Tag: Parasha

Vier (4) Pesach!

Vier (4) Pesach!

Het magische getal van Pesach is vier. We drinken vier bekers wijn, stellen vier vragen en verwelkomen vier verschillende types kinderen aan tafel. Deze vier kinderen en hun vragen staan voor vier geluiden die wij allemaal in ons eigen hart tegenkomen. Welke stem herken jij?
 
 
Met Pesach drinken we vier bekers wijn, stellen we de vier Ma Nishtana-vragen en hebben we vier kinderen aan tafel:
Eén (echad) is wijs.
Eén gedraagt zich slecht.
Eén is onschuldig.
En één die niet weet wat hij vragen moet.

De eerste twee avonden van Pesach staan in het teken van communicatie. Het is hét moment van het jaar waarop vaders het Jodendom doorgeven aan hun kinderen. Volgens een vaste structuur, de seder, wat letterlijk ‘orde’ betekent, ontvouwt zich een zorgvuldig opgebouwd ritueel van vijftien stappen. Het is een avond van vragen en antwoorden, kussens en kleedjes, zoute tranen en herinneringen aan bloed, en deuren die geopend worden om daarna weer gesloten te worden. Bittere kruiden en zoete charoset, droge matsa en gevulde bekers wijn: alles spreekt, alles vertelt, het is live!

Passende antwoorden 

Met wie communiceren wij?
Met vier verschillende types, de vier zonen. De Hagada leert ons om iedereen te benaderen zoals hij is: ieder kind krijgt een antwoord dat bij hem past.

Maar waarom staat er steeds vóór elke zoon het woord ‘één’? Waarom worden niet alle vier de kinderen achter elkaar opgesomd? Waarom staat er niet: de Torah spreekt over vier zonen, de wijze, de slechterik, de naïeveling en de onwetende? Maar zo staat het er niet. Kijk maar: ‘Eén is wijs, één is slecht, één is naief en één die geen vraag kan stellen’. En waar halen onze geleerden deze vier zonen überhaupt vandaan?

Op vier verschillende plaatsen in de Torah gebiedt G-d ons om de geschiedenis van de uittocht uit Egypte aan onze zoon te vertellen. Vier keer hetzelfde? ‘Nee’, concluderen onze geleerden. Als het vier keer genoemd wordt, zitten er vier verschillende gedachtes achter. Dit zijn de vier verschillende zonen en natuurlijk ook de vijfde die nergens genoemd wordt omdat hij helaas afwezig is.

Vier in één

Het volgen van het stappenplan kan nu beginnen, mits je elk type benadert op een manier die hem aanspreekt. De Hagada helpt ons verder en biedt kant-en-klare antwoorden en oplossingen. Een les in pedagogiek van de hoogste klasse, direct uit de Torah gehaald! Maar de herhaling van het woordje één blijft verbazen. De achterliggende gedachte is dat alle vier, hoe verschillend dan ook en hoe tegenstrijdig dan ook, eigenlijk één zijn. Wij zijn namelijk zelf die ene persoon en in onszelf schuilen vier zonen, vier types met elk een vraag. De Hagada geeft ons vier antwoorden.
 
Niet alleen onze kinderen hebben vragen over, bezwaren tegen, moeilijkheden met en kritiek op het Jodendom. Die hebben wij zelf natuurlijk ook. Soms één soort vraag, soms twee, soms drie of zelfs vier…
 

Vraag 1: waarom zoveel verschillende wetten?

Het wijze kind, d.w.z. het wijze aspect in ons, stelt de eerste vraag: ‘Waarom hebben wij eigenlijk zoveel verschillende wetten: Edoet (de begrijpelijke regels), choekim (de onbegrijpelijke regels) en mishpatiem (de civiele regels)?’ De redenen voor civiele regels en begrijpelijke regels zijn logisch, maar hoe zit het met die onbegrijpelijke regels? Daar hebben we moeite mee. Daar kunnen we met ons verstand niet bij. Die willen wij niet uitvoeren! We zitten vast, we zijn geblokkeerd. Deze regels zijn niet leuk en ze hebben geen smaak, net als een matsa die ook geen smaak heeft. We protesteren.
De Hagada vertelt ons om de wijze als volgt te beantwoorden:
‘We eten geen toetje na de Afikoman, dat laatste stukje matsa dat aan het einde van de maaltijd gegeten wordt.’ De smaakloze matsa is wat in onze mond zal blijven voor de rest van de avond om ons te vertellen dat smaakloze dingen juist meer smaak hebben. Hoezo? In het Hebreeuws betekent het woord ‘ta’am‘, zowel smaak alsook uitleg. Het gaat hier dus over de smaak van de matsa maar ook over de reden voor het eten van de Matsa of het doen van de Mitswa. Als wij alle regels zouden begrijpen dan zouden wij heel veel missen. Het is net als een kind dat rekenen gaat leren met een wiskunde professor. Het kind zal maar heel weinig aan dit lesje hebben, aangezien een wiskunde professor zijn gigantische kennis nooit aan een kleuter kan doorgeven. Uiteindelijk mist het kind alles. Hoe groot het verschil ook is tussen een kleuter en een wiskunde professor, het verschil tussen ons en G-d is nog vele malen groter en eigenlijk oneindig. Het verschil tussen welk cijfer dan ook en het oneindige is oneindig. Vraag dat maar aan je wiskunde professor. Wij kunnen het oneindige nooit en te nimmer vatten. Hoe kunnen wij met onze hersens, die G-d gemaakt heeft, G-d begrijpen? Hoe kan een computer de programmeur begrijpen?
 
