Tag: Inspiratie

Nitsawiem | Het gaat lukken

Nitsawiem | Het gaat lukken

Misschien denk je dat het heel moeilijk is om je aan de Torah wetten te houden. Maar is dat wel zo? Wat precies wordt er van jou verwacht? Alles? Volmaaktheid?

Download hier de PDF van dit artikel

Niet moeilijk

‘De geboden zijn niet moeilijk, ze zijn niet ver. Ze zijn niet in de hemel of aan de andere kant van de zee. Ze zijn heel dichtbij jou om ze uit te voeren met jouw mond, met jouw hart en met jouw daden.’
Dewariem hoofdstuk 30 (11-14)

“Oh werkelijk? Nou, voor mij niet. Ik vind het best ingewikkeld, lastig, duur en omslachtig om de geboden uit te voeren.”

Hoe dan ook, ieder gezond mens zoekt voldoening en geluk in zijn leven. Het grootste geluk is: weten dat je goed bezig bent, weten dat wat je doet een wezenlijk verschil maakt.

Rosh Hashana

De vooravond van Rosh Hashana is een speciaal moment om hierover na te denken. Rosh Hashana is het begin van het Joodse jaar. Het is zo’n belangrijke dag dat het vaak ook HAYOM – de dag of vandaag – genoemd wordt. De Parasha die vlak voor Rosh Hashana gelezen wordt, begint met de volgende woorden: “Jullie staan vandaag allemaal stevig vóór G-d…”.

Jazeker, Rosh Hashana is een belangrijke en serieuze dag. Een dag waarop G-d de wereld berecht. Een dag waarop wij over het afgelopen jaar nadenken en bedenken hoe het komende jaar eruit zal gaan zien. G-d geeft ons in de Parasha meteen versterking en bekrachtiging: Vandaag, op Rosh Hashana staan jullie sterk, zegt Hij. Hoe kan dit? Met alles wat wij fout hebben gedaan, komt de Torah ons vertellen dat wij sterk staan?

Met Rosh Hashana vieren wij de schepping van de mens. Deze schepping is geen simpele actie geweest. Het is niet zo dat G-d ergens boven is en Hij eventjes een fysieke wereld heeft geschapen met aan de ene kant van de schepping G-d en aan de andere kant ‘deze wereld’. Er bestaat namelijk een heel spectrum van werelden daar tussen. Omdat het verschil tussen G-d en deze wereld zo ontzettend interdimensionaal groot is, heeft G-d alle tussen-werelden moeten scheppen om de transitie mogelijk te maken tussen het Allerhoogste en deze materiële wereld.

G-d heeft eerst een wereld geschapen die heel dicht bij Hem is, die Atsiloet heet. Vervolgens heeft Hij andere werelden gemaakt. Deze werelden zijn allemaal van spirituele aard, op onze wereld na, waarin materie zich bevindt.

Ander perspectief

Ook binnen het spirituele bestaan er verschillende gradaties. In elke wereld schijnt het G-ddelijke licht net ietsje minder dan in de wereld ervoor. Totdat je in ‘onze wereld’ terecht komt. Hier schijnt het licht niet minder, hier is het helemaal donker, totale duisternis.

Met een andere wereld wordt bedoeld dat je naar dezelfde realiteit kunt kijken maar vanuit een ander perspectief.

De spirituele werelden zijn niet fysiek ‘boven’ of ‘ergens anders’ of ‘in een andere tijd’. Het is niet zo dat je met een ruimteschip naar een andere wereld zou kunnen reizen. Dit zou ook niet kunnen met een tijdmachine. Wat zijn die andere spirituele werelden dan wel? Met een andere wereld wordt bedoeld dat je naar dezelfde schepselen en realiteit kunt kijken maar vanuit een ander perspectief, met een andere kleur bril.

 

Stel, iemand kijkt naar de muzieknoten van een symfonie. Hij zal heel veel streepjes, puntjes en rondjes zien en wordt er wellicht duizelig van. Toon dezelfde partituur aan een musicus en hij begint te glimlachen en te neuriën. Hij ziet melodieën  en verbanden. Hij neemt iets diepers waar, iets mooiers, iets geweldigs.

Alles in deze wereld heeft een waarneembaar aspect en een verborgen deel. De muzieknoten op papier zijn het zichtbare deel. Wat er achter ligt,  namelijk de melodie en de symfonie, vormen dat onzichtbare deel, dat voor een leek onbekend is en voor een musicus geopenbaard.

En zo is het met alles in deze wereld. Het gaat er niet alleen maar om wat er fysiek aanwezig is, maar ook en vooral wat het vertegenwoordigt en wat erachter schuilt. 

Als je naar een appel kijkt zie je dan een appel of G-ddelijke energie die de appel doet bestaan? Zo ook is het met de spirituele werelden. Ze zijn allemaal hier aanwezig, de vraag is in hoeverre wij in staat kunnen zijn om voorbij het fysieke te kijken.

Rechtschapen mens

Je zou verder kunnen denken dat de hogere werelden ideaal zijn. Er schijnt daar immers meer licht dan hier. Je zou ook kunnen stellen dat het hoogste wat een mens zou kunnen bereiken, is om een Tsadiek te worden, een rechtschapen mens. De Tsadiek leeft op zo’n hoog niveau dat hij alles op een G-ddelijke manier beziet en ervaart. Als er iets is dat ‘niet mag’, dan heeft hij daar automatisch geen zin in omdat hij door en door beseft dat datgene dat verboden is voor hem schadelijk is.  Als er iets te eten is dat voor hem ‘te veel’ is, dan heeft hij er geen verlangen naar. Net zomin als ik ernaar verlang om een stukje glas te eten als ik honger heb.

Ik ben een mens die naar het materiële verlangt en het zichzelf het meest aangenaam wil maken.

Welnu, ik ben niet rechtschapen en ook al doe ik heel veel moeite, zal ik het nooit worden. Al doe ik soms nog zo mijn best, elke keer val ik weer terug. Wat wil je? Ik ben een mens van deze wereld. Wanneer ik iets leuks zie dan heb ik er zin in en dan ga ik zoeken hoe ik het tot mij kan krijgen. Natuurlijk beheers ik mij af en toe – en daar stop ik best veel energie in, maar dat duurt maar eventjes. De volgende dag ben ik weer mijzelf, een mens die naar het materiële verlangt en het zichzelf het meest aangenaam wil maken.

Wat heeft het dan nog voor zin? Het is best wel deprimerend om je hele leven te vechten om jezelf te kunnen beheersen en uiteindelijk lijkt het alsof je nog steeds niets bereikt hebt.

We willen meer licht, maar we zien G-d niet. We hebben zo onze atheïstische kanten, af en toe. En wat wil je? G-d is toch niet zichtbaar en de gebakjes en de pretparken wel!

