
Teroema | Waar G-d zich thuis voelt
De Torah heeft slechts eenendertig verzen nodig om de schepping van hemel en aarde te beschrijven, maar wijdt honderden verzen aan een verplaatsbare tent in de woestijn. Waarom krijgt een verdwenen bouwwerk meer woorden dan het ontstaan van het universum zelf? Waarom beschrijft de Torah tot in de kleinste details een Tabernakel, de zogenaamde Mieshkan die al duizenden jaren niet meer bestaat? En waarom staat er dat G-d niet alleen in de Tempel zal wonen, maar ook in ons?
Wie deze vragen volgt, ontdekt dat de Torah geen geschiedenisboek is, maar een handleiding voor het leven.
Niet om te vertellen wat ooit was, maar om te onthullen wat vandaag nog steeds mogelijk is: dat een mens van zijn eigen leven een woning voor het G-ddelijke kan maken.
Download hier de printversie van dit artikel (PDF)
` “ועשו לי מקדש ושככנתי בתוכם” (Teroema 25-8)
U zult een Tempel voor Mij maken en Ik zal in hen verblijven.
Grammaticaal gezien klopt deze zin niet. Er had moeten staan: “en Ik zal erin verblijven”, niet “in hen”. Juist deze ogenschijnlijke ‘fout’ prikkelt onze nieuwsgierigheid en, zoals altijd in dergelijke gevallen, wil de Torah ons daarmee ergens op attent maken.
Juist in deze opmerkelijke afwijking ligt de volgende les besloten: de G-ddelijke aanwezigheid rust niet uitsluitend in de Tempel of in de synagoge, maar in ieder mens. Iedereen is in staat, waar ook ter wereld (niet alleen in Jeruzalem), en te allen tijde (ook nu) om van zichzelf een G-ddelijke woning te maken.
Huis voor G-d
De kernvraag is eigenlijk waarom zou G-d een verblijfplek nodig hebben? Welke toegevoegde waarde zou een tempel voor Hem hebben, terwijl Hij hemel en aarde vervult? G-d is volmaakt. Per definitie ontbreekt Hem niets. Hij is volledig, en niets kan aan Hem worden toegevoegd.
Alle geboden die G-d ons opdraagt uit te voeren, zijn ons gegeven omdat zij goed voor ons zijn. Wíj hebben ze nodig om fysiek, spiritueel, emotioneel en mentaal gezond te blijven. Elk gebod en elk verbod dat wij naleven, helpt ons een evenwichtig leven te leiden, zowel materieel als spiritueel.
Hieruit kunnen wij concluderen dat niet G-d, maar wijzelf degenen zijn die het nodig hebben om voor Hem een woning te maken.
Daarmee blijft de vraag wat met een verblijfplaats wordt bedoeld.
De woning van een mens is de plek waar hij zich thuis voelt, waar hij tot rust kan komen omdat alles naar zijn wensen is ingericht. Hetzelfde geldt voor het huis van G-d: het is de plaats waar Hij als het ware ‘comfortabel’ is en Zich ‘prettig voelt’.
Wij zijn in staat om van ons leven een G-ddelijke woning te maken. Dat wil zeggen dat wij ons bestaan zo kunnen inrichten dat G-d Zich bij ons prettig voelt. Wanneer wij een leven leiden waarin wij de geboden en verboden van de Torah naleven, voelt G-d Zich bij ons thuis en kan Hij ons als Zijn woning beschouwen.
In de Tempel werden talrijke handelingen verricht die deel uitmaakten van de dienst, geheel overeenkomstig de geboden van G-d. Juist daarom openbaarde G-d daar Zijn aanwezigheid. Kennelijk heeft dit een zo diepe indruk nagelaten, dat de plaats van deze Tempel, zelfs tweeduizend jaar na zijn verwoesting, nog altijd doordrenkt is van deze G-ddelijke, spirituele energie. Zozeer zelfs dat mensen tot op de dag van vandaag bij de Westelijke Muur van de Tempelberg nog steeds iets heel uitzonderlijks ervaren.