Om de regels te kunnen begrijpen, moet G-d ze voor ons heel ver naar beneden brengen, zo laag zelfs dat ons menselijk begrensde intellect ze kan vatten. Maar G-d heeft nog vele andere aspecten die zo hoog zijn dat ze hier niet op papier gezet kunnen worden, niet uitgesproken, geschreven noch uitgelegd kunnen worden. Het niveau is zo hoog dat het in deze wereld niet past.
Door de onbegrijpelijke geboden uit te voeren, verbinden wij ons met een deel van G-d dat te hoog is om door ons gevat te worden. We verbinden ons met een niveau dat zo verheven is dat we het niet kunnen begrijpen of bewust kunnen waarderen. Het is een smaak die wij niet kunnen proeven maar die des te hoger is. Het smakeloze matsa-toetje is geen nadeel, in tegendeel, het is een gelegenheid om op een hoger niveau te komen.

Vraag 2: waar zijn jullie mee bezig?

In ieder van ons schuilt ook een slechterik. Die heeft ook een vraag: ‘Waar zijn jullie (niet wij) vanavond toch mee bezig? Wat maakt dit allemaal uit? Denk je echt dat G-d zich over ons bekommert? Heb je ooit de aardbol vanuit de hemel gezien? Het is maar een heel klein balletje. We zijn nog geen vlekje in de kosmos.’
 
Hoe richt je je tot dit cynische aspect van jezelf? Dit stemmetje dat alsmaar zegt dat je niets waard bent en dat het allemaal niets uitmaakt!
 
De Hagada geeft raad en antwoordt: ‘Maak de tanden stom.’ Maak je geen overdreven zorgen over alles wat het depressieve aspect in onszelf verzint. Hij roept veel, maar de soep wordt nooit zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Waarschijnlijk voelt deze arme ziel, dit tweede kind, zich buitengesloten en heeft hij daardoor besloten om afstand te nemen. Betrek hem er weer bij en maak hem attent op het feit dat elk detail van belang is. Ook al zijn we maar een knikker in de kosmos, door het uitvoeren van de geboden bereiken wij een niveau waar zelfs de engelen in de hogere sferen niet bij kunnen.

Sinds wij bij de berg Sinai de Torah hebben ontvangen, telt iedereen die daar stond, of wiens ziel daar was, mee. Jij en ik ook. Niet zoals in Egypte, toen 80% van het Joodse volk te cynisch was en niet in de verlossing geloofde. Deze mensen hadden geen vertrouwen en weigerden om de Egyptische slavernij te verlaten. Zij deden niet mee aan de uittocht en bleven in Egypte achter. Echter, vertelt de Hagada ons, wanneer Mashiach zich zal openbaren, zal het hele Joodse volk zonder uitzondering verlost worden.

De derde zoon is de Tam, de naïeve zoon.

Maar Tam betekent ook volmaakt en compleet. Dat is het deel van ons dat denkt alles te kunnen en alles te hebben. Hem maken we attent op het feit dat het G-d is die ons uit Egypte heeft gehaald en niet wijzelf.

De vierde zoon

Ten slotte is er ook een deel van ons dat niet weet welke vraag we moeten stellen: zoon nummer vier. Iets weten betekent dat je jezelf ermee verbindt. Maar dit stemmetje zegt dat het hem niets kan schelen. Apathie en onverschilligheid zijn lastig. De Hagada weet hier ook raad mee en vertelt ons: ‘Jij moet beginnen met contact te zoeken (את פתח לו = at petach lo).’ Open je hart, geef hem warmte en je zult automatisch respons krijgen. Wanneer je anderen en jezelf met liefde benadert, is er geen ruimte meer voor onverschilligheid.
 
Tot zover de vier zonen – stemmetjes en vragen – in je hart en ziel. De Hagada begeleidt je hierin en geeft je een psychologische les van het hoogste niveau. Een les die rechtstreeks uit de Torah gehaald is en jou leert hoe je met anderen maar ook met jezelf om kunt gaan! Een ‘nieuwe’ manier om je eigen grenzen te doorbreken. Niet alleen met Pesach maar het hele jaar door.
 
Succes ermee en geniet nog lang na van de ‘smakeloze’ matses!
 
Pesach Kasher we Sameach!
Bracha Heintz
Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson en de Sefat Emet.
 
Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.
 
 
Beeld: chabad.org
 
 
Wajikra | Offers, barbaars ritueel of diepe levensles?

Wajikra | Offers, barbaars ritueel of diepe levensles?

Wat hebben dierenoffers uit een tempel van tweeduizend jaar geleden met jouw leven vandaag te maken? Meer dan je denkt!

Download hier een printversie van het artikel

Welkom in Wajikra, het derde en middelste boek van de Torah. Het eerste boek, Bereeshiet genaamd, vertelt over de schepping, over Noach en over de aartsvaders. Deze helden hebben de toon gezet voor de eerste ontwikkelingen van deze wereld. Zij hebben het begin gelegd van een moreel kompas. Het tweede boek van de Torah draagt de naam Shemot en verhaalt over de erfgenamen van de aartsvaders, over het Joodse volk met alle perikelen van ballingschap en de verlossing uit Egypte, met als doel de openbaring van G-d op de berg Sinai. Deze G-ddelijke relatie werd vervolgens verstoord door de aanbidding van het gouden kalf en daarna hersteld door de bouw van een Tabernakel en de offers die daarin werden gebracht.

Nu was het zaak om, met behulp van deze Tabernakel en later de Tempel, de G-ddelijke aanwezigheid zichtbaar te houden. Zo belanden we in het derde, middelste en centrale boek.

In Wajikra, Leviticus, wordt de praktische gang van zaken in de Tabernakel beschreven: het brengen van de offers en het verrichten van de dienst door de Priesters en de Levieten. Deze onderwerpen worden juist in het middelste van de vijf boeken behandeld, omdat het hele idee van offers het middelpunt en de kern vormt van het Jodendom. De Tempel bestond zodat de aanwezigheid van G d in deze wereld geopenbaard kon worden door middel van offers. Dit is niet alleen het doel van de uittocht uit Egypte (Shemot), maar zelfs van de schepping van de wereld in zijn geheel (Bereeshiet).