G-d kan wel heel goed verstoppertje spelen en het lukt mij lang niet altijd om Hem te vinden. Hoe moet dat verder? Wat verwacht G-d van mij? Ik voer een eeuwige strijd.

Kijk en besef

Het lukt mij niet om de rechtschapen persoon te worden die ik zou wensen. Maar het blijkt dat G-d dit helemaal niet van ons verwacht! Dit is niet het doel van de schepping. We hoeven geen duisternis in licht te veranderen. Dat gaat ons ook zelden of nooit lukken. Laat je hierdoor niet ontmoedigen, vertellen de geleerden ons. Trek het je wel wat aan, maar niet teveel.

Wat is dan mijn rol in het geheel? G-d heeft maar één verzoek: kijk naar deze wereld en besef dat het hier totaal donker is.

Het kan zijn dat het je amper lukt om daar iets in te veranderen, maar jouw opdracht is om je ervan bewust te zijn. Niets is erger dan dat een mens genoegen neemt met valsheid en leugens. In wezen is de hele schepping één grote leugen aangezien wij de Schepper niet kunnen zien.

Maar laat je niet in de maling nemen! Deze hele wereld is alleen een omhulsel. Dieper is er heel veel.  Ga op zoek naar de ziel in jezelf en naar de ziel die in de wereld verscholen ligt.

Dagelijks gevecht

Dit is een dagelijks gevecht van ‘geest over materie’, van ‘diepte over oppervlakkigheid’ en van ‘betekenis over onzin’. Misschien lukt het je niet om de leugens te transformeren, maar je kunt ze wel het hoofd bieden.

De hele schepping heeft de schijn dat het vanzelf bestaat. Deze schijn koppelt de schepping los van Zijn Bron. Wees je daarvan bewust, ook al lukt het je niet om daar verandering in te brengen. Je hebt misschien de slag verloren maar je hebt de oorlog wel gewonnen.

Dit is het drama van het leven: één individu, misschien wel alléén in zijn kamer waar niemand hem ziet, is toch in staat om om zich heen te kijken en te zeggen: ‘Deze wereld klopt niet. Ik zie alleen maar een schil, maar die ga ik niet opeten. Die gooi ik weg.’

Aan het front

 

Dit is de boodschap van deze week. Het lukt ons niet altijd om ons op te trekken naar niveaus die ver boven ons liggen, maar dat is ook helemaal niet de bedoeling. Af en toe lukt het wel maar daarna is er vaak weer een terugval. Net als het doornbos bij Moshe. Hij brandde wel maar verbrandde niet. Er was vuur, inspiratie en enthousiasme. Maar het had maar weinig effect. De takjes brandden niet en de doorns bleven prikken.

 

Zo is het leven. We hebben allemaal van die momenten dat we helemaal warm zijn en goed bezig zijn. Misschien gebeurt het wanneer je de kaarsjes van Shabbat hebt aangestoken of wanneer je moeite hebt gedaan om een ander te helpen.

Waar het om gaat, is dat we de strijd aangaan en niet verwachten dat we winnen.

Hopelijk zullen er tijdens de Hoge Feestdagen zulke momenten langskomen.
Momenten van inspiratie, saamhorigheid en spiritualiteit. Maar dat gevoel houdt niet aan. Het komt als een golf op en ebt daarna weer langzaam weg. Maar je houdt altijd nog een beetje schuim en spirituele lucht over.

Is het erg dat je je enthousiasme niet constant kan aanhouden? Nee, het is jammer maar het geeft niet. In het leven blijf je geconfronteerd met tegenslag en duisternis. Je staat tenslotte aan het front waar je dagelijks vecht tegen allerlei vijanden die jou proberen te weerhouden om goede daden te verrichten of jou de afgrond in willen duwen. Onze vijand is dat stemmetje in ons dat vreselijk te keer gaat om ons te beletten om iets goeds te doen. En datzelfde stemmetje probeert ons ook te overtuigen om wel te doen wat G-d verboden heeft. Maar dan is dat vervelende stemmetje nog steeds niet klaar. Vervolgens gaat het ons laten zien hoe slecht wij zijn en hoe verkeerd wij gehandeld hebben in de hoop ons daarmee te ontmoedigen. In deze depressieve stemming gaan we zeker geen goede daden meer verrichten; dubbele winst voor onze innerlijke vijand.

En wie is dat stemmetje dan? Het is onze yetser hara, een slechte wil in ons, die G-d daar neergezet heeft om ons uit te dagen. G-d nodigt ons uit om tegen de yetser hara te vechten. Hij geeft ons de gelegenheid om dieper in ons potentieel te graven om dit stemmetje het hoofd te bieden. En ja, aan het front worden je kleren vies, is er bloed en narigheid. Geeft niet, waar het om gaat, is dat we de strijd aangaan en niet verwachten dat we altijd winnen.

Beweging in alle werelden

G-d heeft ons in deze laagste wereld neergezet en elke keer dat wij moeite doen om een laagje duisternis te verwijderen, bewerkstelligen wij trillingen in alle werelden. Onze ziel is als een lang touw. Als je aan de ene kant duwt en trekt beweegt alles mee.

Ja, dames en heren, wij met onze kleine en grote strijd, veroorzaken trillingen en bewegingen in alle werelden. Aangezien elk mens een ziel in zich heeft, een stukje van G-d, is hij bij machte om door één kleine daad een wereld van verandering teweeg te brengen.

Wat een kracht, wat een potentieel! Jij en ik hebben dit in ons! Kijk wat er in onze Parasha staat (Dewariem 30-12 t/m 14):

לֹ֥א בַשָּׁמַ֖יִם הִ֑וא לֵאמֹ֗ר מִ֣י יַעֲלֶה־לָּ֤נוּ הַשָּׁמַ֙יְמָה֙ וְיִקָּחֶ֣הָ לָּ֔נוּ וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ אֹתָ֖הּ וְנַעֲשֶֽׂנָּה׃

Het is niet in de hemel dat je zou zeggen, wie gaat er voor ons tot de hemel stijgen om het voor ons te nemen en het ons te laten horen zodat we het kunnen uitvoeren.

וְלֹֽא־מֵעֵ֥בֶר לַיָּ֖ם הִ֑וא לֵאמֹ֗ר מִ֣י יַעֲבָר־לָ֜נוּ אֶל־עֵ֤בֶר הַיָּם֙ וְיִקָּחֶ֣הָ לָּ֔נוּ וְיַשְׁמִעֵ֥נוּ אֹתָ֖הּ וְנַעֲשֶֽׂנָּה׃

Noch is het aan de overkant van de zee dat je zou zeggen, wie zal voor ons de zee oversteken en het voor ons nemen en het ons laten horen zodat we het kunnen uitvoeren.

