat klem tussen het Egyptische leger achter zich en de Rode Zee pal voor hen. Men kon geen kant uit. Grote Paniek! Wat nu?

“En G-d zei tegen Moshe, waarom schreeuw je uit tot mij? Je zit hier een uitgebreid gesprek met Mij te voeren terwijl het Joodse volk in nood is. Spreek tot het Joodse volk en laat ze reizen!”
Shemot 13:15

Wij identificeren ons met Moshe en wij zijn wél verbonden met G-d, onze bron. Wij laten ons niet afschrikken door najagende vijanden en stormachtige zeeën. Wij houden ons vast aan een Macht die hoger is dan een zee of een leger Egyptenaren. Wie zich hogerop vasthoudt valt niet om. Gelijk iemand die zich in een bus vasthoudt aan een hangend touw. Ondanks al het geschud raakt hij zijn evenwicht niet kwijt. Wij worden in ons leven ook geschud en geduwd, soms door anderen, maar soms ook door onszelf. Hoe meer we ons met Boven verbinden, hoe weerbaarder we zijn. Wij gaan voorwaarts en verdrinken in geen enkele zee. Toen niet en nu ook niet. We lopen zelfs geen enkele schade op gelijk het Joodse volk, waar we van weten dat zelfs hun kleding bij het doorkruisen van de zee droog bleef. Niet alleen heeft het water zich gesplitst, maar zelfs de grond onder hun voeten werd droog. Die hele zee, al die blokkades die je voor je ziet, blijken achteraf helemaal niet te bestaan. Het was enkel een illusie. Voel maar aan je kleren, ze zijn niet eens nat geworden!

Zo is het ook met al onze uitdagingen en moeilijkheden. Ze lijken onoverkomelijk. Ze schrikken ons af. Maar de doorzetter merkt al gauw dat het allemaal verbeelding was. Want zodra je eraan begint, verdwijnen alle belemmeringen als sneeuw voor de zon.

Vergeet je doel niet en houd vol. Zorg dat wat je met je verstand weet, naadloos overgaat naar je gevoelens en naar je daden. Dan zullen de Farao’s je uiteindelijk helpen en zal de zee zich splijten opdat jij je doel kan bereiken… voorwaarts!

Bracha Heintz
chabadutrecht.nl

Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!


Tekst: Bracha Heintz | Opmaak: Rianne Meijer & Sonja Tamam & Devorah Verwoerd

Donaties zijn welkom op www.chabadutrecht/doneren

Waëra | Joodse identiteit: een vonkje dat nooit dooft

Waëra | Joodse identiteit: een vonkje dat nooit dooft

Jouw Joodse identiteit negeren? Dit vonkje zal nooit doven. Jodendom is namelijk niet iets wat je doet of waar je in gelooft; het is iets wat je bent. De meest hardnekkige ongelovigen in Egypte ontdekten het ook: de Joodse identiteit laat zich niet uitschakelen. 

Dowload hier een printversie van het artikel (PDF)

Het was Shabbatochtend en Rav Adin Steinsaltz (1937-2020) liep in de oude stad van Yerushalayim op weg naar sjoel en ontmoette een Israëlische, seculiere professor, die een hekel aan het Jodendom had. Nadat ze elkaar gegroet hadden, ging het gesprek ongeveer als volgt:

De Professor: ‘Ik heb echt medelijden met je!’

De Rav: ‘Hoezo?’

De Professor: ‘Nou, ik ga ter ere van Shabbat, eieren met spek eten! Trouwens, weet je dat het best moeilijk is om een plekje in Yerushalayim te vinden waar je dat kunt eten? Maar ik weet precies waar het wel kan!’

De Rav: ‘Interessant ontbijt! En hoe zit het met de lunch?

De Professor: ‘Oh heel simpel, voor de lunch ga ik met mijn hele gezin kreeft en garnalen eten. Daarna gaan we met z’n allen naar het strand en we nemen zoveel mogelijk spullen mee. We gaan ook nog naar de bioscoop en we sluiten af door gezellig ergens wat te gaan drinken.’