G-d gebiedt ons in bovengenoemd vers om van onszelf een heiligdom te maken, een thuis voor G-d, een plek waar Hij zich prettig voelt. Een huis waar Zijn aanwezigheid regelmatig voelbaar is. Wij zijn door onze handelingen in staat om G-ds aanwezigheid in onszelf te openbaren. G-d zal zich dan via ons in meer of mindere mate manifesteren, door bijvoorbeeld ons te helpen, ons te beschermen en hier en daar wondertjes of, zoals mensen het noemen, ‘toevalligheden’ te laten gebeuren.
Geschiedenisboek of niet?
De Torah oogt als een geschiedenisboek. Zij opent met de schepping van hemel en aarde, waarna alle schepselen worden genoemd. Het relaas vervolgt met de eerste mens en zijn nakomelingen. Vervolgens komen de aartsvaders aan bod, de ballingschap en de uittocht uit Egypte en de aankomst in Israël. Alles leest als een boeiend verhaal, maar die indruk is enkel schijn.
Bij nader onderzoek blijkt al gauw dat niet alles in chronologische volgorde beschreven staat. Sommige evenementen, die pas later gebeurden, worden eerder genoemd. Ook blijkt dat vele generaties amper genoemd worden, terwijl over andere heel uitgebreid verteld wordt. Sommige gebeurtenissen worden tot in detail besproken en andere voorvallen worden niet eens genoemd.

Neem bijvoorbeeld de schepping van de wereld, een buitengewoon groots project. Daaraan worden slechts 31 verzen gewijd; daarmee moeten wij het doen. In deze 31 zinnen liggen alle geheimen van de schepping besloten. Hoewel er in onze wereld nog veel te ontdekken valt, zowel in de macrokosmos, het heelal, als in de microkosmos, onder een vergrootglas, vertelt de Torah daar opmerkelijk weinig over.
Als de Torah geen geschiedenisboek is, wat is het dan wel?
Aanwijzing
Het woord Torah is af te leiden van het woord הוראה (hora’a) dat laten zien en aanwijzing betekent. De Torah beschrijft alleen díe gebeurtenissen waar wij voor altijd een les uit kunnen leren. Uitsluitend die verhalen waaruit een eeuwige lering getrokken kan worden zijn in de Torah opgenomen. Wanneer een vertelling bepaalde levensvaardigheden kan instrueren, zelfs nog in de 21ste eeuw, pas dan wordt het vermeld. In elk relaas moet iets verborgen liggen dat ook voor onze generatie betekenis heeft.
Het kan dus heel goed zijn dat onze aartsvader Avraham, of Moshe Rabenoe bijvoorbeeld, buitengewoon bijzondere daden heeft verricht. Toch worden deze in de Torah alleen vermeld wanneer er een les in besloten ligt die van blijvend, eeuwigdurend belang is. Ook in het scheppingsverhaal worden uitsluitend die aspecten beschreven waaruit een mens te allen tijde lering kan trekken.
Bij het ontstaan van de wereld is ongetwijfeld veel gebeurd, maar kennelijk zijn 31 verzen voldoende om ons inzicht te geven in juist die zaken die voor óns van betekenis zijn en waaruit wij, tot de 21ste eeuw toe, inspiratie kunnen putten om ons handelen naar een hoger niveau te tillen.
Eerste synagoge
De eerste helft van Sjemot (het tweede boek van de Torah) beschrijft de ballingschap in en de uittocht uit Egypte, met als hoogtepunt het ontvangen van de Torah op de berg Sinaï. Helaas liep deze grote spirituele openbaring verkeerd af. Doordat het Joodse volk zich met één dag had vergist in de berekening van Moshe Rabbenoe’s terugkeer, ontstond de indruk dat hij voorgoed was verdwenen. In die korte, maar ontwrichtende periode van verwarring en onzekerheid verloor het volk zijn geloof en vertrouwen in G-d en werd het Gouden Kalf vervaardigd en aanbeden. De drang tot afgoderij bleek te groot en de verleiding te sterk.