כִּֽי־קָר֥וֹב אֵלֶ֛יךָ הַדָּבָ֖ר מְאֹ֑ד בְּפִ֥יךָ וּבִֽלְבָבְךָ֖ לַעֲשֹׂתֽוֹ׃

Want het is heel dicht bij je in je mond, en in je hart om het te doen.

Het is niet zo moeilijk. Je hoeft daar geen bergen voor te beklimmen en zeeën voor over te steken. Het is heel dicht bij je, vertelt de Torah ons, omdat het al in ons aanwezig is. Je hoeft het alleen maar te openbaren. Herontdek je eigen vlammetje in je hart, je eigen warme, zuivere ziel. Luister ernaar en breng je potentieel naar buiten toe. Het is er al en daar gaan we het komende jaar op bouwen met de wetenschap dat we helemaal niet hoeven te winnen, alleen geven wij elke keer weer een duwtje in de goede richting.

Hierbij wens ik iedereen een goed en zoet jaar, een jaar vol met geluk, gezondheid en voldoening in materiële en spirituele zin!

Shana towa oemetoeka!

Bracha Heintz

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

Kie Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Kie Tawo | Opbiechten, de Joodse manier

Ieder mens heeft zijn goede kanten. Jij ook! We ontdekken samen hoe wij naar het positieve deel van ons leven kunnen kijken. We leren te waarderen wat wel goed gaat in ons leven en er zelfs hardop over te vertellen. 

Download hier de PDF van dit artikel

Wiedoei Maäser, ‘Het opbiechten van 10%’, is één van de 248 geboden die in de Torah, in Parashat Kie Tawo, behandeld wordt. Het gaat hier om een 3000 jaar oud belastingsysteem dat in Israel opereerde en uitstekend functioneerde. Het principe was door G-d Zelf bedacht en bestond uit een cyclus van zeven jaar dat uit twee sets van drie jaar en vervolgens een apart zevende jaar bestond. (in deze zin staat nu twee keer bestond. Is dit de bedoeling?) Eerst had je: na bedacht dubbele punt, dat verving de eerste ‘bestond’. Lijkt mij beter.

Deze jaren werden geteld vanaf een bepaalde datum in het jaar. Voor groenten, graan enz… was de eerste van de maand Tishrie de grens (Rosh Hashana, Joods Nieuwjaar). Voor vruchten die aan bomen groeien werd Toe Bishwat, de 15de van de maand Shewat als grensdatum gehanteerd.

In het eerste en tweede jaar van de zevenjarige cyclus werd belasting in goederen op de volgende manier geheven. Of het nou ging om graan, vruchten of groenten, elke landeigenaar of boer gaf eerst 2% van zijn oogst aan de priesters. Dit heet Teroema. De priesters vertegenwoordigden met hun dienst in de tempel het hele volk. Ze waren ook verantwoordelijk voor onderwijs, bezaten geen grond en waren geen zakenlui. Ze leefden van de belastingopbrengsten die het Joodse volk aan hen gaf.

Nadat die 2% geheven was werd er vervolgens over de oogst die overbleef nog eens belasting geheven die Maäser Rishon heette. Dat was 10% van de resterende oogst en deze werd aan de Levieten gegeven. De Levieten voerden ook allerlei taken uit voor het hele volk.

Nog eens 10%

Nadat er 2% aan de priesters was gegeven en vervolgens 10% aan de Levieten werd er van het restant van de oogst weer 10% genomen. Dat werd Maäser Sheni genoemd, de tweede Maäser oftewel het tweede tiende deel. Dit deel hoefde de boer aan niemand te geven. Hij nam het zelf mee naar Jerushalayim en consumeerde het in deze heilige stad. Hij kon daar van die 10% van zijn oogst zelf eten en genieten. Het was een gelegenheid voor alle boeren om op reis te gaan naar Jerushalayim en daar te genieten van de sfeer. Het diende ook om de economie in Jerushalayim te stimuleren. Het vulde de stad met actie en het gaf de boer voldoening, zowel materieel als spiritueel.

Hierna was de boer vrij om de rest van zijn oogst voor zichzelf te bewaren, te verkopen of zelf te nuttigen.

Dit belastingsysteem gold in het eerste en tweede jaar alsook in het vierde en vijfde jaar van de zevenjarige cyclus. Wat gebeurde er in het derde en zesde jaar? In jaar 3 en 6 gaf de boer hetzelfde als in jaar 1 en 2 en 4 en 5. Eerst 2% aan de priesters en vervolgens 10% aan de Levieten.  Alleen het laatste deel, Maäser Sheni, de tweede Maäser, die derde en laatste heffing was anders. Die ging niet mee naar Jerushalayim. Het werd aan de armen gegeven. Dat derde deel heette Maäser Ani, de tiende voor de armen.

Voor de armen

Behalve de tiende in jaar 3 en 6 kregen de armen elk jaar ook nog drie delen van de oogst.

  • Deel 1. Een boer mocht nooit zijn hele veld oogsten. Een hoek van zijn veld moest altijd overgeslagen worden. De armen mochten daar zelf komen oogsten.
  • Deel 2. Als een boer een deel van zijn oogst was vergeten mocht hij niet teruggaan om het alsnog te halen. Dit liet hijzich  achter voor de armen.
  • Deel 3. Als een deel van de oogst tijdens het plukken viel, mocht de boer het niet oprapen. Ook dit deel werd voor de armen achtergelaten.

In het derde en zesde jaar van de cyclus ontvingen de armen behalve deze drie delen ook nog eens Maasser Sheni, een tiende van de oogst nadat de delen voor de priesters en de Levieten er al afgetrokken waren.

Jaar 1 en 2 waren gelijk aan jaar 4 en 5. Jaar nummer 3 was gelijk aan jaar nummer 6.

Speciale status

En nu het zevende jaar dat Shemita genoemd wordt. Dit jaar heeft een speciale status. In dit jaar werden worden alle velden onbeheerd achtergelaten. Elk individu, boer of niet, arm of rijk, heeft dan gelijke toegang tot alle wijngaarden, velden en boomgaarden en mag daar naar behoefte plukken. Ook de eigenaar mag dat, maar alleen wat hij nodig heeft voor zichzelf, zijn gezin, zijn personeel en zijn dieren. Hij mag er niet in handelen, aangezien hij er in dat zevende jaar geen eigendom eigenaar over heeft van is waardoor hij ook niet bij machte is om er belasting over te betalen.

Zo werden de landbouw, de belastingen, voedsel voor de armen en een vakantie naar Jerushalayim geregeld, volgens de wetten van de Torah.

En nu de speciale mitswah die in onze parasha behandeld wordt, Wiedoei Maäser. Wanneer de cyclus van 3 of 6 jaar voorbij was, was er een gebod van toepassing dat וידוי מעשר (Wiedoei Maäser) heet, oftewel het opbiechten van de tiende.