De Rav: ‘Ik ben jaloers.’

De Professor: ‘Natuurlijk ben je jaloers; jij bent religieus en daardoor een slaaf omdat je verplicht bent om je aan tal van voorschriften te houden en ik ben seculier en vrij om te doen en te laten wat ik wil.’

De Rav: ‘Nee mijn beste vriend. Dat is niet de reden dat ik jaloers ben. Kijk, voor mij is Shabbat een routine dag. Het is weliswaar een speciale dag, maar eerlijk gezegd toch elke week een beetje hetzelfde. Ik ga naar sjoel, daarna maak ik kidoesh, vervolgens eet ik een maaltijd, lern ik wat enzovoort. Maar jij, jij stopt zoveel energie in de Shabbat. Jouw hele dag is helemaal op de Shabbat gericht. Je blijft niet gewoon thuis om de krant te lezen of om je lekker te ontspannen. Nee, omdat het Shabbat is, ga jij juist allerlei dingen doen die op Shabbat verboden zijn. Je bent heel geconcentreerd bezig. De Shabbat is een dag die jou diep raakt, een dag waar jij heel consciëntieus mee omgaat. Elke actie heb jij doelbewust gekozen en jouw focus is helemaal op deze bijzondere dag gericht. Wauw, daar ben ik nu jaloers op. Jij viert ook Shabbat. Jij op een negatieve manier en ik op een positieve manier.’

Tot zover het gesprek op een Shabbatochtend in Yerushalayim.

Identiteit is blijvend

Een dergelijk fenomeen nemen wij ook waar bij Elisha ben Awoeja. Elisha ben Awoeja was een grote geleerde uit de eerste en tweede eeuw, die na de verwoesting van de tweede tempel leefde. Awoeja werd ook wel Achèr (= anders) genoemd. Hij werd zo genoemd omdat hij op een gegeven moment in zijn leven ervoor koos om de Joodse tradities te laten vallen, om anders te gaan leven. Zo wordt er verteld hoe hij op Yom Kipoer op z’n paard ging rijden, precies op de plek waar voorheen de heilige Tempel was geweest.

Als het Jodendom in zijn ogen er totaal niet toedeed, waarom ging hij dan juist op de heiligste dag van het jaar, op de heiligste plek rijden? Het betekende toch allemaal niets voor hem? Waren er geen andere wandelpaden voor paarden te vinden? Als hij zo van paardrijden hield, waarom per se op Yom Kipoer en waarom per se op de meest heilige locatie op aarde? Waarom niet een rondje in de Negev of in de Golan? En waarom niet op een gewone dinsdag of woensdag?

Ook Elisha ben Awoeja was verbonden met het Jodendom. Weliswaar op zijn eigen manier, een andere – achér – manier, maar nog steeds sterk verbonden. Want ziet u, het Jodendom is niet iets wat wij doen of waar we in geloven. Het is iets wat wij zijn, het is onze essentie en dat blijft zo. Er is een onderscheid tussen hetgeen iemand doet en hetgeen iemand is. Je doen en laten kun je veranderen, maar je identiteit is blijvend.

Joods vonkje

Vele mijlpalen die wij in het leven hebben mogen bereiken en waar we misschien trots op zijn, geven ons steun, houvast en plezier. Echter deze zaken zijn niet altijd van blijvende aard. Soms raken ze kwijt of worden ze van ons weggenomen. Ze kunnen komen en gaan. Wat altijd blijft en wat niemand van je af kan nemen is je kern, je essentie, je ware ik, je eigen Joodse vonkje, je neshama, je Joodse ziel.

Dit is ook de reden dat er in de meeste synagogen een altijd brandend licht is. Dit lichtje staat symbool voor het feit dat het G-ddelijke licht eeuwig aanwezig is en dat het Joodse vonkje in jezelf, de diamant in je hart, dag en nacht blijft branden.

