Tag: Inspiratie

Wajaak’heel | Waarom G-d voor gebrekkigheid kiest

Wajaak’heel | Waarom G-d voor gebrekkigheid kiest

Wat is waardevoller: een perfecte droom of een gebrekkige werkelijkheid? De Torah lijkt een verrassend antwoord te geven. Juist in een onvolmaakte wereld, vol strijd, ruis en beperkingen, kiest G-d ervoor om dichtbij jou te zijn.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

We beginnen met een reeks opmerkelijke gebeurtenissen, van circa 3340 jaar geleden.

15 Niesan 2448. Op deze dag trekt het Joodse volk uit Egypte.

6 Siewan 2448. Zeven weken later staat het volk aan de voet van de berg Sinai om de Tien Geboden te ontvangen.

• Onmiddellijk daarna beklimt Moshe de berg Sinai. Veertig dagen lang blijft hij daar, verdiept in het leren van de Torah.

17 Tamoez 2448. Na deze veertig dagen daalt Moshe van de berg af. Daar ziet hij hoe het volk het gouden kalf heeft gemaakt en aanbeden. In diepe ontzetting worden de stenen tafelen gebroken.

• Na deze tragische gebeurtenis volgt een periode van veertig dagen waarin het Joodse volk tot inkeer komt en berouw toont.

1 Eloel 2448. Wanneer deze dagen van inkeer voorbij zijn, beklimt Moshe opnieuw de berg Sinai. Voor de tweede keer verblijft hij daar veertig dagen, opnieuw om de Torah te leren.

10 Tisjrie 2449. Aan het einde van deze tweede periode van veertig dagen daalt Moshe opnieuw van de berg Sinai af, ditmaal met een tweede set stenen tafelen. Dit vormt het duidelijke bewijs dat G-d het Joodse volk heeft vergeven. Die dag is Jom Kipoer, Grote Verzoendag.

11 Tisjrie 2449. De volgende dag geeft Moshe het Joodse volk de aanwijzingen voor de bouw van de Tabernakel, de heilige plaats waar men verzoening met G-d kan vinden wanneer er een overtreding is begaan.

Niet op Shabbat

Zo begint onze Parasha. Moshe verzamelt het volk en de constructie van de Tabernakel kan beginnen. Dit is het eerste vers:

וַיַּקְהֵ֣ל מֹשֶׁ֗ה אֶֽת־כָּל־עֲדַ֛ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל וַיֹּ֣אמֶר אֲלֵהֶ֑ם אֵ֚לֶּה הַדְּבָרִ֔ים אֲשֶׁר־צִוָּ֥ה ה’ לַעֲשֹׂ֥ת אֹתָֽם׃    

Moshe verzamelde de hele gemeenschap van Israel en hij zei tegen hen: dit zijn de zaken die G-d geboden heeft om te doen.

Allereerst vertelt Moshe over de Shabbat. Pas daarna richt de hele Parasha zich op de bouw van de Tabernakel.

Wat doen de Shabbatwetten aan het begin van een verhandeling over de Tabernakel? Het antwoord is dat de Shabbatwetten eerst genoemd worden om ons erop te wijzen dat hoe heilig de Tempel ook mag zijn, hij toch niet op Shabbat gebouwd mag worden. Oftewel: het doel heiligt niet de middelen; je kunt de Shabbat niet overtreden, zelfs niet om een Tabernakel te bouwen, zelfs niet om meer spiritualiteit in deze wereld te brengen. Je zou kunnen denken dat als je flink zou doorzetten met het bouwen en ook op Shabbat door zou gaan, dat je dan eerder klaar bent en dat de G-ddelijke aanwezigheid eerder op aarde zal komen. Nee, vertelt de Torah ons, hoe heilig jouw doel ook is, je zult het alleen kunnen bereiken binnen de grenzen en regels die de Torah zelf stelt.

Herhaling

Wat vreemd is, is dat wij in de vorige parshiot in de afgelopen weken al alles hebben kunnen leren over de Tabernakel: de architectuur, de afmetingen, de materialen die ervoor gebruikt werden, de voorwerpen die erin stonden, de kleding van de priesters enzovoort. Alle details zijn uitvoerig besproken. Elk component en elk vers dat eraan besteed werd, vormde het gebod van G-d aan Moshe over de theorie, het plan en hoe de Tabernakel eruit zou moeten gaan zien.

Het tweede boek van de Torah (Shemot) is nu op twee parshiot na uit. We weten reeds alles over de Tabernakel. Waarom hij gebouwd is, hoe en waarmee. De vertellingen over de Tabernakel gaan echter toch door. En zo belanden wij in onze Parasha met een herhaling van alles wat er al in vorige parshiot verteld is. Het onderwerp is nog steeds en weer opnieuw, van vooraf aan, het bouwen van de mishkan, de Tabernakel.

Toch is er een verschil. Tot nu toe zijn de instructies van G-d aan Moshe besproken, maar deze week beginnen wij met de beschrijving hoe het allemaal in de praktijk uitgevoerd werd. Een beschrijving die ook in de parasha van volgende week voortgezet wordt.

Bij het plan in Parashat Teroema en Tetsawè staat er: ‘Je zult maken… en nu in Parashat Wajaak’heel en ook volgende week in Pekoedee staat er’: En hij heeft … gemaakt.’ Verder zijn er geen verschillen.

Wat opvalt, is dat wij in de parshiot van de afgelopen weken al alles over de Tabernakel hebben geleerd: de architectuur, de afmetingen, de materialen die ervoor gebruikt werden, de voorwerpen die erin stonden, de kleding van de priesters enzovoort. Alle details zijn uitvoerig besproken. Elk component en elk vers dat eraan gewijd is, vormt het gebod van G-d aan Moshe. In dit stadium is het allemaal nog theoretisch. Het gaat om een G-ddelijk plan hoe de Tabernakel eruit zou moeten zien.

Het tweede boek van de Torah, Sjemot, nadert inmiddels zijn einde. Er resteren nog twee parshiot. In feite weten wij al alles over de Tabernakel: waarom hij gebouwd moest worden, hoe hij geconstrueerd moest worden en met welke materialen. Toch gaan de vertellingen over de Tabernakel verder. En zo belanden wij in onze Parasha met een herhaling van alles wat er al in vorige parshiot verteld is. Het onderwerp is nog steeds en weer opnieuw, van vooraf aan, het bouwen van de mishkan, de Tabernakel.

Toch is er een belangrijk verschil. Tot nu toe ging het over de instructies die G d aan Moshe gaf. Deze week begint echter de beschrijving van hoe alles daadwerkelijk in de praktijk werd uitgevoerd. Die beschrijving wordt volgende week in Parasjat Pekoedee voortgezet.

Bij het plan in Parashat Teroema en Tetsawè staat er: ‘Je zult maken… en nu in Parashat Wajakheel en ook volgende week in Pekoedee staat er’: En hij heeft … gemaakt.’ Verder zijn er geen verschillen.

Exacte kopie

In plaats van alle componenten van de Tabernakel te herhalen had de Torah het ook anders en vooral korter kunnen formuleren: Er had bijvoorbeeld kunnen staan: ‘Hij heeft alles volgens plan uitgevoerd’ of andere woorden van die strekking. Waarom twee hele extra parshiot: ‘Wajaak’heel’ en volgende week ‘Pekoedee’ aan een ‘herhaling’ wijden? Waarom tientallen zinnen en honderden woorden besteden aan een vergelijkbare uiteenzetting?

We kennen het principe dat er geen enkel woord of zelfs geen enkele letter in de Torah overbodig is. Mocht er iets dubbel staan of ogenschijnlijk een extra woord of letter, dan schuilt daarin een les of een nieuw idee of een nog onbekende wet. Blijft de vraag waarom wij deze week zo veel ‘overbodige’ verzen lezen.