Wat was dat?

In het vierde jaar en zevende jaar moest de boer controleren of hij in de voorafgaande jaren wel aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan. Misschien was hij niet overal aan toegekomen en had hij een bepaald deel vergeten,  uitgesteld of gewoon nog niet weggegeven. Misschien lag er nog ergens bij hem in de opslag een hoeveelheid graan of erwten die hij nog schuldig was. Nu was de tijd aangebroken om alles wat hij verzuimd had te geven, uit te betalen.

Natuurlijk moest alles het liefst op het juiste moment en in het juiste jaar weggegeven worden. Mocht hij echter iets vergeten zijn of hij was te druk en er niet aan toegekomen zijn, dan was het vierde jaar de laatste gelegenheid om alles recht te trekken.

Liefst in de Tempel

Wat in het derde jaar geplant werd, werd niet altijd in het derde jaar geoogst. Zo waren er bepaalde gewassen die in het derde jaar gezaaid werden en pas in de winter van het vierde jaar geoogst werden. Daarom moest de boer tot de lente van het vierde jaar wachten, op de laatste dag van Pesach, om, liefst in de Tempel, maar het kon ook bijvoorbeeld thuis, zijn ‘Maaser (tiende) op te biechten’. Hoofdstuk 26 van Dewariem helpt ons verder.

כִּ֣י תְכַלֶּ֞ה לַ֠עְשֵׂר אֶת־כָּל־מַעְשַׂ֧ר תְּבוּאָתְךָ֛ בַּשָּׁנָ֥ה הַשְּׁלִישִׁ֖ת שְׁנַ֣ת הַֽמַּעֲשֵׂ֑ר וְנָתַתָּ֣ה לַלֵּוִ֗י לַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָֽאַלְמָנָ֔ה וְאָכְל֥וּ בִשְׁעָרֶ֖יךָ וְשָׂבֵֽעוּ׃

וְאָמַרְתָּ֡ לִפְנֵי֩ ה’ אֱלֹקיךָ בִּעַ֧רְתִּי הַקֹּ֣דֶשׁ מִן־הַבַּ֗יִת וְגַ֨ם נְתַתִּ֤יו לַלֵּוִי֙ וְלַגֵּר֙ לַיָּת֣וֹם וְלָאַלְמָנָ֔ה כְּכָל־מִצְוָתְךָ֖ אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתָ֑נִי לֹֽא־עָבַ֥רְתִּי מִמִּצְוֺתֶ֖יךָ וְלֹ֥א שָׁכָֽחְתִּי׃

לֹא־אָכַ֨לְתִּי בְאֹנִ֜י מִמֶּ֗נּוּ וְלֹא־בִעַ֤רְתִּי מִמֶּ֙נּוּ֙ בְּטָמֵ֔א וְלֹא־נָתַ֥תִּי מִמֶּ֖נּוּ לְמֵ֑ת שָׁמַ֗עְתִּי בְּקוֹל֙ ה אֱלֹקי עָשִׂ֕יתִי כְּכֹ֖ל אֲשֶׁ֥ר צִוִּיתָֽנִי׃

הַשְׁקִיפָה֩ מִמְּע֨וֹן קָדְשְׁךָ֜ מִן־הַשָּׁמַ֗יִם וּבָרֵ֤ךְ אֶֽת־עַמְּךָ֙ אֶת־יִשְׂרָאֵ֔ל וְאֵת֙ הָאֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תָּה לָ֑נוּ כַּאֲשֶׁ֤ר נִשְׁבַּ֙עְתָּ֙ לַאֲבֹתֵ֔ינוּ אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּדְבָֽשׁ׃

12) “Als je klaar bent om al je tienden van je oogst te geven in het derde jaar, het jaar van de tiende, en je zult het aan de Levi, aan de vreemdeling, aan de wees en de weduwe geven, en jullie zullen eten in jullie poorten en jullie zullen verzadigd zijn.

13) En jij zult zeggen vóór Hashem jouw G-d, “Ik heb uit mijn huis al het heilige verwijderd en ik heb ook gegeven aan de Levi en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe zoals Jouw gebod is, dat je mij geboden hebt. Ik heb Jouw gebod niet overtreden en ik ben niets vergeten.

14) Ik heb er niet van gegeten toen ik rouwde, noch heb ik het speciale deel verwijderd terwijl ik onrein was en ik heb het niet gebruikt voor een lijk. Ik heb naar de stem van Hashem, onze G-d geluisterd, ik heb gedaan zoals Jij mij alles hebt geboden.

15) Kijk vanuit Jouw heilige woonplaats, vanuit de hemel, en zegen Jouw volk, het Joodse volk en het land dat Jij ons geschonken hebt, zoals je het aan onze voorouders hebt gezworen, een land dat met honing en melk vloeit”.

Hierbij eindigt het gebod van וידוי מעשר (Wiedoe Maäser), het opbiechten van de tiende.

Klopje op eigen schouder

Interessant, maar tegelijkertijd zeer vreemd. Ik lees hier een verklaring maar ik bespeur nergens iets wat op opbiechten zou lijken. Vooralsnog betekent opbiechten dat je benoemt hetgeen je verkeerd hebt gedaan. Dit doen we dagelijks in ons gebed. Ook op Yom Kipoer benoemen we al onze fouten. We hebben spijt, we verontschuldigen ons en nemen de verantwoordelijkheid om ons in de toekomst aan de regels te houden.

Deze boer echter vertelt juist dat hij alles naar behoren heeft uitgevoerd. Hij is zelfs niets vergeten. Hij heeft precies alles gedaan zoals G-d hem geboden heeft. Zelfs per ongeluk heeft hij niets per ongeluk overtreden. Hij heeft alles foutloos en perfect uitgevoerd. Waarom wordt deze verklaring dan ‘opbiechten’ genoemd? Het is juist het tegenovergestelde. Je verklaart dat je alles perfect hebt gedaan en je bent zelfs niets vergeten!

Het is Rav Yosef Ber Soloveitchik die ons gaat helpen om dit te begrijpen.

De Torah geeft ons hier een diepe boodschap: soms moet een mens een verklaring afgeven over wat hij verkeerd  heeft gedaan. Maar hij moet ook weten te vertellen hoe goed hij is, hoe fantastisch hij alles gedaan heeft, hoe succesvol hij is. Klopje op je eigen schouder dus. Niet alleen moet hij het denken. Nee, hij moet het hardop zeggen en vertellen, niet vanuit hoogmoed of argwaan arrogantie (ik denk dat dit woord hier beter past) maar uit het diepste van zijn hart en met oprechtheid.