Natuurlijk is het wenselijk om deze schat regelmatig op te poetsen en schoon te maken. Een ruwe diamant ziet eruit als een gewone steen. Ook onze ziel is soms onherkenbaar, zo bedekt is zij met viezigheid, fout gedrag en overtredingen. Elke ziel heeft een regelmatige poetsbeurt nodig om te gaan glimmen. Dat kan met behulp van Torah en mitswot. Geef elke ochtend voordat je het huis verlaat een muntje in het tsedaka busje en je hebt je eerste schoonmaakbeurt al gehad. Ga bewust om met hetgeen je gedurende de dag in je mond stopt (kosher voedsel?) en wat er weer uit gaat (lieve woorden of kwaadsprekerij?). Zo veel goede daden liggen er voor het oprapen. Pak ze op, niet alleen omwille van je medemens of van G-d, maar gewoon voor jezelf, omdat het bij je past, omdat het klopt. Omdat jij uiteindelijk diegene bent die zich daar het prettigst bij voelt.

Om te overleven heeft een mens voor zijn lichaam eten, drinken en kleding nodig. Zo niet, dan wordt hij ziek of valt hij flauw. Zo ook heeft de ziel voedsel nodig, namelijk het leren van de Torah. De ziel heeft ook kleding nodig en dat wordt vertegenwoordigd door het uitvoeren van goede daden. Zo valt de ziel niet flauw. Anders kan een mens zo maar in een soort spirituele coma terecht komen. In deze slapende toestand is hij ongevoelig voor z’n medemens en voor hemelse zaken. Maar af en toe wordt hij door omstandigheden wakker geschud. Hij raakt door iets of iemand geïnspireerd. Of hij is op een bepaalde plek op aarde, zoals de Klaagmuur in Yerushalayim en de emoties overrompelen hem. Of het is oorlog en zijn mede-Jood wordt aangevallen, verminkt en vermoord. Op dat moment barst zijn Joodse kern naar buiten. Hij is ineens boos omdat zijn geloofsgenoot, die duizenden kilometers verderop woont en die hij noch kent of nooit ontmoet heeft, in gevaar verkeert en daar voelt hij zich zo sterk mee verbonden; het is alsof hij zelf geraakt is. Hij wist niet eens dat hij zich zo ontzettend Joods voelde. Zijn Joodse vonkje lag maar al te goed verborgen, maar aanwezig was het wel. Soms duurt het generaties voordat het verstopspelletje afgelopen is.

Maar wat gaat er daarna  gebeuren? Zakt hij weer weg in zijn dagelijkse routine of weet hij het gevoel vast te houden en gaat hij ermee aan de slag? Het is aan hem om die inspiratie te integreren en te vertalen naar een nieuwe, andere manier van leven. Stapje voor stapje, beetje bij beetje. De opgedane inspiratie is een injectie die hij kan gebruiken. Hij is nu in de gelegenheid om wakker te blijven, door zijn enthousiasme in daden om te zetten voordat hij weer in coma raakt. Hij kan ervoor kiezen om zijn sterke Joodse gevoel om te zetten in Joodse daden. Hij is boos omdat zijn mede-Jood aangevallen wordt, maar achter die boosheid schuilt liefde voor iemand die hij helemaal niet kent en die als enig kenmerk heeft dat er Joods bloed door zijn aderen stroomt.

Die diamant in jezelf kan na verloop van tijd toch weer met stof en aarde bedekt worden, met rommel en viezigheid, met ongewenste handelingen en verkeerde activiteiten. Toch blijft deze waardevolle edelsteen in jouw hart voortbestaan. De ziel wacht dan geduldig af om uitgegraven en geslepen te worden zodat haar licht weer kan schijnen. Hopelijk is daar geen vijand, pogrom of antisemitisme voor nodig.

‘Ook al ga je er negatief mee om, je blijft ermee verbonden.’