Eén van de redenen is dat G-d zoveel van de Tempel houdt. Een mens blijft spreken over hetgeen waar hij van houdt. Hij wil er voortdurend over vertellen. Alle details en invalshoeken worden belicht. Zo ook blijft G-d vertellen over Zijn huis dat het Joodse volk voor hem aan het bouwen is. Hoe het gemaakt moest worden, van welk materiaal en hoe het er uiteindelijk in de werkelijkheid uitzag.

Een tweede verklaring voor de herhaling is dat het hard nodig is om te benadrukken wat het verschil is tussen theorie en praktijk.

Toen Moshe op de berg Sinai stond heeft G-d hem laten zien hoe hij de Tabernakel moest bouwen:

וַהֲקֵמֹתָ֖ אֶת־הַמִּשְׁכָּ֑ן כְּמִ֨שְׁפָּט֔וֹ אֲשֶׁ֥ר הָרְאֵ֖יתָ בָּהָֽר׃

Jij zult de Tabernakel die ik jou op de berg heb laten zien, volgens zijn regel opstellen.

Op de berg Sinai heeft Moshe een model van de Tabernakel, waar G-d in wilde verblijven, mogen aanschouwen. Het woord מִּשְׁכָּ֑ן (mishkan), Tabernakel, betekent ‘wonen en verblijven’. Wat Moshe daarboven heeft gezien was een concept, een hemelse versie, als voorbeeld voor een toekomstig, nog op te zetten bouwwerk. Moshe zag een beeld van een huis waar G-d zich zou openbaren. Een spirituele tent, bedacht door G-d, getoond in een hemelse omgeving, geschonken aan de meest verheven persoon op aarde, vertegenwoordiger bij uitstek van alles dat spiritueel is, namelijk onze leider en leraar, Moshe Rabenoe zelf.

En nu komt hij van de berg af en kan de constructie daadwerkelijk beginnen. Het Joodse volk heeft als taak gekregen om een hemels concept te vertalen naar een gebouw. Geen eenvoudige taak! Het moest gemaakt worden door niet-volmaakte mensen met aardse materialen. Hout en goud kwamen eraan te pas, zilver, koper en stoffen; allemaal zaken van deze wereld die per definitie nooit volmaakt kunnen zijn.

De Tabernakel die het Joodse volk gefabriceerd heeft, was een exacte kopie van de hemelse versie. Elk meubelstuk, elk detail en voorwerp werd exact volgens de juiste afmetingen geconstrueerd. De verzen zijn dan ook bijna identiek en onze grote geleerde Rashi, die op bijna elk vers in Tenach commentaar geeft, is hier muisstil. Hij heeft hier vers na vers niets uit te leggen. Alles wat hij te vertellen had, heeft hij al bij de eerste versie verklaard.

(Tekst loopt door onder de afbeelding)

Droom en realiteit

Maar het kan toch niet anders dan dat er wel een wezenlijk verschil was? De hemelse versie was door G-d Zelf bedacht. Het was oneindig en perfect. Het tweede model is door begrensde mensen gefabriceerd met materialen uit deze wereld.

In ons leven hebben wij ook twee constructies: onze droom en de realiteit. De ideale constructie zoals die aan Moshe Rabenoe op de berg Sinai is getoond en de replica hier op aarde.

Wanneer we jong zijn hebben wij allemaal een beeld van hoe ons leven er later uit zal gaan zien, een wens en een droom van een ideale wereld. We dromen allemaal van een volmaakt leven, een romantisch huwelijk, ideale kinderen, een mooie carrière, lieve buren, een comfortabele woning en de wens om het liefst met enige regelmaat een exotisch eiland te kunnen bezoeken. Zo hopen en dromen we wanneer we nog jong van geest zijn.

Gebrekkig

We proberen deze magische wereld naar de werkelijkheid te vertalen. Echter worden wij geconfronteerd met moeilijkheden, teleurstellingen, stress, angst, pijn. Kortom: een gebrekkige realiteit. Maar dacht U nou echt dat het bouwen van de Tabernakel op rolletjes liep? In dat geval, let op en lees ook de verhalende literatuur, de Midrash. Hier vind je enkele aanvullende bijzonderheden.

We beginnen met een politiek schandaal van de eerste orde: Moshe Rabenoe kon zich niet herinneren wat hij met een deel van het gedoneerde zilver had gedaan. Al gauw werd hij van diefstal beschuldigd. Hij werd verplicht om een exacte berekening te maken. Later besefte hij dat hij dat zilver had gebruikt om haken te maken. De rust keerde terug.

Nog een probleem dat zich voordeed, was dat Moshe Rabenoe soms niet begreep hoe hij bepaalde voorwerpen moest maken. G-d moest hem een model laten zien, zodat hij het kon uitvoeren. Moshe Rabenoe begreep zelfs helemaal niet hoe hij de gouden Menorah moest vervaardigen. Die moest namelijk uit één stuk goud gemaakt worden en niet uit aan elkaar gesoldeerde onderdelen. Dit was zo ingewikkeld en eigenlijk onmogelijk dat G-d besloot om het zelf te maken.

Vervolgens was de Tabernakel veel eerder gereed dan gepland waardoor men nog vier maanden moest wachten voor de inwijding… ook lastig.

En tot slot lukte het niemand om bij de inwijding de balken op te heffen, zelfs niet in groepsverband. Wat een afgang! Uiteindelijk gebeurde er een wonder en lukte het Moshe Rabenoe om dit helemaal alleen uit te voeren.

Verre van volmaakt

Zo zie je dat de werkelijkheid verre van volmaakt was. Als de Torah alleen had verteld dat de Tabernakel gebouwd werd zoals G-d het aan Moshe op de berg Sinai had geboden, dan had men kunnen denken dat de Tabernakel slechts waarde had zolang het een kopie van de hemelse versie was. Maar nee, de Torah besteedt twee hele parshiot om de constructie te beschrijven nadat de instructie al lang en breed uiteen was gezet. Zo lezen we helemaal opnieuw hoe elk onderdeel in de praktijk gemaakt werd. Alles was weliswaar exact op de centimeter af in elkaar gezet, toch waren er hier en daar struikelblokken en problemen.

Niets is moeilijker en ingewikkelder dan een Tabernakel voor G-d hier op aarde te creëren. In de praktijk zijn er altijd obstakels, belemmeringen en nog meer van dit soort teleurstellingen.

Nu blijft de vraag waar de voorkeur naar uitgaat: een hemels volmaakt heiligdom of een aardse defecte constructie. Het antwoord vinden wij helemaal aan het einde van Shemot (40-34), nadat het bouwen van de Tabernakel afgerond is:

”וּכְב֣וֹד ה’ מָלֵ֖א אֶת־הַמִּשְׁכָּֽן…”

… en de eer van G-d vulde de Tabernakel.

Wat blijkt? G-d geeft de voorkeur aan de aardse Tabernakel boven het hemelse exemplaar om daarin zijn G-ddelijke aanwezigheid te openbaren. Hij had kunnen kiezen om daarboven te blijven in een ‘vertrouwde’ spirituele omgeving. Maar nee, G-d prefereert een gebrekkig bestaan met fouten, problemen en moeilijkheden boven een theoretische volmaaktheid. 

Imperfectie

Zo komen wij met ons persoonlijk leven ook aan de beurt in het verhaal. Per slot van rekening zijn de Torah, het Joodse volk en G-d allemaal één en kan ieder mens zichzelf in de Torah terugvinden en zeker in de Tabernakel. Immers heeft G-d toegezegd dat Hij, net als in de Tabernakel, Zich in ieder persoon zal openbaren.