Want ziet U, geachte lezer, elk mens heeft zo zijn successen, zijn goede kanten, zijn vakken waar hij hartstikke goed in is. Hij moet leren om naar dit deel van zijn leven te kijken, het te waarderen en er zelfs over te vertellen. Dit is zo belangrijk, zo heilig, dat dit vertellen bij voorkeur in de Tempel in Yerushalayim plaatsvond, de heiligste plek op aarde.

Niet alleen moet hij zijn goede kanten bekijken, hij wordt zelfs geboden om ze op te noemen en te zeggen: “Ik heb het perfect gedaan, ik ben zelfs niets vergeten!”

Twee vragen

Blijven er twee vragen over:

  1. Waarom heet deze declaratie opbiechten?
    en
  2. Waarom moet dit aan G-d verteld worden? G-d weet toch alles!

Als je iets fout hebt gedaan, dan begrijpen we dat je het op moet noemen. Ook dan weet G-d alles wat je uitgespookt hebt. In dat geval echter heeft de mens het nodig om zichzelf ermee te confronteren. Hij moet zich realiseren wat er gaande is voordat hij er iets aan kan doen. Vandaar dat elke vorm van inkeer met opbiechten begint. 

Maar onze boer heeft alles voortreffelijk en uitmuntend ten uitvoer gebracht. Wat is hij aan het opbiechten?

Het antwoord hierop zullen wij ontdekken in het feit dat G-d de mens gemaakt heeft en dus precies weet hoe hij in elkaar zit, hoe hij opereert,  lichamelijk, emotioneel, mentaal, psychisch en spiritueel. Verder weten wij dat de wijsheid van G-d en Zijn adviezen in de Torah verborgen liggen.

Wij zullen weldra ontdekken welke raad G-d ons meegeeft omtrent het opbiechten.

Toetje op jurk

Stel, je draagt een mooi kledingstuk. Het is gewassen en gestreken en je draagt het bij een belangrijke gelegenheid zoals een bruiloft. Maar helaas, bij het toetje stoot iemand tegen je aan en je zit onder de chocola. Je begeeft je naar een wastafel om de vlekken te verwijderen en onderweg laat een ober zijn bessentaart met poedersuiker over je heen vallen. Op dat moment is de zaak hopeloos. Je geeft het op. Als iemand nog een restje soep kwijt wil, dan mag het wel op jouw jurk. Als je het nog een jurk kunt noemen, aangezien er nu een metamorfose heeft plaatsgevonden. Een dweil zou nu een betere benaming voor je kledingstuk zijn.

‘Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan nog maar wat soep bovenop.’

Hetzelfde geldt voor je persoonlijkheid, je gevoel van eigenwaarde. Als er al zoveel op geknoeid is, dan heeft het schoonmaken weinig zin meer. Gooi er dan maar nog wat meer bovenop.

Niemand die het verschil zal merken tussen een vieze dweil en een nog viezere dweil. Er is geen noodzaak meer om een mooie jurk, een zuivere ziel, te beschermen.

Als je van jezelf denkt dat alles bij jou een mislukking is, dat je vies en onwaardig bent en dat je medemens en G-d jou niet respecteren en waarderen, ja, wat het heeft het dan voor zin om op te biechten en de smeerboel te verwijderen. Je zit toch al onder de vlekken… nee, je bent één grote vlek.

Als je zo in het leven staat dan zul je nooit tot inkeer kunnen komen. Dan ga je niet eens beginnen om je fouten te wassen. Het heeft toch geen zin. Wel eens iemand tegengekomen die zegt: “Ik doe toch altijd alles fout! “Het gaat zelfs nog een stapje verder; in zo’n geval neem je niet eens verantwoordelijkheid voor je daden. Waarom zou je? Het maakt toch geen enkel verschil. Gooi er nog maar wat soep bovenop! Een overtreding meer of minder, wat maakt het uit? Ik ben toch al vies en verwerpelijk.

Hardop vertellen

Nee, vertelt de Torah ons. Wil je tot inkeer komen, ga dan eens eerst aan jezelf vertellen, hardop, in de Tempel, wie jij bent. Een schepsel in het evenbeeld van G-d gemaakt. Een persoon die ver boven zijn vlekken uitsteekt, iemand die zich niet laat definiëren door zijn  negatieve aspecten.

Ja, er is hier en daar misschien wel een vlekje. Ik heb vlekken maar ik ben geen vle vlek. Ik heb successen geboekt. Ik heb mijn plicht gedaan. Ik ben een goed persoon, die alles wat mij niet toebehoort gegeven heeft aan wie het moest ontvangen. Ik ben de baas over mijzelf.

Als ik de mist in ga, dan kan ik dat corrigeren want ik heb oneindig veel kracht, potentie en mogelijkheden. Ik houd de regie bij mijzelf. Ik heb er controle over en als het fout gaat dan is het precies dat, een vlekje op een prachtige mooie jurk. De jurk is elegant en daar hoort geen vlekje op. Het vlekje wordt meteen verwijderd. Maar op een dweil? Wie maakt zich druk om een schoonmaakdoek, vuil, vuiler of nog vuiler.

Geen vergissing

Ik heb mij misschien vergist, maar ik ben geen vergissing. Ik kan kiezen hoe ik mij verhoud tot het verleden en daardoor ook tot het heden en de toekomst. Als ik mij goed voel en mij realiseer wat ik waard ben dan zal ik automatisch deze waarde willen behouden en elk vlekje willen corrigeren.

Ik wacht ook niet op complimenten en erkenning van anderen. Dit doe ik helemaal zelf. Het is een verplichting, één van de mitswot die ons geboden is. Ik ga het liefst naar de heiligste plek op aarde, de tempel in Jerushalayim en daar ga ik zelf hardop vertellen hoe fantastisch en vlekkeloos ik ben. Zelfs per ongeluk Ik heb zelfs ik niets per ongeluk verzuimd. Ik ben niet afhankelijk van de waardering van anderen.

Eigen waarde

De Torah leert ons dat elke vorm van inkeer en opbiechten begint met het opnoemen van je eigen waarde. De basis voor inkeer is het verklaren van hoe je alles perfect hebt uitgevoerd, je hebt zelfs geen enkele steek laten vallen.

Daarom wordt deze parasha gelezen vlak voor Rosh Hashana en Yom Kipoer. Het is weliswaar geen opbiechten, maar het is daar wel de voorwaarde en de inleiding voor.

Wat een waardevolle les, wat een speciaal leermoment!

Proef je successen, benadruk ze en toon het mooie en pure in jezelf en in anderen. Wil je verandering in het gedrag bewerkstelligen van jezelf of een familielid? Ga dan eerst kijken of er überhaupt wilskracht en potentie aanwezig is. Zorg dat de mensen om je heen (jezelf inbegrepen) een positief geluid horen. Zorg dat jij jouw goede daden “opbiecht”. Vanuit dit positieve gevoel zul jij de wilskracht in jezelf ontdekken om op te biechten, spijt te betuigen en verantwoordelijkheid te nemen voor jouw gedrag in de toekomst.