De vraag is: wat heeft een offer te maken met G-ddelijke openbaring? Bij een offer wordt een dier geslacht dat vervolgens op het altaar wordt verbrand. Welke spirituele betekenis heeft dit? Het offeren van een dier lijkt immers juist gruwelijk, zelfs barbaars.

Verborgen aanwezigheid

Op het moment dat iemand een gebod overtreedt, verstoort hij daarmee de relatie met degene die het gebod heeft gegeven. Het gevolg is dat de gever van het gebod zich uit die relatie wil terugtrekken. Stel dat iemand je vraagt een kopje thee te zetten en je doet dat, dan versterk je daarmee je relatie met die persoon. Hetzelfde geldt omgekeerd. Wanneer iemand jou om een gunst vraagt en je weigert die, verslechtert de band met die persoon.

Zo is het ook met de relatie tussen mens en G-d. Wanneer iemand G-ds wil uitvoert, versterkt en openbaart hij zijn verbinding met Hem. Wanneer iemand de wil van zijn Schepper overtreedt, is het de overtreder zelf die de relatie verstoort. Hij is degene die veroorzaakt dat G-d zich als het ware terugtrekt en zich verbergt. De vraag is meer in hoeverre de mens zich daarvan bewust is en in hoeverre G-d zich laat zien en zich openbaart. De offers brachten vergiffenis en verzoening na een overtreding. Zij zorgden er op directe wijze voor dat de G-ddelijk aanwezigheid zich op aarde bleef manifesteren en dat de relatie tussen de overtreder en G-d werd hersteld.

Wat is het verband tussen een offer en het feit dat G-d zich openbaart? Heeft G-d onze offers nodig? G-d heeft per definitie toch helemaal niets nodig. Hij is immers volmaakt, heeft alles en is alles. Wellicht is het brengen van een offer dan ook niet iets wat Hij nodig heeft, maar iets waar de mens zelf baat bij heeft.    

Harmonie

Het is geen toeval dat hierover in het derde boek wordt geschreven. Dat komt niet alleen doordat dit het middelste boek is. Drie is bovendien een bijzonder getal dat nauw met de Torah verbonden is.

  •      Op dinsdag, de derde dag van de schepping staat er tweemaal dat ‘het goed’ was. De andere dagen staat het er maar één keer.
  •      De Torah is in het jaar 2448 gegeven, midden in het derde millennium.
  •      De Torah bestaat uit drie delen: 1) de Vijf Boeken van Moshe, 2) de Profeten en 3) de Geschriften.
  •      De Torah is in de derde maand van het jaar geschonken.
  •      Moshe was het derde kind van Amram en Yochewed.
  •      Het Joodse volk wordt in drieën verdeeld: 1) Priesters 2) Levieten en 3) Israëlieten.

Waarom juist drie? Twee schept een scheiding tussen twee afzonderlijke eenheden, terwijl drie harmonie en kracht brengt tussen de eerste twee delen. Ook in de natuurkunde zien we dat een driehoek altijd voor een stevige constructie zorgt. Met slechts twee delen haar kun je geen vlecht maken, want dan valt de vlecht onmiddellijk uit elkaar. Met drie delen haar blijft de vlecht stevig en mooi in model.

Zo vormt ook de Torah het derde element dat harmonie brengt tussen twee tegenstellingen: de spirituele wereld enerzijds en de materiële wereld anderzijds. De Torah is een gebruiksaanwijzing  door G-d zelf gegeven.Het is een handleiding waarmee je de materie kunt doordrenken met spiritualiteit en deze wereld kunt verheffen naar een hogere dimensie.

Dichterbij komen

Wat heeft dit voor ons te betekenen? Wij leven in de eenentwintigste eeuw. De Tempel werd bijna tweeduizend jaar geleden door de Romeinen verwoest. Al bijna tweeduizend jaar worden er geen offers meer gebracht. In de loop van twee millennia is de betekenis van het brengen van offers nogal vervaagd. Het doel ervan ontgaat ons vaak en de betekenis van dit ritueel spreekt velen van ons niet meer aan. Voor velen is het moeilijk geworden dit nog werkelijk te begrijpen.

In een wereld waarin vegetariërs en veganisten steeds talrijker worden en zelfs een politieke partij voor de dieren bestaat, vragen wij ons af of de betekenis van deze praktijken in onze tijd nog wel relevant is.

De Tabernakel was gereed, het altaar stond op zijn plek en de offers konden gebracht worden. De Torah vertelt ons in Wajikra gedetailleerd over de vele soorten offers, door wie ze gebracht moesten worden, hoe ze dit moesten doen, of ze wel of niet opgegeten werden, door wie, waar, wanneer enzovoort.

Een offer is echter geen cadeau. Het Hebreeuwse woord Korban wordt vertaald met offer, maar korban betekent letterlijk dichterbij komen.

Stel dat je relatie met G-d wat afgezwakt was. Je was bijvoorbeeld je enthousiasme kwijt. Je motivatie was verdwenen en daardoor overtrad je, al dan niet per ongeluk, een gebod of verbod. Tijd om met een offer een bezoek aan de Tempel te brengen. Door de grootsheid en schoonheid van de Tempel raakte je ongetwijfeld onder de indruk. Goud, zilver en koper waren een streling voor het oog. De Priesters liepen rond in hun prachtige kledij en de Levieten speelden op hun instrumenten tijdens het offeren. Ook de tien wonderen die dagelijks in de Tempel gebeurden (Pierké Awot 5-5) maakten veel indruk. Het Yerushalayim-gevoel deed z’n werk. De persoon die gezondigd had werd opnieuw geïnspireerd. Zijn relatie met G-d was met nieuwe warmte geïnjecteerd.

Al 2000 jaar hebben wij geen Tempel meer en worden er geen קרבנות korbanot (offers) meer gebracht. En toch lezen en bestuderen we elk jaar weer opnieuw het hoe en waarom van deze offers. Wat is daar de relevantie van in de 21ste eeuw? De meesten van ons vinden het hele idee raar of nog sterker: ze walgen ervan. ‘Ouderwets gedoe en dierenmishandeling, daar komt het op neer’, roepen velen van ons.