Hoe je ook omgaat met je neshama, je Joodse ziel, je hebt altijd met deze diamant en vonk te maken. Ook al ga je er negatief mee om, je blijft ermee verbonden. Dit is je essentie. Hier kun je niet omheen. Vroeg of laat komt je eigen ziel bij je aankloppen voor aandacht. Doe dan niet alsof het niet bestaat, val dan niet in je eigen kuil. Neem jezelf niet in de maling. Kom los van je illusies.

Verbeeld jij je dat jij je Joodse hart kunt negeren? In wezen ben je er, hoe dan ook, ontzettend mee bezig.

Niet te verslaan

Dit was de bedoeling van de plagen, waarvan er deze week zeven ter sprake komen. ‘Kom uit Egypte, uit Mitsrayim!’ Het woord Mitsrayim, Egypte, betekent ook begrenzingen. Elke plaag was een leermoment, een begeleiding van G-d, om zowel de Joden als de Egyptenaren te helpen om buiten hun mentale begrenzingen en illusies te treden en om hun valse denkpatronen te doorbreken. Ze moesten begrijpen dat hoe mooi natuur en logica ook kunnen zijn, er altijd een macht is die daar boven staat en die dit allemaal controleert.

Wie is de baas van de wereld? Is het Farao die van zichzelf zei dat hij god was en dat hij de Nijl had geschapen? Of was het de Nijl zelf, die het hele land irrigeerde? In Egypte regent het nooit en de enige aanwezige waterbron is deze rivier. Maar wie heeft de Nijl gemaakt en wie is de baas over dit stromende water? Wie was bij machte om ervoor te zorgen dat deze rivier een zegen of een vloek voor het land zou zijn, een bron van welvaart of de oorzaak van ellende, tsunami’s, plagen, en overstromingen?

  • De ene na de andere plaag sloeg toe. Eerst veranderde het water van de Nijl in bloed. Vervolgens kwam uit deze machtige rivier een enorme kikker die zich vervolgens vermenigvuldigde. In de eerste twee plagen wordt ‘het almachtige water’ van de Nijl getroffen. Deze grote rivier was de bron van de hele Egyptische economie en tevens de afgod die elke Egyptenaar aanbad. De Nijl werd door de plagen volledig van zijn voetstuk gestoten.
  • De plagen hadden duidelijk gemaakt wie de echte baas was. Wie was almachtig? De Nijl? De economie? Farao? Of is het G-d Almachtig die de hemel, de aarde en de rivieren heeft geschapen?
  • Wie is mijn baas?
  • Wat is bepalend in mijn leven? Mijn salaris, de koopjes, de machthebbers in mijn land of laat ik de morele waarden, zoals die in de Torah beschreven zijn, de doorslaggevende raadgevers in mijn leven zijn?

Egyptische tovenaars probeerden Moshe en zijn plagen na te doen, maar vanaf de derde plaag lukte het niet meer. De illusionisten waren verslagen. Plaag na plaag ontdekten de meest hardnekkige ongelovigen dat G-d de baas was. Op het moment dat Farao dacht alles te kunnen beheersen sloegen de plagen toe. Men bleek toch minder controle te hebben dan aanvankelijk gedacht. Alle spelletjes waren voorbij. Een plaag of ziekte laat al gauw zien wie de Allermachtigste is.

Net zomin als dat je G-d zou kunnen weghalen, verslaan of doen verdwijnen, zo ook is het onmogelijk om dat Joodse vonkje in jezelf te doven. Jouw ziel is namelijk een stukje van G-d dat je bij je draagt. Blijf dus wakker en houd jezelf bij de les, want het vonkje blijft branden en jou bezighouden. Hopelijk op een positieve manier!

Bracha Heintz
chabadutrecht.nl

Met dank aan Rianne, Sonja en Devorah voor de opmaak.
Afbeelding bovenaan: Ner Tamid, symbool voor G-ds constante aanwezigheid.