Alleen als je zelf gelooft dat jij een prachtig schoon en mooi kledingstuk bent waar incidenteel een klein vlekje op terecht is gekomen, zul je bij machte zijn om de viezigheid te verwijderen. Wanneer je dit positieve gevoel bij jezelf weet te ontdekken en te ontplooien, zul jij het ook aan je medemens kunnen doorgeven. Je zult in staat zijn om je kinderen, je levenspartner, je buurvrouw en de bakker in een zuiver en schoon daglicht te beschouwen. Nu ben je klaar voor Rosh Hashana, het Joodse Nieuwjaar en Yom Kipoer. Het zijn dagen van inkeer en bezinning.

Met de wetenschap dat er een fantastische kern in jouw hart en ziel ligt zit zul je in staat zijn om dit jaar om je vlekjes te reinigen, met liefde en respect naar jezelf en je medemens!

Shabbat Shalom en Shana Tova!

Bracha Heintz

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

 

Kie Teetsee | Twee moeders, één koning en een halve baby

Kie Teetsee | Twee moeders, één koning en een halve baby

Hoe Koning Salomon een zwaard naar zich toe liet brengen om een baby doormidden te snijden die door twee vrouwen geclaimd werd. Was dit een dwaze actie van een wrede koning? Laten we samen op zoek gaan naar een diepere betekenis die op subtiele wijze in de Torah verscholen ligt. 

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Koning David leefde niet meer en zijn jonge zoon, Koning Salomon, nam het koninkrijk over. Koning Salomon vroeg aan G-d om hem een ‘begrijpend hart’ te geven: wijsheid en begrip om zijn volk op een rechtvaardige en juiste manier te kunnen berechten. G-d was heel blij met dit verzoek, want Salomon vroeg niet om een lang leven of rijkdom of heerschappij over zijn vijanden. En zo zorgde G-d ervoor dat koning Salomon voor altijd de meest wijze man op aarde zou zijn. (Koningen 1, hoofdstuk 3, vers 9 en 10) 

Twee vrouwen en een baby

Als voorbeeld van zijn unieke wijsheid vinden we in de Torah een bijzonder verhaal dat over de hele wereld bekend is (Koningen 1, hoofdstuk 3, verzen 16 – 28)

Ik citeer

“Er kwamen twee dames naar de koning en zij stonden voor hem. Toen zei de ene vrouw: “Alstublieft, mijn meester, ik en deze vrouw wonen in één huis. En ik ben bevallen met haar in huis. En het was op de derde dag na mijn bevalling en toen beviel ook deze vrouw. En wij zijn samen, er is verder geen vreemde in huis met ons, alleen wij tweeën zijn in huis. En de baby van deze vrouw is overleden in de nacht omdat ze op hem heeft gelegen. En ze is midden in de nacht opgestaan en ze heeft mijn zoon van mij weggenomen en ik sliep en ze heeft hem in haar boezem laten slapen; en haar dode zoon heeft zij in mijn boezem gelegd. En ik stond ’s ochtends op om mijn zoon te voeden en hij was dood; en ik heb hem onderzocht in de ochtend en het was niet de zoon die ik gebaard had.”
En de andere vrouw zei: “Nee, want mijn zoon is levend en jouw zoon is dood.” En de ene zegt: “Nee, want jouw zoon is dood en mijn zoon is de levende.” En ze spraken vóór de koning.

En de koning zei: “Deze zegt ‘dit is mijn levende zoon en jouw zoon is dood’ en deze zegt ‘nee, want jouw zoon is dood en mijn zoon is de levende’. En de koning zei: “Breng mij een zwaard.” En ze brachten het zwaard vóór de koning. En toen zei de koning: “Snij het levende kind in tweeën en geef de helft aan de ene en de helft aan de andere.” En toen zei de vrouw wiens zoon de levende was tegen de koning, omdat haar medelijden voor haar zoon aangewakkerd werd: “Alstublieft mijn meester geef haar het levende kind en vermoord hem zeker niet.” En de tweede vrouw zegt: “Noch ik noch jij zullen het hebben, snijd!” En de koning antwoordde en hij zei: “Geef haar het levende kind en je zult zeker niet doden. Zij is de moeder.”

Heel Israel hoorde het, de rechtszaak die Salomon had berecht en ze hadden veel ontzag voor de koning want zij zagen dat G-ds wijsheid in hem was om te berechten. Einde citaat.

Kind van een ander

Wie kent dit verhaal niet? Het eerste geval van jurisprudentie ooit genotuleerd. Het lijkt zo simpel: de vrouw die medelijden heeft is natuurlijk de echte moeder, daar heb je de wijsheid van Koning Salomon niet voor nodig! Dit is echter een zeer oppervlakkige kijk. Bij het nalezen van de details in het verhaal komen er veel vragen naar boven:

Het kan niet anders dan dat één van de vrouwen liegt. Salomon veronderstelt dat het diegene is die met het hele verhaal aan komt zetten. Natuurlijk concludeert Salomon dat. Immers vertelt ze sowieso al een leugen; haar verhaal kan gewoon niet kloppen. Ze vertelt over een geheimzinnig scenario, een babyverwisseling die plaatsvond terwijl zij zelf verklaart dat ze toen sliep. Hoe weet ze dan zo precies wat er gebeurde als zij zelf niet wakker was? Ok, het kind is dood, maar hoe weet zij dat het gebeurde omdat de moeder op haar baby lag terwijl zij zelf lag te slapen? 

En waarom wil ze dan zo graag dat kind hebben? Omdat haar kind is overleden en ze graag een kind wil hebben? Maar het is al zo moeilijk om je eigen kind groot te brengen. Deze leugenaarster wil kennelijk dit kind dat niet van haar is (hetgeen nog zal moeten blijken) voeden, opvoeden en grootbrengen! Het is al moeilijk genoeg om voor je eigen kind te zorgen, laat staan het kind van een ander.

Waarom doet ze dat? Wat is haar motivatie? Omdat ze zo graag een kind wil hebben? En op het moment dat de koning beslist om het kind te splitsen en de barmhartige moeder ‘nee’ roept en zegt ‘geef het kind aan de andere vrouw’, waarom neemt ze dan niet het kind en gaat er mee naar huis? Dat wilde ze toch! Nu krijgt ze het kind, aangeboden door de koning en de moeder zelf, een zaak besloten door de hoogste macht. Waarom zegt ze dan nee en vraagt ze de koning om het kind toch in tweeën te splitsen? 

Vreselijk

Kennelijk wil ze dat kind helemaal niet. Waarom heeft ze het dan gestolen en er een heel verhaal aan vastgeplakt? Koning Salomon begrijpt al heel gauw dat hier veel meer achter zit.