Onze dagelijkse strijd en worstelingen gaan niet ongemerkt voorbij. Ieder mens leeft met twee werkelijkheden: de persoon die hij graag zou willen zijn en diegene die hij in werkelijkheid is. Maar waar ligt onze focus? Laten wij ons neerwaarts trekken door de rommel in ons leven of proberen we ons op te trekken aan het ideaalbeeld en de droom van wat wij zouden kunnen zijn? Wie is de werkelijke ‘ik’? Onze ware identiteit is dat hogere beeld, alleen hebben we tijdelijk, in deze wereld, te maken met duisternis, verwarring en onduidelijkheid. Het is juist in deze strijd die wij voeren dat G-d ervoor kiest om zich te openbaren. Kennelijk hoeft het allemaal niet zo perfect te zijn. G-d kiest ervoor om zich juist midden in de imperfecties te openbaren, anders had Hij deze wereld helemaal niet hoeven scheppen.

De volgende keer dat je neigt te klagen over hoe het allemaal anders had gekund, hoe je buren het allemaal voor elkaar hebben gekregen en jij niet, hoe jouw dromen uit elkaar zijn gevallen, stop dan even en besef dat zelfs de Tabernakel niet hemels was en dat G-d zich juist openbaart in deze materiële, gebrekkige wereld.

Nog steeds zou je kunnen denken dat de hemelse versie veel mooier en prachtiger is dan zijn aardse replica. Niets is minder waar. Schoonheid is niet altijd wat zij lijkt. De waarheid is dat de pracht en praal van een goede daad in een begrensde wereld niet in de hemel nagebootst kan worden. Daarboven zijn er geen  ziektes, oorlogen, gegijzelden en weduwen van gevallen soldaten. Wanneer je in een chaotische wereld een helpende hand uitsteekt door bijvoorbeeld een boodschap te doen voor iemand, wanneer je je leven riskeert om een ander te redden, wanneer je een G-ddelijk vonkje aansteekt door een aanzienlijk bedrag aan tsedaka te geven of door Shabbatkaarsen aan te steken, dan heb je een echte Tabernakel gebouwd en G-ds aanwezigheid hier op aarde geopenbaard. Hier kan geen hemel tegenop.

Wanneer G-d kijkt naar een mens die worstelt met zijn negatieve gedachten, die vecht om zijn hoofd boven water te houden, die strijdt voor waarheid, integriteit en morele waarden in een soms verdorven samenleving en ruimte weet te maken om aan een ander te denken en hem te steunen, op dat moment kijkt G-d de engelen aan en verklaart: Heb je ooit zoiets moois gezien?

Bracha Heintz
Gebaseerd op artikelen van Rav YY Jacobson
www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen?
Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten!
Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

 

Ki Tisa | Meer verdienen, het geheim uit de Torah!

Ki Tisa | Meer verdienen, het geheim uit de Torah!

Iedereen wil graag meer verdienen. Wij zoeken strategieën, investeren tijd en energie en hopen dat onze inkomsten groeien. Wist je dat de sleutel om je inkomsten jaar na jaar aanzienlijk te vergroten al duizenden jaren in de Torah verscholen ligt? Lees verder en ontdek dit eeuwenoude Joodse geheim.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

In de Tabernakel werden allerlei offers gebracht. Deze bijzondere tent vormde, midden in de woestijn, dé plek waar G-d het Joodse volk de mogelijkheid had gegeven om na de zonde van het Gouden Kalf verzoening te bewerkstelligen. De offers werden daarmee de weg waarlangs de relatie tussen G-d en de mens opnieuw hersteld kon worden.

Offers toen en nu

Er waren individuele offers, bedoeld voor mensen die zelf een fout hadden begaan. Zo konden zij vergiffenis verkrijgen. Dit offer kon naar de Tabernakel in de woestijn worden gebracht en later in de geschiedenis naar de Tempel in Yerushalayim.

Daarnaast bestonden er ook collectieve offers. Zo werd er onder andere elke ochtend en elke middag een schaap op het altaar gebracht. Het ochtendschaap diende om de fouten van het hele Joodse volk die in de nacht waren begaan te vergeven. Het middagschaap was voor de overtredingen van de dag.

Sinds de verwoesting van de Tempel, bijna 2000 jaar geleden, worden er geen offers meer gebracht. Er bestaat namelijk een verbod om offers buiten de Tempel te brengen. Ter vervanging hebben onze geleerden het ochtend- en middaggebed ingesteld, zodat deze overeenkomen met het dagelijkse ochtend en middagoffer dat niet meer gebracht kan worden. Daarom zijn het ochtend en middaggebed verplicht, terwijl het avondgebed, dat geen enkel offer vervangt, facultatief is. Op Shabbat en feestdagen werd er naast het dagelijkse ochtend- en middagoffer nog een extra offer gebracht. Daarom voegen wij op deze dagen, naast het ochtend- en middaggebed, een extra gebed toe, namelijk het Moesafgebed. Moesaf betekent toegevoegd.

Halve shekel

De kosten van de collectieve offers moesten gezamenlijk worden gedragen. De parasja van deze week begint daarmee: een jaarlijkse donatie van iedereen boven de 20 jaar. Het betrof een vast bedrag. Niet meer en niet minder dan een halve shekel per persoon, zie Ki Tisa 30, 11 tot 16. Tegelijkertijd was dit de manier om een volkstelling te verrichten.

Mensen tellen hoort namelijk niet. Koning Sha’oel bijvoorbeeld wilde weten hoeveel soldaten er waren en gaf hen het bevel ieder een bokje te brengen. Hij telde de bokjes en niet de soldaten, zie Shmuel I, 15:4.

Toen koning David het Joodse volk wél rechtstreeks ging tellen, brak er daarna een plaag uit waarbij 70.000 zielen het leven verloren, zie Shmuel II, 24:15.

Moshe telde de munten om te weten hoeveel Joden er waren. Iedereen had een halve munt gegeven.

Waarom een halve munt? Om te laten zien dat wij in ons eentje nooit volmaakt kunnen zijn. Wij hebben altijd een tweede helft nodig, een ander persoon, om het beeld compleet te maken, om de krachten te bundelen, om een geheel te vormen en vooral om bescheiden te blijven. 

Tellen zonder cijfers

Kennelijk is het tellen van Joden geen gunstige zaak, zoals de Talmoed ons leert in Baba Metsia 42a: er kan geen zegen rusten op iets wat gewogen, gemeten of geteld wordt. Het tellen onderscheidt immers de ene persoon van de andere, terwijl voor het ontvangen van G-ds zegen niet de afzonderlijke individuen en hun verschillen doorslaggevend zijn, maar juist eenheid en saamhorigheid.

Wanneer wij in de synagoge willen weten of er een minjan aanwezig is, tien mannen boven de dertien jaar, zodat bepaalde gebeden uitgesproken kunnen worden, nemen wij Psalm 28 ter hand. Vers negen bevat namelijk precies tien woorden. Kijk maar:

הוֹשִׁ֤יעָה אֶת־עַמֶּ֗ךָ וּבָרֵ֥ךְ אֶת־נַחֲלָתֶ֑ךָ וּֽרְעֵ֥ם וְ֝נַשְּׂאֵ֗ם עַד־הָעוֹלָֽם׃ 

Red jouw volk en zegen jouw erfdeel, hoed hen en verhef hen voor altijd.

Wij spreken dit vers hardop uit en bij elk woord wijzen wij één persoon aan. Wanneer het vers volledig is uitgesproken, weten wij of er ten minste tien mannen aanwezig zijn, zonder de mensen met cijfers te tellen.