Daarna moest er verzoening plaatsvinden tussen een Almachtige G-d en een volk dat het geduld niet had kunnen opbrengen om te wachten tot Moshe, onze leraar, van de berg Sinaï zou terugkeren.
G-d had geen vertrouwen meer in het Joodse volk en wilde het in zijn geheel uitroeien. Zijn wens was om met Moshe en zijn afstammelingen een nieuw volk te stichten, gelijk Hij dat met Noach tijdens de zondvloed had gedaan. Maar Moshe wilde hier niets van weten. Hij was een ware leider en kapitein en hij zou zijn schip niet verlaten. Hij stond vierkant achter het volk waar hij onvoorwaardelijk van hield. Hij eiste van G-d dat Hij het volk zou vergeven, hetgeen ook geschiedde.
Een tent mocht gebouwd worden, een huis voor G-d: de eerste synagoge, een plek waar verzoening plaats zou vinden tussen G-d en de mens, niet alleen toen, maar voor altijd. Dit werd de Tabernakel, de Mieshkan, genoemd. Het was een constructie die makkelijk opgebouwd en afgebroken kon worden, waardoor deze bij elke etappe in de woestijn getransporteerd kon worden. In deze verplaatsbare Tempel waren er o.a. altaars, een gouden menorah en een bovennatuurlijke driedubbele doos, met een engelachtig deksel van goud waar de stenen tafelen in bewaard zouden worden.
Plek van verzoening
De offers die men in de Tabernakel ging brengen zouden verzoening teweegbrengen tussen het Joodse volk en G-d. Collectieve offers werden gebracht om het volk als geheel te vergeven. Maar ook individuen die over de schreef waren gegaan konden toenadering bewerkstelligen door middel van een offer.
Het Hebreeuwse woord voor offer is korban (קרבן), dat ‘nabijheid’ en ‘toenadering’ betekent. Want waarom begaat iemand een overtreding? Omdat zijn band met G-d op de een of andere manier is verzwakt. Zijn geloof is minder krachtig geworden en zijn enthousiasme mogelijk afgezwakt. Daardoor raakt hij verleid tot bezigheden die niet aansluiten bij zijn ware Joodse kern; hij doet iets wat niet in overeenstemming is met de wil van zijn Schepper.
Toch is niet alles verloren. De gelegenheid wordt hem geboden het weer recht te zetten. Hij kan een offer, een korban, brengen. Hij begeeft zich naar de Tempel en verricht alle handelingen die bij het brengen van een offer behoren, terwijl hij zich bevindt op de heiligste plaats op aarde, een plek waarvan onze geleerden vertellen dat zich daar dagelijks tien wonderen voltrokken (Pirkei Awot 5:5). Het is een unieke ruimte op aarde, die altijd een bezoek waard was en dat nog steeds is, een plaats waar mensen tot op de dag van vandaag iets heel bijzonders ervaren.
Inmiddels zijn wij duizenden jaren verder. De Tabernakel uit de woestijn bestaat al lang niet meer en de twee Tempels in Jeruzalem zijn al millennia geleden verwoest. Het enige wat daarvan is overgebleven, is een klein gedeelte van de westelijke muur, en zelfs dat maakt geen deel uit van de Tempel zelf, maar van de ommuring rond de Tempelberg. Toch voelen bezoekers tot op de dag van vandaag diep ontzag op deze plaats. Men ziet hen daar staan: ernstig, ontroerd en geïnspireerd. En vanzelfsprekend, wat zou men anders verwachten? Want deze plek is dé ontmoetingsplaats waar de mens zijn verbondenheid met de Almachtige kan bekrachtigen.
Het begon allemaal met een gouden kalf, een noodzaak tot verzoening en de bouw van een heilige tent.
Toen het Joodse volk 40 jaar later in Israël arriveerde, kreeg het de opdracht om van deze tijdelijke Tempel een vast huis voor G-d te bouwen. Dit gebod werd honderden jaren later door Koning Salomon voltooid.