Gevoelens kanaliseren

Wie de korbanot (offers) overslaat als zijnde niet interessant en niet van deze tijd, mist een essentieel onderdeel van het Jodendom. Iedereen heeft namelijk een dierlijk deel in zich. Er zijn overeenkomsten die wij met een dier delen. Immers heeft een dier een lichaam en een mens heeft dat ook. Dieren volgen hun instinct. Zij kunnen niet anders. Een mens heeft ook dierlijke aspecten, instincten, honger en vele lichamelijke benodigdheden. Het grote verschil tussen mens en dier is dat een mens zijn dierlijke verlangens opzij kan zetten en een dier niet. Een mens kan het vervullen van zijn behoeftes uitstellen of zelfs laten. Hij moet er wel moeite voor doen en er iets voor over hebben en dat is het offer dat hij brengt. Hij moet in zijn comfortabele leventje iets opgeven of uitstellen om bijvoorbeeld een ander te helpen. Het dierlijke deel van de mens zal bij het uitvoeren van een goede daad altijd protesteren. Maar als een mens toch doorzet dan heeft hij zijn dierlijke kant opzij gezet en daarmee een offer gebracht, gelijk de offers die in de Tempel op het altaar gingen. 

Elke persoon heeft een hart en hersenen. Nadenken en beredeneren doe je met je brein, gevoelens zetelen in je hart. Wanneer een mens ergens zin in heeft, is dit een gevoel dat uit het hart komt. Een mens is bij machte om dit gevoel met zijn hersens te analyseren en te beoordelen. Is dit gevoel of mijn verlangen legitiem en waardevol? Moet ik het volgen en uitvoeren of kan ik het beter achterwege laten?

Een mens kan zijn gevoelens beheersen. Zijn hersens kunnen de baas zijn over de gevoelens in zijn hart. Daarom loopt een mens rechtop, omdat zijn brein op een hoger niveau ligt dan zijn hart. Dit wil niet zeggen dat gevoelens geen plek hebben. Ze zijn juist heel belangrijk, maar ze moeten gestuurd en beheerst worden. In een huwelijk bijvoorbeeld dien je ook je gevoelens te sturen. Als je getrouwd bent, dan gebruik je de liefde in je hart om van je echtgenoot te houden en niet van een ander.

Een dier kan dit niet. Als een beest iets wil, dan kun je het niet wijs maken dat hij dat beter achterwege kan laten. Hij heeft geen keus. Hij kan alleen maar zijn instinct volgen. Hij paart elke keer weer met een ander en jaagt en scheurt zijn voedsel meedogenloos uit elkaar. Daarom zijn bij de meeste dieren de hersens en het hart op gelijke hoogte.

Bij sommigen van ons is het dierlijk deel groot en grof. Vandaar dat men soms een stier als offer moest brengen. Bij een ander zijn de uitdagingen schattig en klein. Dat wordt door het lammetje vertegenwoordigd. Hoe dan ook, G-d stelt iedereen in de gelegenheid om zich tegen zijn dierlijke verlangens te verzetten en deze strijd te overwinnen. Maar je moet er wel wat voor over hebben. Daarom brengen wij dagelijks offers. Met onze begeertes is op zichzelf niets mis, zolang wij erover nadenken, wij strijd leveren en ze uiteindelijk weten te kanaliseren.

Sturen en temmen

De kabbala leert ons dat elke ziel op aarde is gekomen met als doel om ‘het dierlijke in goede banen te leiden’. Niet dat het dier per se slecht is, maar het is zo vreselijk egoïstisch. Het lichaam wil zichzelf tevredenstellen met allerlei grote en kleine pleziertjes, onschuldige en minder onschuldige hebberigheden. ‘Het beest’ neemt de overhand wanneer je verzuimt om je dierlijke instincten en egoïsme te beheersen. Als een mens steeds zwicht voor zijn begeertes wordt zijn drang naar genot hoe langer hoe sterker. Zijn ‘dier’ zou zomaar een vreselijk overheersend monster kunnen worden. Het is aan de ziel om het dier te leiden, te sturen en te temmen  en niet andersom.

Maar hoe? De procedure in de Tabernakel en later in de Tempel kende vier stappen, vier onderdelen om het dier te offeren:

Stap 1. Een verklaring afleggen dat een bepaald dier bestemd is om als offer gebracht te worden.
Stap 2. Het dier slachten door het tegelijkertijd doorsnijden van zowel de voedsel- als de luchtpijp.
Stap 3. Het bloed tegen het altaar besprenkelen.
Stap 4. Bepaalde vetdelen van het dier verwijderen en op het altaar verbranden.

Onze persoonlijke offers hebben soortgelijke etappes.

Stap 1. Stel een verklaring op: sta stil bij wie jij werkelijk bent en welke richting je in wilt slaan. Waarom ben je geboren en wat is het doel van jouw leven?

Stap 2. Het doorsnijden van de voedselpijp tijdens het slachten vertegenwoordigt je zelfbeheersing bij de maaltijd. De luchtpijp is de sfeer waarin je leeft en zijn de keuzes die je maakt in je leven waar je je aan bloot wil stellen en welke informatie je toelaat om bij jou naar binnen te gaan! Slachten betekent dat je laat zien wie  de baas is. Ben je een slachtoffer van jouw levensomstandigheden of bepaal jij zelf de route? Gebruik jij je telefoon of word je door dit apparaat gebruikt? 

Stap 3. Het besprenkelen van het bloed tegen het altaar: bloed vertegenwoordigt je warmte en passie. Zorg dat je deze nooit dempt! Alleen kanaliseren en sturen naar een hoger doel zijn noodzakelijk. Geen zure gezichten, maar enthousiasme en plezier wanneer je iets goeds doet. Geniet van je goede daden en voer ze met gedrevenheid, warmte (bloed) en plezier uit.