Geld geven

Onze Parasha begint met de volgende woorden (Ki Tisa 30: 12):

כִּ֣י תִשָּׂ֞א אֶת־רֹ֥אשׁ בְּנֵֽי־יִשְׂרָאֵ֘ל לִפְקֻדֵיהֶם֒ וְנָ֨תְנ֜וּ אִ֣ישׁ כֹּ֧פֶר נַפְשׁ֛וֹ לַה’ בִּפְקֹ֣ד אֹתָ֑ם וְלֹא־יִהְיֶ֥ה בָהֶ֛ם נֶ֖גֶף בִּפְקֹ֥ד אֹתָֽם׃  

Wanneer jij het hoofd van de kinderen van Israel zult verheffen (tellen) volgens hun getallen, en ieder mens zal geven een vergiffenis (de halve shekel voor de offers) voor zijn ziel voor G-d, wanneer jij ze telt en er zal bij hun geen plaag zijn (zoals er bij koning David gebeurde) wanneer jij ze telt.

Vervolgens vertelt de Torah ons hoeveel ieder moest geven, namelijk een halve shekel. Het geld werd gebruikt voor de aanschaf van de dagelijkse collectieve offers. Vandaar dat de donatie in het hierboven genoemde vers niet een donatie wordt genoemd, maar een vergiffenis, omdat het geld gebruikt werd om de offers te bekostigen en de offers vergiffenis brachten.

Wat opvalt is dat de Torah het woord verheffen gebruikt in plaats van het woord tellen. Kennelijk wordt een mens verheven door het geven van geld. De Torah geeft hiermee een duidelijke boodschap: wie geld weggeeft, bereikt een hoger niveau. Wanneer iemand uitsluitend voor zichzelf leeft en niets met een ander deelt, blijft hij in alle opzichten gebonden aan deze lage, materiële wereld. Maar wanneer hij het geld en de materie van deze aarde gebruikt ten bate van een ander, verheft hij zichzelf en treedt hij een andere dimensie binnen.

Montefiore molen

Sir Moses Montefiore was een Joods Britse filantroop die in de negentiende eeuw leefde. Hij was rijk, zeer rijk, en schonk enorme bedragen aan Joodse doelen. Zo liet hij onder andere de molen in Yerushalayim bouwen om de toenmalige, zeer arme bevolking te voorzien van een bron van inkomsten. Deze molen is een aantal jaren geleden gerenoveerd door een bewoner uit Utrecht.

De Molen in Yerushalayim, gedoneerd door M. Montefiore          foto: Ike Harel

Er werd eens gevraagd aan Sir Moses Montefiore wat hij waard was, waarop hij een bepaald bedrag noemde. De vragensteller besefte al gauw dat het genoemde bedrag veel minder was dan wat hij werkelijk bezat. De heer Montefiore reageerde als volgt: “Je vroeg mij niet hoeveel geld ik heb, maar wat ik waard ben. Welnu, ik ben waard en ik bezit datgene wat ik heb weggegeven. Dat kan mij immers nooit worden afgenomen. Met het geld dat ik op de bank heb staan ligt het anders; vandaag staat het er, maar of het er morgen nog is, weet ik niet.”

Met andere woorden, wij als individu zijn een minuscuul en onbeduidend deel van de schepping, totdat wij iets geven. Op dat moment veranderen de verhoudingen. Wanneer wij onze bezittingen, onze talenten of onze tijd met anderen delen, stijgt onze waarde oneindig. Plotseling maken wij een verschil. Wij geven de schepping een nieuwe wending, wij doorbreken de bestaande orde. Zo verheffen wij onszelf van een schepsel dat, zoals een dier, uitsluitend voor zichzelf leeft, naar het niveau van de mens die in staat is zijn natuurlijke hebzucht te beteugelen.

In werkelijkheid bezitten wij uitsluitend datgene wat wij hebben weggegeven.
Dit principe geldt niet alleen voor individuen, maar ook collectief. Kijk maar naar het Joodse volk. Wij vormen slechts 0,2 procent van de wereldbevolking, maar onze bijdrage aan wetenschap, kunst, morele waarden en ethiek is immens groot. Dat is de boodschap die duidelijk in onze Parasha doorklinkt: wanneer je geeft, verhef je jezelf.

Tsedeka zaaien

In Hoshea hfdst. 10 vers 12 staat er:

זִרְע֨וּ לָכֶ֤ם לִצְדָקָה֙ קִצְר֣וּ לְפִי־חֶ֔סֶד

Zaai voor jullie voor Tsedaka, oogst volgens liefdadigheid.

Het geven van tsedaka, geld voor liefdadigheid, wordt vergeleken met zaaien. Net zoals men bij het zaaien kleine, droge zaden in de aarde legt en later prachtige, rijpe en sappige vruchten oogst, zo is het ook met het zaaien van geld. Wat men terugontvangt voor het weggeven van geld staat in geen verhouding tot wat men heeft gegeven. Het is vele malen groter dan wat men ooit heeft gezaaid.

Tsedaka-busje mét molen in Yerushalayim

“Tsedaka redt ons van de dood”, vertellen onze geleerden. En wanneer zij de kracht heeft om van de dood te redden, des te meer kan zij ons behoeden voor minder ernstige narigheden en gevaren. Zo wordt het dagelijks geven van een klein bedrag vergeleken met het opbouwen van een harnas dat uit vele kleine schildplaten bestaat. Elke gegeven munt voegt een plaat toe. Zo ontstaat uit vele kleine giften een krachtig geheel dat de mens omringt en beschermt, zoals de schubben van een vis hem weerbaar maken tegen vijanden en scherpe voorwerpen.

De dochter van Rabbi Akiva

Zo wordt er verteld over de dochter van Rabbi Akiva, hoe een daad van liefdadigheid haar van een zekere dood redde. Rabbi Akiva was een grote geleerde, die door de Romeinen doodgemarteld werd in het jaar 135. U kunt zijn graf in Tiberias bezoeken. Het gebeurde toen hij nog jong was dat waarzeggers hem waarschuwden dat er iets vreselijks met zijn dochter zou gebeuren op de dag dat zij zou trouwen. Ons lot ligt echter niet in de handen van waarzeggers.

G-d staat boven alles. Zelfs wanneer er iets onheilspellends voor een mens bestemd zou zijn, kan hij door goed gedrag en door daden van goedheid zijn lot van het ene uiterste naar het andere keren. Kijk maar naar Ninweh. Deze grote stad zou verwoest worden, maar dankzij de profeet Yonah, die de bewoners waarschuwde voor de door G-d aangekondigde verwoesting, kwamen zij tot inkeer. Hun stad werd niet verwoest.

Ook Rabbi Akiva sloeg geen acht op de woorden van de waarzeggers en liet zijn dochter toch trouwen. In de avond na de bruiloft deed zij haar sluier af. De haarspeld waarmee haar sluier in haar haar had vastgezeten, stak zij in de muur. Toen zij de volgende ochtend de speld uit de muur haalde, ontdekte zij tussen de stenen een dode slang. Zonder het te beseffen had zij de avond tevoren met haar speld de slang in de muur doodgestoken.

Bij het zien van de dode slang schrok zij hevig en rende naar haar vader om hem het voorval te vertellen. Rabbi Akiva zag onmiddellijk het verband met de voorspelling van de waarzeggers. Inderdaad, het leven van zijn dochter had in groot gevaar verkeerd. Zij was gered, dat was duidelijk. Maar wat was haar verdienste geweest dat zij aan een zekere dood was ontkomen?