Nog een vraag: hoe haalt Koning Salomon het in zijn hoofd om een zwaard te laten brengen en een kind te vermoorden? Is het niet genoeg dat er al één kindje is overleden? Weten jullie wel wat er in de wandelgangen van het paleis werd verteld toen hij het zwaard naar zich toe liet brengen? Kunnen jullie je voorstellen wat voor een appjes, mailtjes en sms’jes de wereld rondgingen? “Wij hebben hier geen koning in het paleis, maar een moordenaar!” werd er getwitterd. En wat als de leugenaarster niet zo mesjogge was geweest om te verklaren dat het kind, zoals de koning had voorgesteld, in tweeën gespleten moest worden? Wat als ze gewoon met het kind ervandoor was gegaan, nadat de echte moeder hem aan haar had gegeven? Mooie rechtszaak, dan had de koning het kind aan de verkeerde moeder weggegeven!
 
Rabbi Yehuda bar Ilaï zei: “Als ik daar was geweest, had ik de koning gewurgd.” De juryleden begonnen te zeggen (Kohelet 10-16): “Wat vreselijk voor een land als de koning een tiener is.” Salomon was destijds 12 jaar oud. 

Volgorde

De Malbim observeert de volgorde van beide stellingen van onze twee dames. De ene zegt: “Mijn zoon is levend en jouw zoon is dood.” En de andere, die met het hele verhaal aan kwam zetten zegt het juist andersom: “Nee, want jouw zoon is dood en mijn zoon is de levende.” De ene moeder noemt eerst de levende zoon en de andere moeder eerst de overledene zoon.  Nu is er een principe dat een mens altijd als eerste het belangrijkste noemt.

Voor de ene vrouw is het feit dat haar zoon levend is cruciaal en voor de andere is het juist belangrijk dat de zoon van de andere moeder dood is. Maar dat wisten we al, want wanneer haar de levende zoon aangeboden wordt accepteert ze hem niet en kiest ze voor het splitsen van het kind. Wat een raar gedrag. Wat een dwaas verhaal. Wie is hier nou gek?

De ene moeder heeft een heel verhaal inclusief een leugen. Bovendien claimt zij een kind, maar wanneer het haar aangeboden wordt wil ze het niet hebben en kiest zij ervoor dat hij vermoord wordt. De tweede moeder zegt bijna niets. Als klap op de vuurpijl staat de koning op het punt om een onschuldig kind te vermoorden. Onbegrijpelijke toestanden!
Nu is het natuurlijk zo dat er een Joodse wet bestaat dat als twee mensen een kledingstuk of een stuk stof vasthouden en beide claimen er eigenaar van te zijn, dat het, of de waarde ervan, gesplitst wordt. Maar hoe kun je dit vergelijken? Een stuk stof met een levend kind? Bovendien werd het kind maar door één vrouw vastgehouden!

Deken van de Rebbetzin

Dit doet ons denken aan een zekere Rabbijn Schwartz uit Baku in Azerbaidzhan. Die kreeg zo’n 100 jaar geleden ook met twee dames te maken. Zij kwamen niet met een baby maar met een deken aanzetten. Ze claimden allebei dat het hun eigendom was. Ze waren buurvrouwen en mevrouw A had de mooie warme deken aan de waslijn gehangen, waar ze als goede buren allebei gebruik van maakten. Mevrouw B kon wel een deken gebruiken, vandaar dat zij zich de deken van mevrouw A had toegeëigend. De onenigheid ontstond ’s avonds, toen de was naar binnen werd gehaald.

Rabbijn Schwartz moest dat ook maar even oplossen, maar in het donker was het moeilijk om de deken goed te bekijken. Hij hield de deken in huis voor de nacht en verzocht de dames de volgende dag terug te komen. Ondertussen ontdekte onze Rabbijn in zijn slaapkamer een soortgelijke deken. Deze tweede deken haalde hij de volgende ochtend tevoorschijn. Hij vroeg mevrouw A, de vrouw van wie de deken was gestolen, om eens goed bij daglicht naar deken nummer twee te kijken en te verifiëren of het wel haar deken was.

“Oy, zei ze helemaal verbijsterd, “dit is mijn deken helemaal niet!”. Natuurlijk niet, het was de deken van de Rebbetzin. Ze verontschuldigde zich vele malen bij de Rabbijn en de buurvrouw die ze beschuldigd had.  Mevrouw B was helemaal blij. De rabbijn vroeg haar om goed naar dezelfde deken in het daglicht te kijken. En ja hoor ze bevestigde gelijk dat dit haar deken was.

Vervolgens haalde de Rabbijn de oorspronkelijke gestolen deken tevoorschijn. Mevrouw A herkende haar geliefde deken. Mevrouw B kon toen niet meer zeggen dat die van haar was, aangezien zij de andere deken (die van de Rebbetzin) al als haar eigen deken herkend had, waarop de Rabbijn mevrouw B opriep tot een rechtszaak met zijn Rebbetzin, want die claimde ook dat het haar deken was. 

Yiboem-huwelijk

Heel vaak weet de Rabbijn, de rechter of de koning hoe het in elkaar zit. Blijft er nog de uitdaging over om het te bewijzen. Daar is vaak nogal wat wijsheid voor nodig. Het is soms de schuldige die zich ergens toch vergist en zelf het bewijs aanlevert, zoals wij ook in dit geval gauw zullen ontdekken wanneer het complot met de baby zich verder gaat ontwikkelen.

Terug naar onze wijze koning: Er moet nog een vraag gesteld worden: waar zijn de echtgenoten in dit verhaal? Er wordt hier over leven en dood van een kind besloten en waar vertoeven de mannen? Afwezig, op vakantie, in de kroeg, voetbalwedstrijdje of waren ze misschien naar sjoel gegaan?

En waarom wonen deze twee vrouwen in hetzelfde huis? Zijn ze misschien familie van elkaar? Kennelijk wilde de vrouw met het verhaal dat niet klopte niet zomaar een baby.

De wijze koning Salomon ontdekte al gauw dat beide dames weduwen waren, de ene was de schoonmoeder en de andere de schoondochter. Mannen waren er niet meer.