Stap 4. Vet verbranden. Vet staat symbool voor plezier. Vet wordt gevormd door al die extra lekkernijen. Aan ons de taak om het plezier in materiële zaken om te buigen naar spirituele zaken. Genot in het materiële leven verzwaart een mens. Spiritueel genot maakt je lichter. Je kunt je verlangens omzetten naar een hoger genot: naar plezier en voldoening om bijvoorbeeld kosher te eten, shabbat te vieren of een ander te helpen…  

Voor wie worstelt met zijn dierlijke aspecten zoals luiheid, boosheid, egoïsme, verslaving, depressie of onverschilligheid, geeft de Torah aanwijzingen hoe we het dierlijke deel in ons naar een hoger doel kunnen brengen. Je moet er wel wat voor over hebben en dat is jouw offer.

Bevoorrecht

In de Tempel werden dagelijks offers gebracht. Zo moet ieder mens ook dagelijks een krachtige strijd leveren tegen allerlei zaken die hem van zijn menselijkheid willen afleiden, zaken die hem in een dier willen veranderen, al is het maar tijdelijk.

Dit is de kern, het middelpunt van het Jodendom. Je eigen comfort opzijzetten om bijvoorbeeld een ander te helpen. Dit is jouw offer en daarmee help je jezelf nog het meest. Een mens wordt tenslotte niet gelukkig van allerlei materiële zaken. Integendeel, hij zal nooit tevreden zijn en altijd meer willen en daardoor zijn ultieme, materialistisch doel nooit behalen.

Daarentegen, wanneer je jezelf een beetje schikt, dan heb je daar continu voldoening van. Hoe meer je weggeeft en opoffert, hoe gelukkiger en rustiger je zult zijn. Hoe meer je je beheerst en grip op je leven hebt, hoe vrolijker je ervan wordt en hoe lekkerder je in je vel zit. Het plezier van iets opofferen is vele malen groter dan jezelf onbeheerst te laten gaan.

Dank je wel G-d, dat je ons geleerd hebt om offers te brengen en daarmee een beheerst en gelukkig leven te leiden.

We zijn bevoorrecht dat wij toegang hebben tot de kern van het Jodendom dat in het middelste boek aan ons geopenbaard wordt. Het dier in ons opofferen is hét recept voor een leven gevuld met voldoening, zonder bittere nasmaak. Je zet iets van je begeertes opzij en je hebt een offer gebracht waar je ook nog een fantastisch gevoel aan overhoudt. Het besef dat je bovenaan de wereld staat, omdat je vecht en niet terugdeinst voor een beetje frictie. Omdat het je soms lukt om een offer te brengen en je te beheersen. Gefeliciteerd! Met jouw offers heb jij de hele wereld een stapje dichter bij de Tempel in Yerushalayim gebracht.

Shabbat Shalom!

Bracha Heintz
Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson
Opmaak Rianne Meijer en Sonja Tamam en Devorah Verwoerd
www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

     Beeld: chabad.org

Pekoedé | Geluidseffecten in de Tempel

Pekoedé | Geluidseffecten in de Tempel

Tweeënzeventig gouden belletjes aan de zoom van één kledingstuk en de Torah vermeldt ze met opvallende precisie. Waarom moest de Hogepriester hoorbaar zijn wanneer hij de Tempel binnenging? Achter dit kleine detail schuilt een diepe les over de kracht en de grenzen van onze woorden.

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

Deze week sluiten we het tweede boek Sjemot af met Parashat Pekoedé, waarin onder meer het maken van de kleding van de kohaniem (de priesters) wordt beschreven.

Elke kohen droeg vier kledingstukken: een hemd, een broek, een tulband en een ceintuur. De Kohen Gadol, de Hogepriester droeg daaroverheen vier extra kledingstukken: een lichtblauwe tuniek,  een soort schort  dat achterstevoren gedragen werd, een borstschild waarin twaalf edelstenen waren geplaatst en een gouden hoofdband waarin G-ds naam was gegraveerd.

Ieder kledingstuk was prachtig om te zien en had een eigen functie. Het doel van de Tempel en alles wat daarbij hoorde was om verzoening tot stand te brengen tussen G-d en het Joodse volk. Het begon allemaal met het Gouden Kalf. Dat was de eerste grote fout waaraan het Joodse volk zich schuldig had gemaakt. Daarna zou het nog vaker misgaan, zowel collectief als individueel. Het Tempelsysteem was bedoeld om, wanneer er een kink in de kabel tussen G-d en een Jood was ontstaan, die relatie weer te herstellen. Aangezien de Tempeldienst in specifieke kledij moest worden verricht, kunnen we concluderen dat ook deze kleding en alle daarbij behorende details een rol hebben gespeeld in het verzoeningsproces.

Levensbelang

Vandaag nemen we één van de kledingstukken van de Hogepriester onder de loep, namelijk de tuniek, en wel twee details van dit bijzondere blauwe wollen gewaad. Aan de zoom van dit kledingstuk hingen namelijk gouden bellen en wollen granaatappeltjes (Sjemot 39, 24-26). Samen gaan wij ontdekken hoe deze twee hangende decoraties de relatie tussen G-d en het Joodse volk kunnen herstellen. 

וַֽיַּעֲשׂוּ֙ עַל־שׁוּלֵ֣י הַמְּעִ֔יל רִמּוֹנֵ֕י תְּכֵ֥לֶת וְאַרְגָּמָ֖ן וְתוֹלַ֣עַת שָׁנִ֑י מָשְׁזָֽר׃

En zij maakten aan de zoom van de tuniek granaatappels gedraaid van blauwe en paarse en rode wol.

וַיַּעֲשׂ֥וּ פַעֲמֹנֵ֖י זָהָ֣ב טָה֑וֹר וַיִּתְּנ֨וּ אֶת־הַפַּֽעֲמֹנִ֜ים בְּת֣וֹךְ הָרִמֹּנִ֗ים עַל־שׁוּלֵ֤י הַמְּעִיל֙ סָבִ֔יב בְּת֖וֹךְ הָרִמֹּנִֽים׃

En zij maakten bellen van zuiver goud en zij plaatsten de bellen midden in de granaatappels rondom de zoom van de tuniek midden in de granaatappels.