Rabbi Akiva begreep dat zijn dochter een bijzondere daad moest hebben verricht om deze redding te verdienen. Hij vroeg haar wat er op de dag van haar bruiloft was gebeurd. De jonge vrouw dacht diep na over alles wat zich die dag had afgespeeld. Aanvankelijk kon zij zich niets bedenken. Plotseling kwam er echter een herinnering bij haar boven. Tijdens het huwelijksdiner was een zeer arme man verschenen. Hij had het personeel om eten gevraagd, maar zij waren zo druk met hun werkzaamheden dat niemand hem opmerkte, laat staan hem hielp. Toen had de dochter van Rabbi Akiva zelf gehandeld. Zij, de bruid, liep in haar prachtige gewaad naar de keuken, nam een bord vol eten en gaf het aan de noodlijdende man. Rabbi Akiva begreep het meteen. “Dat is het,” zei hij. “Tsedaka redt van de dood. Omdat jij voor deze arme man hebt gezorgd, is jouw leven gered.”

Een arme man helpen op een bruiloft lijkt slechts een klein detail te zijn te midden van de pracht en praal van de belangrijkste dag van je leven. Toch blijkt een ogenschijnlijk kleinigheid hier op aarde letterlijk van levensbelang te kunnen zijn. Dit geldt voor alles wat wij hier op aarde doen. Een minuscuul virus dat ergens in China opduikt, kan grenzen over de hele wereld doen sluiten en een wereldwijde economische crisis veroorzaken. Wanneer de schaduw van een boom één millimeter opschuift, weten wij dat de zon een enorme afstand in haar baan heeft afgelegd. Zo is het ook met de kleine dingen waarmee wij ons op één dag bezighouden. Hun effect in de spirituele werelden is onpeilbaar.

Voordeel van geven

Zo komen wij bij nog een ander voordeel van het weggeven van geld. Het is één van de weinige mitswot waarvoor een mens reeds in deze wereld wordt beloond. In de Torah staat: geef tien procent, opdat je rijk zult worden. Had G-d het geld niet Zelf eerlijk kunnen verdelen? Als Hij werkelijk wilde dat de armen er beter voor zouden staan, en Hij inderdaad Almachtig is, waarom heeft Hij dan  rijke én arme mensen op aarde neergezet? Waarom niet iedereen gelijkstellen door het geld eerlijk te verdelen? Het antwoord is verrijkend: G-d wilde óns de verdienste geven om een hele grote mitswa te kunnen verrichten.

G-d geeft jou en mij geld in bruikleen. Denk niet dat het werkelijk van ons is. Ons vermogen is niet bedoeld om uitsluitend voor onszelf te gebruiken. Wij verdienen of ontvangen het, om het vervolgens voor een deel weer door te geven. Door zo met geld om te gaan, bewijzen wij onszelf een grote gunst, zowel in deze wereld als in de toekomstige. In plaats van dat de armen ons bedanken, is het juist aan ons om hen erkentelijk te zijn. Zij geven ons immers de gelegenheid om een grote mitswa te verrichten en zo verdienste en bescherming voor onszelf te verwerven. Of het nu gaat om behoeftige mensen of om organisaties die goed werk doen, wij leren de kansen te waarderen die G-d op ons pad brengt om door het geven verdiensten te verzamelen. Zoals ook te lezen is in Dewariem 14:22:

עַשֵּׂ֣ר תְּעַשֵּׂ֔ר אֵ֖ת כָּל־תְּבוּאַ֣ת זַרְעֶ֑ךָ הַיֹּצֵ֥א הַשָּׂדֶ֖ה שָׁנָ֥ה שָׁנָֽה׃  

Je zult een tiende heffen, je zult een tiende heffen van alle oogst van jouw zaaien dat elk jaar uit het veld komt.

Doorgeefluik

Waarom staat er twee keer: “Je zult een tiende heffen”?

Tien in het Hebreeuws is עשׂר en rijk schrijf je met dezelfde letters עשׁר. Het gaat om hetzelfde woord עשר, maar met een subtiel verschil. Het ene schrijf je met de letter שׂ, waarbij het puntje links staat; het andere met שׁ, waarbij het puntje rechts staat. In de Torah staan deze puntjes echter niet. Daarom kan de tekst op twee manieren worden gelezen: enerzijds zou men kunnen zeggen dat het gebod om een tiende te geven door de herhaling wordt versterkt. Herhaling wordt immers vaker gebruikt om iets extra kracht bij te zetten. Anderzijds kan men het vers ook zo lezen: geef een tiende, opdat je rijk zult worden, in materiële en spirituele zin. Want het geven van tsedaka is één van de weinige mitswot waarvoor een mens al in deze wereld wordt beloond. Zo bezien staat er niets tweemaal. De eerste עשׂר betekent een tiende en de tweede עשׁר betekent rijk worden.

Stel je voor dat je op een verjaardagsfeestje bent en dat er een schaal vol lekkernijen aan jou wordt aangeboden. Is alles dan voor jou, of is het de bedoeling dat je een deel neemt en de schaal vervolgens doorgeeft aan je buurman? Zo geeft G-d ons in deze wereld schalen vol met lekkernijen, geld en andere geschenken. Zou het de bedoeling zijn om alles voor onszelf te bewaren? Is het werkelijk van ons? Of zullen we als doorgeefluik functioneren en alleen bewaren wat wij nodig hebben? Daarom heet het weggeven van geld in het Hebreeuws niet liefdadigheid, maar tsedaka, wat rechtvaardigheid betekent. Wie geeft, verricht eigenlijk niets buitengewoons. Hij doet slechts wat juist en rechtvaardig is. Het geld is ons immers slechts in bruikleen gegeven, opdat wij het verder doorgeven. Het is nooit werkelijk van ons geweest.

Met dit inzicht zal het geen moeite meer kosten om te geven. Want wie zou bezwaar hebben tegen het teruggeven van wat eigenlijk aan de oorspronkelijke eigenaar toebehoort, terwijl men er bovendien nog een grote verdienste aan overhoudt?

Belangrijkste gebod

Als klap op de vuurpijl verdient nog één punt bijzondere aandacht: in de geschriften wordt tsedaka vaak aangeduid als dé mitswa, het belangrijkste gebod dat een mens hier op aarde kan vervullen. Onze geleerden vertellen in de Talmoed (Soeka 49b) dat het geven van geld evenveel waard is als het brengen van alle offers.

Tsedaka is niet alleen van groot belang, zij is allesomvattend. Want ziet u, geachte lezer, wanneer u een willekeurige goede daad verricht, gebruikt u meestal slechts één bepaald deel van uw lichaam. U luistert naar de sjofar en naar de Megila met uw oren. U bestudeert de Torah met uw verstand en u gebruikt uw mond om vriendelijke woorden te spreken.

Maar wanneer u geld weggeeft, geeft u in zekere zin uzelf. Dat bedrag is immers vaak een deel van het salaris dat u hebt verdiend door er al uw krachten in te leggen. Uw hele lichaam is erbij betrokken geweest. Denk alleen al aan de energie die het kost om op tijd op uw werk te verschijnen, en aan alle inspanning en concentratie die nodig zijn om uw werk te verrichten. Al die inzet ligt besloten in dat geldbedrag, en juist daarom verheft u bij het doneren van een deel van uw salaris iets van uzelf.

Wanneer u tien procent van uw netto inkomsten weggeeft, verheft u niet alleen het gedeelte dat u schenkt, maar ook het deel dat u voor uzelf behoudt. Die tien procent staat immers in verbinding met en is afhankelijk van de resterende negentig procent. Zo wordt het geheel naar een hoger niveau getild, zowel de tien procent als de negentig procent.
Bovendien krijgen alle handelingen die u verricht om uw werk te doen en uw salaris te verdienen een hogere betekenis. Uzelf, uw werk én uw geld worden door het geven van tsedaka met een eeuwige vonk geïnjecteerd.