Heeft U ooit van Yiboem gehoord? Deze mitswa wordt in onze Parasha geleerd en is als volgt: Als een getrouwde man kinderloos (of zonder kleinkind) komt te overlijden dan heeft zijn broer de mitswa om met de weduwe te trouwen. De broer van de overledene trouwt dus met zijn schoonzuster. Het kind dat uit dit huwelijk geboren wordt zal nauw verbonden zijn met de overledene, ten eerste door zijn moeder omdat zij de echtgenote was van de overledene. Ten tweede door zijn vader die de broer van de overledene is. Het kind uit dit Yiboem-huwelijk zal een reïncarnatie zijn van zijn ziel. Zo wordt de continuïteit van de overleden broer gewaarborgd. Mocht de broer of de weduwe dit niet wensen, dan konden ze allebei van hun verplichting om met elkaar te trouwen af. De man moest zijn schoen uitdoen en de vrouw moest spugen. Dit was een procedure met zeer diepe betekenis die de band van beiden met de overledene en tussen elkaar kon verbreken. De weduwe was verbonden met de overledene omdat het haar echtgenoot was geweest. De broer was verbonden met de overledene omdat het zijn broer was. Zo waren de zwager en de weduwe al met elkaar verbonden. Door deze vreemd lijkende handelingen kon deze band verbroken worden en waren ze allebei vrij om een andere levenspartner te kiezen.  

Procedures

Wat is er nu gaande? Beide vrouwen, schoonmoeder en schoondochter zijn weduwen. Vandaar dat ze in één huis wonen, zoals dat vroeger wel vaker gebruikelijk was. Ouders, grootouders, ooms en tantes leefden en woonden dikwijls onder één dak. 
 
Als zij weduwen zijn en zij hebben geen (klein)kind dan is de mitswa van Yiboem van toepassing. Maar zij hebben allebei wel een kind, althans dat hadden ze. Een kind dat binnen een maand na de geboorte overlijdt, wordt volgens de Joodse wet niet als levend beschouwd. 
 
Er zijn hier twee aparte onderwerpen aan de orde. Niet alleen is het van belang om te weten wie van de twee een levend kind heeft, we moeten ook weten wie er geen kind meer heeft. Het lijkt dezelfde vraag maar de nadruk ligt net even ergens anders op. Het zal gauw blijken dat het juist om deze nuance gaat. Hoe dan ook heeft de schoonmoeder geen enkel probleem ten aanzien van Yiboem. Zij hoeft niet met haar zwager te trouwen; welke baby ook overleden is, ze heeft nog steeds óf een kind óf een kleinkind. Dat heeft Koning Salomon al kunnen concluderen. Zij zit niet vast aan een zwager en mag huwen wie zij wenst. Daarentegen zit de schoondochter behoorlijk in de problemen. Haar man is overleden en waarschijnlijk haar kind ook. Als zij geen kind heeft omdat hij in zijn eerste levensmaand overleden is dan is de mitswa van Yiboem op haar van toepassing. Ze zal met haar zwager moeten trouwen. En wie is dat? Wie is de broer van haar man? Dat is de baby van haar schoonmoeder! 
 
Nu hoeft ze natuurlijk niet met hem te trouwen als zij dat niet wil want daar bestaat die procedure voor. Klein probleempje: baby’s doen niet aan procedures. Ze zal moeten wachten totdat deze baby dertien jaar oud is, de leeftijd van Joodse volwassenheid. Dan pas zal de levende baby, die dan dertien zal zijn, de handelingen kunnen verrichten die zijn schoonzuster de vrijheid zal geven om te trouwen met wie zij wil. Tot dan blijft zij verbonden aan haar zwager die nu nog een baby is.  Vandaar dat het in leven zijn van de baby van haar schoonmoeder voor haar een gigantisch probleem is, althans sinds haar baby overleden is. Als haar eigen baby in zijn eerste levensmaand overleden is dan wordt haar overleden man beschouwd als kinderloos gestorven en is de mitswa van Yiboem op haar en haar zwager van toepassing. Ze kan maar beter haar zwager (de baby van haar schoonmoeder) kidnappen en doen alsof het haar eigen kind is. Dan heeft ze punt één geen Yiboem nodig want haar man is niet kinderloos overleden.  Punt twee ze heeft geen zwager, want de baby van haar schoonmoeder is dan zogenaamd dood. 

Splitsingen

Alleen ze zit wel met een kind opgezadeld dat ze moet voeden, opvoeden en grootbrengen. Best lastig. Wanneer Koning Salomon aanbiedt om deze baby, haar zwager te vermoorden, dan is zij helemaal blij. Dan is zij van al haar problemen in één keer af. Het vuile werk, namelijk het vermoorden van de baby wordt door niemand anders dan de koning zelf gedaan! Weliswaar is zij een leugenaar en een kidnapper maar dat wil nog niet zeggen dat zij een moordenaar is. 
 
Koning Salomon wist natuurlijk allang hoe de vork in de steel zat. Hij was nooit van plan om het zwaard te gebruiken. Hij liet het alleen maar naar zich toe brengen. Hij zat gewoon op de reactie van de schoondochter te wachten. Zij is diegene die zich in de nesten heeft gewerkt door het kind dat haar aangeboden werd niet aan te nemen terwijl zij beweerd had dat zij het zo graag wilde omdat het van haar was. Zij heeft zichzelf verraden door te kiezen voor de splitsing van de baby. Zij verklaarde als eerste: “Jouw kind is dood.” en pas daarna “Mijn kind is levend.”. Het belangrijkste voor haar was om een dode babyzwager te hebben waar ze geen 13 jaar op moest wachten voordat zij weer kon trouwen. De ware moeder had maar een kort verhaal: Dit is mijn levende zoon en jouw zoon is dood. Het is de simpele, korte en juiste weergave van de realiteit. De waarheid behoeft geen uitleg.
 
De echte moeder wil niet dat haar kind gesplitst wordt. Een goede ouder zorgt dat zijn kind onopgesplitst opgroeit. Er zijn zo veel splitsingen in het leven. Soms is er een echtscheiding, soms is er ruzie, soms is er een splitsing tussen hetgeen je zegt en hetgeen je doet, tussen jezelf en je eigen Bron en Schepper. Laten we met z’n allen proberen om onze kinderen te laten opgroeien in een wereld die klopt. Een wereld waarin het lichamelijke en het spirituele naadloos in elkaar overgaan, omdat het je lukt om de materie in deze wereld voor spirituele doeleinden te gebruiken. Succes ermee!

Shabbat Shalom!
Bracha Heintz 

Gebaseerd op lessen artikel van Rav YY Jacobson.
Laat het mij weten indien U deze artikelen niet wenst te ontvangen. Vragen en kritiek zijn ook zeer welkom!

 


Helpt u mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org

Even voorstellen

Samen al meer dan 30 jaar in Utrecht aan het werk: rabbijn & rebbeztin Heintz! Lees meer..

Vrienden Joods Utrecht

🕯️🕯️ Shabaton Utrecht🍷🥖

Chanoeka 2020 terugkijken

🎥 Masterclass Joods Monument

Op deze bijzondere locatie in Utrecht vertelt Bracha Heintz over de Joodse geschiedenis van Utrecht en blies Rabbijn Heintz op de sjofar. Bekijk ook de bijdragen van Wim Rietkerk en kunstenaar Amiran Djanashvili. Meer foto’s hier.