פַּעֲמֹ֤ן וְרִמֹּן֙ פַּעֲמֹ֣ן וְרִמֹּ֔ן עַל־שׁוּלֵ֥י הַמְּעִ֖יל סָבִ֑יב לְשָׁרֵ֕ת כַּאֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה ה’ אֶת־מֹשֶֽׁה׃

Een bel en een granaatappel, een bel en een granaatappel rondom de zoom van de tuniek, om te dienen zoals G-d het Moshe geboden heeft.

En Shemot 28:35:

וְהָיָ֥ה עַֽל־אַהֲרֹ֖ן לְשָׁרֵ֑ת וְנִשְׁמַ֣ע ק֠וֹלוֹ בְּבֹא֨וֹ אֶל־הַקֹּ֜דֶשׁ לִפְנֵ֧י ה’ וּבְצֵאת֖וֹ וְלֹ֥א יָמֽוּת׃

En het (de tuniek) zal zijn op Aharon om te dienen en zijn geluid zal gehoord worden als hij naar het heiligdom gaat voor G-d en wanneer hij vertrekt en hij zal niet sterven.

De Torah is uiterst precies. De kledingstukken en zelfs de details onderaan de zoom waren niet alleen voor de sier. Zij waren letterlijk van levensbelang. Opdat de Hogepriester in leven zou blijven, moest elk detail zeer nauwkeurig worden uitgevoerd, zoals aan het einde van vers 35 staat: “…en hij zal niet sterven”.

Stel je een Hogepriester voor die in de Tempel rondloopt en bij iedere beweging die hij maakt rinkelen er tweeënzeventig belletjes. Wat een kabaal. En dat lawaai was ook werkelijk nodig, zoals er staat: “…en zijn geluid zal gehoord worden…”. Maar is het wel gewenst om zo veel lawaai te maken? 

Hemels vuur

Kijk naar het bekende verhaal van Elijahoe de profeet. Het speelde zich af in de tijd van de eerste Tempel, toen koning Achaw en koningin Iezewel regeerden. De een was nog slechter dan de ander. Zij hadden de leiding over Israel in een periode waarin afgodendienst hoogtij vierde. Elijahoe, de profeet, probeerde met al zijn kracht deze ongewenste praktijken te stoppen. Maar wat hij ook deed, het had geen effect. Hij waarschuwde de Koning dat het echt anders moest en dat, als men niet zou luisteren, het niet meer zou gaan regenen. 

Om de keuze tussen afgodendienst en het dienen van de ware G-d te verduidelijken, stelde Elijahoe voor dat beide partijen een offer zouden brengen. Het offer dat door een hemels vuur verteerd zou worden, zou het ware offer zijn, aan de ware G-d gebracht. Zo gezegd, zo gedaan. De valse profeten legden hun vlees op het altaar. Zij begonnen te dawenen (bidden) en heen en weer te lopen. Zij verwondden zichzelf om maar indruk te maken op de afgod Baäl. Het mocht niet baten (Koningen I,  hfdst. 18). Het vlees bleef onaangetast liggen.

Nu was het de beurt aan Elijahoe. Hij nam een stier en doordrenkte het dier en het altaar met water. Na een kort gebed daalde er een hemels vuur neer dat het offer, ondanks alle nattigheid,  verteerde. Het bewijs was geleverd. “G-d is onze G-d,” riep iedereen luidkeels. Het was een enorm spektakel. De valse profeten werden gedood en rust en regen keerden terug.

Helaas was dit maar van korte duur. Al gauw kwam het aanbidden van afgoden terug. Koningin Iezewel was helemaal niet onder de indruk van wel of niet geaccepteerde offers. Integendeel, zij was woedend dat de valse profeten waren gedood. Elijahoe de profeet moest vluchten, omdat de koningin hem de doodstraf had opgelegd.

Fluisterend

Minder bekend is dat Elijahoe daarna naar een grot op de berg Sinaï vluchtte om te onderduiken. Zijn leven was immers in gevaar. Daar sprak G-d hem aan en vroeg wat hij daar deed. Elijahoe legde alles uit: hoe het Joodse volk afgoden diende en hoe zijn leven op het spel stond omdat koningin Iezewel hem ter dood had veroordeeld. G-d reageerde als volgt: 

Koningen I, 19 (11 en 12)

‘Ga naar buiten en sta op de berg vóór G-d en zie G-d komt voorbij en een grote sterke wind splitst de bergen en hakt de rotsen vóór G-d. G-d is niet in de wind.

En na de wind, een aardbeving, G-d is niet in de aardbeving.

En na de aardbeving vuur, G-d is niet in het vuur.

En na het vuur een zacht fluisterend geluid.’

Hier staat niet dat G-d niet in het fluisterend geluid is. Daarom kunnen we concluderen dat Hij dat wel is.

De Malbim legt het bovenstaande uit: ‘G-d heeft Elijahoe laten zien dat Hij zich niet in de wind bevindt, noch in lawaai noch in vuur, alleen in een ruisende stem. Hieruit zullen Zijn afgezanten en Zijn profeten leren dat zij geen stormen moeten creëren en geen aardbevingen of vuur zoals Elijahoe dat deed in zijn ijver om G-d te verdedigen. Want hij heeft de regen uit de hemel weerhouden en de profeten van Baäl geslacht. Want G-d zal zijn profeten sturen die met een fluisterende stem naar het volk toe moeten gaan en het volk zullen aantrekken met kabels van liefde en zachte woorden.’

Elijahoe de profeet was een buitengewoon heilige man. Hij was in staat wonderen te verrichten en grote indruk te maken met machtige en luidruchtige tekenen. Iedereen was overtuigd, maar hoe lang blijft de verbazing over een wonder impact hebben?