Maar wat als het geld niet door jezelf is verdiend? Misschien heb je het ontvangen, geërfd of op een andere manier verkregen. Ook dan verhef je zowel het gegeven deel als het deel dat je behoudt wanneer je er een percentage van weggeeft. Jij had dat geld immers kunnen gebruiken om in jouw levensonderhoud te voorzien. Jij had er voedsel mee kunnen kopen, een onderkomen mee kunnen regelen of er allerlei genoegens mee kunnen bekostigen.

Wanneer je er toch voor kiest een deel ervan weg te geven, zet je feitelijk al deze mogelijkheden opzij. Door tsedaka te geven schenk je een deel van je eigen leven. Daarom leren onze wijzen dat zelfs iemand die van giften leeft, nog steeds tien procent van zijn ‘inkomen’ behoort weg te geven aan een ander, al is het maar één cent. Want waarom zou de arme mens de mogelijkheid worden ontnomen om bescherming te verkrijgen en rijk te worden?

En ik durf het te zeggen: ga ervoor! Regel die maandelijkse afschrijvingen en zorg dat, zodra er geld binnenkomt, er ten minste tien procent onmiddellijk opzij wordt gezet. Vul je huis en je zaak met tsedakabusjes. Begin de dag door elke ochtend een munt in het gleufje te laten vallen. Zo voeg je dag in dag uit een nieuwe schildplaat toe aan het harnas dat jou en je gezin dag en nacht zal omringen en beschermen. Tegelijkertijd open je daarmee de weg naar grotere inkomsten. G-d beschouwt je dan als een partner en vertrouwt je steeds meer toe, wetende dat wat Hij jou geeft niet bij jou blijft, maar verder wordt gedeeld.

Zorg dat het busje zo vol raakt dat je de muntjes erin niet eens meer hoort rinkelen. Wees dankbaar dat je de gelegenheid hebt om dé mitswa te vervullen. Je zult het weggegeven geld nooit en te nimmer missen. Integendeel, je ontvangt het letterlijk dubbel en dwars terug.

Hoe meer je geeft, des te rijker je wordt. Durf je?

Gebaseerd op Tanya.

Doneren? Dat kan!

Elke bijdrage (liefst maandelijks), hoe klein of groot waarderen wij enorm! Hiermee kunnen we het werk van Chabad Utrecht voortzetten. Op dit moment zijn we bezig met maatschappelijk werk, individuele hulp, artikelen schrijven, videoclips maken, lesgeven en vele activiteiten te organiseren.

Door uw hulp kunnen wij weer anderen helpen!

1. Een overmaking kan op bankrekeningnummer NL50ABNA0596801084 ten name van “Stichting vrienden van de Joodse gemeenschap Utrecht”. Of kijk hier voor doneren via iDeal & Paypal.

2. Thuis sparen? Vraag een gratis tsedaka-busje aan via de e-mail of bel Bracha: 06 28 47 86 57

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

Teroema | Waar G-d zich thuis voelt

Teroema | Waar G-d zich thuis voelt

De Torah heeft slechts eenendertig verzen nodig om de schepping van hemel en aarde te beschrijven, maar wijdt honderden verzen aan een verplaatsbare tent in de woestijn. Waarom krijgt een verdwenen bouwwerk meer woorden dan het ontstaan van het universum zelf? Waarom beschrijft de Torah tot in de kleinste details een Tabernakel, de zogenaamde Mieshkan die al duizenden jaren niet meer bestaat? En waarom staat er dat G-d niet alleen in de Tempel zal wonen, maar ook in ons?

Wie deze vragen volgt, ontdekt dat de Torah geen geschiedenisboek is, maar een handleiding voor het leven.
Niet om te vertellen wat ooit was, maar om te onthullen wat vandaag nog steeds mogelijk is: dat een mens van zijn eigen leven een woning voor het G-ddelijke kan maken.

Download hier de printversie van dit artikel (PDF)

`  “ועשו לי מקדש ושככנתי בתוכם” (Teroema 25-8)

U zult een Tempel voor Mij maken en Ik zal in hen verblijven.

Grammaticaal gezien klopt deze zin niet. Er had moeten staan: “en Ik zal erin verblijven”, niet “in hen”. Juist deze ogenschijnlijke ‘fout’ prikkelt onze nieuwsgierigheid en, zoals altijd in dergelijke gevallen, wil de Torah ons daarmee ergens op attent maken.

Juist in deze opmerkelijke afwijking ligt de volgende les besloten: de G-ddelijke aanwezigheid rust niet uitsluitend in de Tempel of in de synagoge, maar in ieder mens. Iedereen is in staat, waar ook ter wereld (niet alleen in Jeruzalem), en te allen tijde (ook nu) om van zichzelf een G-ddelijke woning te maken.

Huis voor G-d

De kernvraag is eigenlijk waarom zou G-d een verblijfplek nodig hebben? Welke toegevoegde waarde zou een tempel voor Hem hebben, terwijl Hij hemel en aarde vervult? G-d is volmaakt. Per definitie ontbreekt Hem niets. Hij is volledig, en niets kan aan Hem worden toegevoegd.

Alle geboden die G-d ons opdraagt uit te voeren, zijn ons gegeven omdat zij goed voor ons zijn. Wíj hebben ze nodig om fysiek, spiritueel, emotioneel en mentaal gezond te blijven. Elk gebod en elk verbod dat wij naleven, helpt ons een evenwichtig leven te leiden, zowel materieel als spiritueel.

Hieruit kunnen wij concluderen dat niet G-d, maar wijzelf degenen zijn die het nodig hebben om voor Hem een woning te maken.

Daarmee blijft de vraag wat met een verblijfplaats wordt bedoeld.
De woning van een mens is de plek waar hij zich thuis voelt, waar hij tot rust kan komen omdat alles naar zijn wensen is ingericht. Hetzelfde geldt voor het huis van G-d: het is de plaats waar Hij als het ware ‘comfortabel’ is en Zich ‘prettig voelt’.

Wij zijn in staat om van ons leven een G-ddelijke woning te maken. Dat wil zeggen dat wij ons bestaan zo kunnen inrichten dat G-d Zich bij ons prettig voelt. Wanneer wij een leven leiden waarin wij de geboden en verboden van de Torah naleven, voelt G-d Zich bij ons thuis en kan Hij ons als Zijn woning beschouwen.

In de Tempel werden talrijke handelingen verricht die deel uitmaakten van de dienst, geheel overeenkomstig de geboden van G-d. Juist daarom openbaarde G-d daar Zijn aanwezigheid. Kennelijk heeft dit een zo diepe indruk nagelaten, dat de plaats van deze Tempel, zelfs tweeduizend jaar na zijn verwoesting, nog altijd doordrenkt is van deze G-ddelijke, spirituele energie. Zozeer zelfs dat mensen tot op de dag van vandaag bij de Westelijke Muur van de Tempelberg nog steeds iets heel uitzonderlijks ervaren.

G-d gebiedt ons in bovengenoemd vers om van onszelf een heiligdom te maken, een thuis voor G-d, een plek waar Hij zich prettig voelt.  Een huis waar Zijn aanwezigheid regelmatig voelbaar is. Wij zijn door onze handelingen in staat om G-ds aanwezigheid in onszelf te openbaren. G-d zal zich dan via ons in meer of mindere mate manifesteren, door bijvoorbeeld ons te helpen, ons te beschermen en hier en daar wondertjes of, zoals mensen het noemen, ‘toevalligheden’ te laten gebeuren. 

Geschiedenisboek of niet?

De Torah oogt als een geschiedenisboek. Zij opent met de schepping van hemel en aarde, waarna alle schepselen worden genoemd. Het relaas vervolgt met de eerste mens en zijn nakomelingen. Vervolgens komen de aartsvaders aan bod, de ballingschap en de uittocht uit Egypte en de aankomst in Israël. Alles leest als een boeiend verhaal, maar die indruk is enkel schijn.