Koning Salomon verklaart in Kohelet (9, 17): ‘De woorden van de wijzen worden op een rustige manier beluisterd en een dictator schreeuwt tegen gekken.’

‘Fluisterend geluid’ en ‘rustige manier’ zijn uitdrukkingen die bewijzen dat al dat lawaai nergens toe dient. Onze vraag is daardoor alleen maar groter geworden. Waarom moest de Hogepriester door middel van de bellen onderaan zijn tuniek lawaai maken? 

Verklaringen

De Ramban (Rabbi Moshe ben Nachman) verklaart dat de kohen, met zijn rinkelende bellen, als het ware bij de Tempel aanbelde voordat hij binnenging. Daarmee vroeg hij toestemming aan G-d om de Tempel te mogen betreden en de dienst te verrichten. Want wie het paleis van de koning zonder toestemming binnengaat, krijgt de doodstraf.

Rabbi Shimon bar Yochai zegt: ‘G-d haat vier zaken en ik houd er ook niet van: iemand die plotseling zijn huis binnenkomt (zonder te kloppen)  om nog maar te zwijgen over het huis van zijn vriend enzovoort.’

De Abarbanel legt uit: Zijn geluid zal gehoord worden, zodat hij zich ervan bewust is dat hij zich in de Tempel bevindt en weet wat er van hem verwacht wordt.

Er is ook nog een andere verklaring. Zolang men de Kohen Gadol hoorde rinkelen, wist men dat hij nog leefde. Als hij zich in één detail van de Yom Kipoerdienst vergiste, of als hij het niet waard was om Hogepriester te zijn, dan overleefde hij zijn bezoek aan het Allerheiligste niet. Aangezien niemand anders dan hij het Allerheiligste mocht betreden, zou niemand kunnen zien of hij nog in leven was. Alleen het geluid van de belletjes getuigde van zijn bewegingen en daarmee van het feit dat hij nog leefde.

De Chizkoenie zegt: ‘Zijn geluid zal gehoord worden… zodat men wist wanneer de dienst plaatsvond en zo konden zij hun hart toewijden aan hun Vader in de hemel.

Nog een andere reden is dat de Hogepriester zo onderscheiden werd van de andere priesters die eveneens dienst deden. Maar op Jom Kipoer, ook op de momenten waarop de Hogepriester de tuniek niet hoefde te dragen, was dat onderscheid niet nodig, omdat de Hogepriester op die dag als enige de hele dienst verrichtte.

Het zijn stuk voor stuk prachtige en logische verklaringen. Toch is het van belang dieper te graven en te ontdekken wat de kernreden is van al die toeters en bellen. 

Detail

Niet alleen bereikte de Tempel als geheel verzoening, maar ook elk voorwerp dat zich daarin bevond, elk kledingstuk en zelfs elk detail van ieder kledingstuk speelde een rol in de toenadering van het Joodse volk naar hun Vader in de hemel. De Talmoed vertelt (Zewachim 88:2):

“Het hemd (van de priester) brengt herstel voor moord (aangezien de broers van Yosef zijn hemd in het bloed van een geit hadden gedoopt om hun vader te kunnen vertellen dat hij door een wild dier was opgegeten)

> De broek brengt herstel voor verboden relaties zoals er staat: ‘En hij maakte voor hen stoffen broeken om hun naaktheid te bedekken.’
> De tulband herstelt hoogmoed. Waar komt dit vandaan? Rabbi Chaniena zegt: Laat iets komen dat hoog zit en het zal verzoening brengen voor hoogmoed.
> De ceintuur herstelt de (slechte) gedachtes van het hart.
> Het borstschild is voor verkeerde rechtspraak.
> De schort brengt herstel voor afgodsdienst.
> De tuniek herstelt kwaadsprekerij. Waar komt dit vandaan? Rabbi Chaniena zegt: ‘Laat iets dat lawaai maakt verzoening brengen op een slecht geluid.’
> De hoofdband herstelt brutaliteit aangezien het op het voorhoofd gedragen werd.

De Alshich verklaart dat de tuniek bedoeld was om vergeving te brengen voor alles wat een mens met zijn mond verkeerd doet. Hij merkt daarbij op dat in het vers staat dat de bellen tussen de granaatappels werden geplaatst, en niet dat de granaatappels tussen de bellen hingen, terwijl ze in werkelijkheid om en om waren aangebracht. Waarom wordt het zo geformuleerd?

En waarom staat er in een ander vers opnieuw dat er afwisselend een bel en een granaatappel hing? Waarom wordt iets wat zojuist al is beschreven nogmaals herhaald, maar nu met een andere bewoording?

Twee grenzen

Rustig en stil

Nu willen wij nog een verklaring naar voren brengen, namelijk die van de Baal Shem Tov. Hij stond bekend om zijn unieke, eenvoudige stijl, maar met een ongekende diepgang.

Hij illustreert het idee van lawaai en stilte met het voorbeeld van een man die in het water verdrinkt. De drenkeling schreeuwt, zwaait met zijn armen en benen en werpt zijn lichaam van rechts naar links. Hij roept luid en gaat tekeer in zijn strijd tegen het water. Uiteraard lacht niemand hem uit. Zo is het ook met iemand die midden in het gebed staat. Hij schudt, zingt en beweegt; hij probeert zich te redden uit de wateren die hem dreigen te doen zinken, waarbij het water de gedachten vertegenwoordigt die hem voortdurend afleiden. Het is een eeuwige strijd: zodra je het gebedenboek opent, beginnen vreemde gedachten door je hoofd te stromen. En strijd gaat nu eenmaal gepaard met frictie en lawaai.

Vergelijk dit met een man die zijn broer jarenlang niet heeft gezien. Hij wacht hem op bij de pier. Het schip komt eindelijk in zicht en daarmee wordt zijn verlangen om zijn broer te herzien nog meer aangewakkerd. Al gauw ziet hij hem op het dek staan. Hij begint te zwaaien en roept luid, in de hoop dat zijn broer hem zal opmerken. Uiteindelijk meert het schip aan en laten de matrozen de loopplank neer. De broers rennen op elkaar af en vallen in een ontroerende omhelzing. Op dat moment hoort men niets meer. Wanneer ze bij elkaar zijn is alles goed, alles klopt. Roepen, schreeuwen en zelfs spreken zou overbodig  zijn.