Bij nader onderzoek blijkt al gauw dat niet alles in chronologische volgorde beschreven staat. Sommige evenementen, die pas later gebeurden, worden eerder genoemd. Ook blijkt dat vele generaties amper genoemd worden, terwijl over andere heel uitgebreid verteld wordt. Sommige gebeurtenissen worden tot in detail besproken en andere voorvallen worden niet eens genoemd.

Neem bijvoorbeeld de schepping van de wereld, een buitengewoon groots project. Daaraan worden slechts 31 verzen gewijd; daarmee moeten wij het doen. In deze 31 zinnen liggen alle geheimen van de schepping besloten. Hoewel er in onze wereld nog veel te ontdekken valt, zowel in de macrokosmos, het heelal, als in de microkosmos, onder een vergrootglas, vertelt de Torah daar opmerkelijk weinig over.

Als de Torah geen geschiedenisboek is, wat is het dan wel?

Aanwijzing

Het woord Torah is af te leiden van het woord הוראה (hora’a) dat laten zien en aanwijzing betekent. De Torah beschrijft alleen díe gebeurtenissen waar wij voor altijd een les uit kunnen leren. Uitsluitend die verhalen waaruit een eeuwige lering getrokken kan worden zijn in de Torah opgenomen. Wanneer een vertelling bepaalde levensvaardigheden kan instrueren, zelfs nog in de 21ste eeuw, pas dan wordt het vermeld. In elk relaas moet iets verborgen liggen dat ook voor onze generatie betekenis heeft.

Het kan dus heel goed zijn dat onze aartsvader Avraham, of Moshe Rabenoe bijvoorbeeld, buitengewoon bijzondere daden heeft verricht. Toch worden deze in de Torah alleen vermeld wanneer er een les in besloten ligt die van blijvend, eeuwigdurend belang is. Ook in het scheppingsverhaal worden uitsluitend die aspecten beschreven waaruit een mens te allen tijde lering kan trekken.

Bij het ontstaan van de wereld is ongetwijfeld veel gebeurd, maar kennelijk zijn 31 verzen voldoende om ons inzicht te geven in juist die zaken die voor óns van betekenis zijn en waaruit wij, tot de 21ste eeuw toe, inspiratie kunnen putten om ons handelen naar een hoger niveau te tillen.

Eerste synagoge

De eerste helft van Sjemot (het tweede boek van de Torah) beschrijft de ballingschap in en de uittocht uit Egypte, met als hoogtepunt het ontvangen van de Torah op de berg Sinaï. Helaas liep deze grote spirituele openbaring verkeerd af. Doordat het Joodse volk zich met één dag had vergist in de berekening van Moshe Rabbenoe’s terugkeer, ontstond de indruk dat hij voorgoed was verdwenen. In die korte, maar ontwrichtende periode van verwarring en onzekerheid verloor het volk zijn geloof en vertrouwen in G-d en werd het Gouden Kalf vervaardigd en aanbeden. De drang tot afgoderij bleek te groot en de verleiding te sterk.

Daarna moest er verzoening plaatsvinden tussen een Almachtige G-d en een volk dat het geduld niet had kunnen opbrengen om te wachten tot Moshe, onze leraar, van de berg Sinaï zou terugkeren.

G-d had geen vertrouwen meer in het Joodse volk en wilde het in zijn geheel uitroeien. Zijn wens was om met Moshe en zijn afstammelingen een nieuw volk te stichten, gelijk Hij dat met Noach tijdens de zondvloed had gedaan. Maar Moshe wilde hier niets van weten. Hij was een ware leider en kapitein en hij zou zijn schip niet verlaten. Hij stond vierkant achter het volk waar hij onvoorwaardelijk van hield. Hij eiste van G-d dat Hij het volk zou vergeven, hetgeen ook geschiedde.

Een tent mocht gebouwd worden, een huis voor G-d: de eerste synagoge, een plek waar verzoening plaats zou vinden tussen G-d en de mens, niet alleen toen, maar voor altijd. Dit werd de Tabernakel, de Mieshkan, genoemd. Het was een constructie die makkelijk opgebouwd en afgebroken kon worden, waardoor deze bij elke etappe in de woestijn getransporteerd kon worden. In deze verplaatsbare Tempel waren er o.a. altaars, een gouden menorah en een bovennatuurlijke driedubbele doos, met een engelachtig deksel van goud waar de stenen tafelen in bewaard zouden worden.

Plek van verzoening 

De offers die men in de Tabernakel ging brengen zouden verzoening teweegbrengen tussen het Joodse volk en G-d. Collectieve offers werden gebracht om het volk als geheel te vergeven. Maar ook individuen die over de schreef waren gegaan konden toenadering bewerkstelligen door middel van een offer.

Het Hebreeuwse woord voor offer is korban (קרבן), dat ‘nabijheid’ en ‘toenadering’ betekent. Want waarom begaat iemand een overtreding? Omdat zijn band met G-d op de een of andere manier is verzwakt. Zijn geloof is minder krachtig geworden en zijn enthousiasme mogelijk afgezwakt. Daardoor raakt hij verleid tot bezigheden die niet aansluiten bij zijn ware Joodse kern; hij doet iets wat niet in overeenstemming is met de wil van zijn Schepper.

Toch is niet alles verloren. De gelegenheid wordt hem geboden het weer recht te zetten. Hij kan een offer, een korban, brengen. Hij begeeft zich naar de Tempel en verricht alle handelingen die bij het brengen van een offer behoren, terwijl hij zich bevindt op de heiligste plaats op aarde, een plek waarvan onze geleerden vertellen dat zich daar dagelijks tien wonderen voltrokken (Pirkei Awot 5:5). Het is een unieke ruimte op aarde, die altijd een bezoek waard was en dat nog steeds is, een plaats waar mensen tot op de dag van vandaag iets heel bijzonders ervaren. 

Inmiddels zijn wij duizenden jaren verder. De Tabernakel uit de woestijn bestaat al lang niet meer en de twee Tempels in Jeruzalem zijn al millennia geleden verwoest. Het enige wat daarvan is overgebleven, is een klein gedeelte van de westelijke muur, en zelfs dat maakt geen deel uit van de Tempel zelf, maar van de ommuring rond de Tempelberg. Toch voelen bezoekers tot op de dag van vandaag diep ontzag op deze plaats. Men ziet hen daar staan: ernstig, ontroerd en geïnspireerd. En vanzelfsprekend, wat zou men anders verwachten? Want deze plek is dé ontmoetingsplaats waar de mens zijn verbondenheid met de Almachtige kan bekrachtigen.

Het begon allemaal met een gouden kalf, een noodzaak tot verzoening en de bouw van een heilige tent.

Toen het Joodse volk 40 jaar later in Israël arriveerde, kreeg het de opdracht om van deze tijdelijke Tempel een vast huis voor G-d te bouwen. Dit gebod werd honderden jaren later door Koning Salomon voltooid.

Beschrijving Tabernakel

De voorwerpen in de Tabernakel en de kleren van de priesters worden allen uitvoerig besproken: hoe zij eruit moesten zien, hoe en door wie zij vervaardigd moesten worden, wat hun afmetingen waren, uit welke materialen zij gemaakt mochten worden, goud, zilver, koper, hout, edelstenen, stoffen enzovoort, en welke donaties er werden gegeven.

Eénendertig verzen volstaan om de schepping te beschrijven, terwijl er maar liefst 371 nodig zijn voor de Tabernakel, een bouwwerk dat niet meer bestaat en voornamelijk in de woestijn dienstdeed. Dit contrast kan niet worden genegeerd. Voor een oneindige G-d schijnt het niet zo bijzonder te zijn een begrensde wereld te scheppen. De 31 verzen volstaan om dit kunstje te beschrijven. Maar voor ons, om G-d opnieuw in deze geschapen wereld te ontdekken, zijn kennelijk 371 verzen nodig.