Zolang de broers ver van elkaar verwijderd waren, was het nodig om aandacht te trekken om zo de afstand te overbruggen. Zo is het ook met het gebed. Het begin van het ochtendgebed is gevuld met gezang, liederen en geluid, maar wanneer men het hoogtepunt bereikt, het staande gebed met negentien zegeningen, wordt het muisstil. De woorden worden gefluisterd en zelfs degene die er vlak naast staat, hoort niets.

Op het moment dat je nog ver van G-d bent, aan het begin van je gebed, is het nodig om je los te maken van alles wat je verbinding met G-d verstoort. Aan het begin kun je gemakkelijk verdrinken in een zee van allerlei gedachten. Misschien voel je je onzeker of juist apathisch of schuldig, misschien zelfs verward of onverschillig. Naarmate je in het gebed vordert, beklim je een soort spirituele ladder; je tilt jezelf omhoog, tegen de zwaartekracht in. Je hijgt en krijst jezelf naar boven in een poging alles wat je stoort achter je te laten. Na deze voorbereiding ben je gereed om de troonzaal binnen te treden, om je Schepper te omhelzen en één met Hem te zijn. Dan wordt het muisstil.

Als er weerstand is moet je vechten, bewegingen en lawaai maken. Als alles klopt en één is, dan heerst er stilte. Wanneer je met je vuist op een tafel slaat, is er kabaal. Je komt frictie en weerstand tegen. Sla je in de lucht, dan hoor je bijna niets. Lawaai vertegenwoordigt afstand en wrijving. Stilte vertegenwoordigt eenheid en harmonie.

Het effect van de luidruchtige acties van Elijahoe de profeet, was van korte duur. Natuurlijk kun je een hoop lawaai maken, honderden mensen bij elkaar brengen, een spektakel maken op een berg, regen tegenhouden, offers in het openbaar brengen en valse profeten doden. Allemaal zo spectaculair. Maar al gauw was deze storm over. Natuurlijk is een aardbeving of een tsunami vreselijk. Maar hoe lang duurt het?

Ga je mee?

Pas dus op met je woorden en de manier waarop je ze uit. Ben je met een granaatappel begonnen? D.w.z. ben je eerst stil geweest en heb je nagedacht voordat je je mond opendeed en begon te spreken? Spreek je af en toe en is het daarvóór en daarná stil? Of spreek je bijna constant en is het maar af en toe stil? Heb jij twee bellen en daartussen een granaatappel? Of heb jij twee granaatappels met daartussen een bel?

Spreek je noodzakelijke en mooie woorden of zit je zomaar te kletsen, of zelfs kwaad te spreken? En wie is eigenlijk degene die aan het woord is? Jouw hogere essentie of je donkere zijde? Je zelfverzekerde ik of je onzekere persoonlijkheid? Uit je egoïsme of ben je groot? Spreek je uit angst of uit betrokkenheid? Uit liefde of uit onzekerheid? Bouw je met je woorden iets op of ben je iemand of iets aan het afbreken?

De tuniek herinnert ons aan de kleur van de zee, maar ook aan het strand dat ‘de sterke luide golven’ stopt. Het lawaai van de belletjes dat de Kohen Gadol met elke beweging maakte, brengt de aandacht op het feit dat elke beweging effect heeft. Al bewoog hij slechts zijn arm rinkelde er al wat. Een piepklein virusje kan de hele wereld op z’n kop zetten. Des te meer dat één positieve daad het evenwicht in de wereld naar de goede kant kan brengen. Wanneer je nog niet in een perfecte staat bent en de frictie aangaat met alles wat jou omlaag trekt, of met alles wat jouw klimmen naar gezond leven en éénheid verstoort, dan is lawaai maken noodzakelijk.

Anderzijds herinneren de wollen granaatappels ons eraan dat wij het geluid en het geklets ook moeten dempen. Eerst een granaatappel en dan pas een bel en vervolgens weer een granaatappel. Eerst nadenken en vervolgens spreken en daarna weer zwijgen en reflecteren. En waarom dan granaatappels en niet een andere vrucht zoals bijvoorbeeld een appel? Zodat wij beseffen dat elke Jood, op welk niveau hij zich ook bevindt, potentieel gevuld is met goede daden gelijk een granaatappel met zaadjes.

Dit is de kledij die de Hogepriester droeg wanneer hij zich in de Tempel begaf. Hij nam niet alleen de rechtschapenen met zich mee. Hij vertegenwoordigde het hele Joodse volk, ook de belletjes die moeten vechten om hun hoofd boven water te houden en de granaatappels die vol met goede daden zijn. Iedereen doet mee, telt mee en trilt mee. Elke Jood is een onmisbaar deel van het Joodse volk en vervult een unieke rol in de Tempel, de meest heilige en intieme plek op aarde. Mocht de Hogepriester zich in de Tempel begeven en één belletje of granaatappel van zijn gewaad missen, dan zou hij sterven omdat geen enkele Jood mag ontbreken.

Dit is de manier waarop wij het Heiligdom, de plek waarin wij ons met G-d verbinden, betreden.

Let op wat je zegt en vraag je af welk deel van jou aan het woord is. Vecht als een leeuw met kabaal tegen alles wat je afleidt en tegenhoudt. En vergeet niet iedere Jood met je mee te nemen naar Yerushalayim. Want iedereen, op welk niveau dan ook, hoort erbij.
Ga je mee?

Bracha Heintz
Gebaseerd op een les van Rav YY Jacobson
Opmaak Rianne Meijer & Sonja Tamam & Devorah Verwoerd
www.chabadutrecht.nl

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

Beeld: chabad.org