Wij zijn na meer dan 5000 jaar nog steeds bezig om de wereld te doorgronden, om nog verder in het heelal te kijken, om nieuwe diersoorten op aarde te ontdekken. Over de hele wereld, in alle universiteiten wordt er d.m.v. research keihard gewerkt aan het ontdekken en ontrafelen van nog meer fenomenen, verbanden en mutaties. Maar voor G-d was het met enkele luttele 31 verzen gepiept. Anderzijds komt er heel wat bij kijken als een begrensd wezen, zoals de mens, een thuis moet maken voor een oneindige G-d. Dit is gecompliceerd en daar is veel tekst en uitleg voor nodig, wel 371 verzen.

Plek waar spiritualiteit kan gedijen

Er komt heel wat bij kijken als iemand van het materiële hier op aarde een heiligdom wil vormen. Wanneer het de mens lukt om de wereld om zich heen te verheffen, dan heeft hij een Tabernakel gebouwd, zelfs 2000 jaar nadat het echte gebouw verwoest is. Dit kan hij bijvoorbeeld bereiken als hij niet zomaar iets eet, maar ervoor zorgt dat het een koshere hap is. Bovendien kan hij ook nog de energie van dit voedsel gebruiken om een goede daad te verrichten. Nu heeft hij alle ingrediënten van zijn eten en alle handelingen die verricht zijn om dat eten te bereiden, naar een niveau gebracht waarvan wij zeggen: dit is een plekje dat dichtbij G-d is.

Dit is een Tabernakel, een Tempel, een plaats waar G-d zich thuis voelt omdat de handelingen die erin verricht worden volgens de Torah-code en instructies zijn. Dit kan overal en altijd bewerkstelligd worden, ongeacht de aanwezigheid van een Tempel, synagoge of Klaagmuur. Het enige wat hiervoor nodig is, is een mens, jij of ik, een stukje materie en een gebruiksaanwijzing,  de Torah.

De gebeurtenissen bij de berg Sinai hebben een grote omwenteling teweeggebracht: vóórdat de Torah gegeven werd, was een goede daad geweldig, maar daar bleef het bij. Deze daad bleef vaststeken in de materiële wereld. Bij de berg Sinai trad een wezenlijke verandering op. Moshe Rabenoe ging naar boven op de berg en G-d daalde af, naar Moshe toe. Er vond een ontmoeting plaats tussen de hogere en de lagere werelden. Vanaf dat moment zou de materie, waarmee een goede daad verricht werd, opgaan in een hogere wereld. Ook de persoon zelf die een gebod uitvoert zou een spirituele verandering ondergaan. De G-ddelijke aanwezigheid zou zich hier op aarde zowel in de materie als in de mens zelf openbaren. G-d zou zichzelf openbaren door middel van een door ons uitgevoerde mitswah. De G-ddelijke aanwezigheid, zoals die in Gan Eden voelbaar was en die door alle fouten van vele generaties van de aarde verdwenen was, was in de Tabernakel weer teruggekomen.

Als een mens erin slaagt om de gebroken stukjes van zijn leven bij elkaar te rapen en er een huis voor G-d van weet te maken, is dat heel bijzonder. Als het hem lukt, al is het maar voor even, om een plekje hier op aarde te creëren waar G-d zich thuis voelt, waar spiritualiteit kan gedijen, dan heeft hij een woning voor G-d gecreëerd. 

Het wonder van G-d en het wonder van de mens

Het leven bestaat uit tegenstellingen. De ene dag zijn we geïnspireerd en kunnen we de hele wereld aan. De volgende dag vragen wij ons af waar al onze lusten en begeertes vandaan komen en hoe wij zo diep hebben kunnen zinken. Wat is het toch wat ons steeds weer naar beneden sleurt en ons tot de meest afschuwelijke en lage gedachten en daden brengt?

Wij zijn geen engelen die nooit kwaad verrichten en constant in harmonie met hun bron weten te leven. Volmaaktheid wordt dan ook niet van ons verwacht. Wel moeten we steeds een strijd leveren tegen allerlei negativiteit die in ons opkomt d.m.v. een stemmetje in ons hoofd dat ons probeert te overtuigen om iets verkeerds te doen. Hierbij gaat het om de inspanning en niet per se om het resultaat. Een mens vergeet herhaaldelijk waar hij vandaan komt en wat hij met de wereld aan moet. Door zijn blindheid heeft hij moeite om de G-ddelijke vonken uit de materie te halen.

Het Jodendom is geen religie die zich voornamelijk in een synagoge afspeelt. Het G-ddelijke aspect kan overal ontdekt worden, zelfs in de woestijn. Juist in de wildernis wordt een Tabernakel gebouwd! Midden in je eigen chaos en rommel kun je dat vonkje aansteken.

De schepping van de wereld, het veranderen van energie in materie, dat is een wonder van G-d. Het terugkoppelen van de materie naar de bron, het ontdekken van de G-ddelijke energie in de kleinste details van de materie in ons leven, dat is het wonder van de mens. Daar is innovatie en creativiteit voor nodig.

Als je naar de bouwplannen van de Tabernakel kijkt, merk je dat G-d aandacht heeft voor elk detail. Ineens blijkt elke balk, spijker, knoop en lus van belang te zijn. Waar het zich bevindt, hoeveel ervan zijn, van welk materiaal het gemaakt moet worden etc… Het is een opsomming van de kleinste details, waarbij vaak halve maten gebruikt moeten worden.

Ons leven is ook vol kleine details en zelfs halve stukjes. Was je eerlijk bij de kassa vandaag? Heb je de mensen die je op straat tegenkwam op een respectvolle manier gegroet? Heb je de sjabbatkaarsen nog net op tijd aangestoken? Had je nog een glimlach over voor je leerling? Was je aardig tegen je werknemer en vooral tegen je broer, je moeder en je echtgenoot? Heb je een bracha gezegd voordat je dat kleine schijfje appel in je mond stopte? Heb je de verleiding kunnen weerstaan, al is het maar eventjes, om niet….?

Energie openbaren

Denk niet dat het een alles-of-niets-spelletje is. Nee, elke keer dat je moeite doet om in deze wereld de materie, je geld of je liefde te gebruiken en deze naar een hoger niveau te tillen, heb je weer een detail, een bouwsteen toegevoegd aan de constructie van een Tabernakel, een thuis voor G-d, een plek op aarde waar G-d zich prettig voelt. Een moment in je dag waarin je voelt dat het allemaal klopt, dat het zo hoort, dat je goed bezig bent. En ja, het gaat honderd keer mis, maar dat ene vonkje dat je steeds weet te ontdekken maakt het verschil. Het is die halve maat, dat kleine stapje. Al die vonkjes bij elkaar resulteren in een warme vlam en een prachtige constructie. Het kost veel tijd en moeite. De 371 verzen zijn nodig om de energie te openbaren die G-d in deze wereld heeft verstopt.

De Talmoed heeft het geheim al lang verklapt (Ketoebot 5a): Bar Kapara wordt geciteerd en vertelt ons dat “De daden van goede mensen op een hoger niveau zijn dan de schepping van hemel en aarde”.

Ja, wij zijn het die, ongeacht ons spiritueel niveau, dagelijks een detail kunnen toevoegen aan het bouwen van de derde Tempel, met de komst van Mashiach, spoedig in onze dagen! Amen…

Bracha Heintz

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!


Gebaseerd o.a. op een artikel van YY Jacobson

Tekst: Bracha Heintz | Opmaak: Rianne Meijer, Sonja Tamam & Devorah Verwoerd