Beschrijving Tabernakel
De voorwerpen in de Tabernakel en de kleren van de priesters worden allen uitvoerig besproken: hoe zij eruit moesten zien, hoe en door wie zij vervaardigd moesten worden, wat hun afmetingen waren, uit welke materialen zij gemaakt mochten worden, goud, zilver, koper, hout, edelstenen, stoffen enzovoort, en welke donaties er werden gegeven.
Eénendertig verzen volstaan om de schepping te beschrijven, terwijl er maar liefst 371 nodig zijn voor de Tabernakel, een bouwwerk dat niet meer bestaat en voornamelijk in de woestijn dienstdeed. Dit contrast kan niet worden genegeerd. Voor een oneindige G-d schijnt het niet zo bijzonder te zijn een begrensde wereld te scheppen. De 31 verzen volstaan om dit kunstje te beschrijven. Maar voor ons, om G-d opnieuw in deze geschapen wereld te ontdekken, zijn kennelijk 371 verzen nodig.
Wij zijn na meer dan 5000 jaar nog steeds bezig om de wereld te doorgronden, om nog verder in het heelal te kijken, om nieuwe diersoorten op aarde te ontdekken. Over de hele wereld, in alle universiteiten wordt er d.m.v. research keihard gewerkt aan het ontdekken en ontrafelen van nog meer fenomenen, verbanden en mutaties. Maar voor G-d was het met enkele luttele 31 verzen gepiept. Anderzijds komt er heel wat bij kijken als een begrensd wezen, zoals de mens, een thuis moet maken voor een oneindige G-d. Dit is gecompliceerd en daar is veel tekst en uitleg voor nodig, wel 371 verzen.
Plek waar spiritualiteit kan gedijen
Er komt heel wat bij kijken als iemand van het materiële hier op aarde een heiligdom wil vormen. Wanneer het de mens lukt om de wereld om zich heen te verheffen, dan heeft hij een Tabernakel gebouwd, zelfs 2000 jaar nadat het echte gebouw verwoest is. Dit kan hij bijvoorbeeld bereiken als hij niet zomaar iets eet, maar ervoor zorgt dat het een koshere hap is. Bovendien kan hij ook nog de energie van dit voedsel gebruiken om een goede daad te verrichten. Nu heeft hij alle ingrediënten van zijn eten en alle handelingen die verricht zijn om dat eten te bereiden, naar een niveau gebracht waarvan wij zeggen: dit is een plekje dat dichtbij G-d is.
Dit is een Tabernakel, een Tempel, een plaats waar G-d zich thuis voelt omdat de handelingen die erin verricht worden volgens de Torah-code en instructies zijn. Dit kan overal en altijd bewerkstelligd worden, ongeacht de aanwezigheid van een Tempel, synagoge of Klaagmuur. Het enige wat hiervoor nodig is, is een mens, jij of ik, een stukje materie en een gebruiksaanwijzing, de Torah.
De gebeurtenissen bij de berg Sinai hebben een grote omwenteling teweeggebracht: vóórdat de Torah gegeven werd, was een goede daad geweldig, maar daar bleef het bij. Deze daad bleef vaststeken in de materiële wereld. Bij de berg Sinai trad een wezenlijke verandering op. Moshe Rabenoe ging naar boven op de berg en G-d daalde af, naar Moshe toe. Er vond een ontmoeting plaats tussen de hogere en de lagere werelden. Vanaf dat moment zou de materie, waarmee een goede daad verricht werd, opgaan in een hogere wereld. Ook de persoon zelf die een gebod uitvoert zou een spirituele verandering ondergaan. De G-ddelijke aanwezigheid zou zich hier op aarde zowel in de materie als in de mens zelf openbaren. G-d zou zichzelf openbaren door middel van een door ons uitgevoerde mitswah. De G-ddelijke aanwezigheid, zoals die in Gan Eden voelbaar was en die door alle fouten van vele generaties van de aarde verdwenen was, was in de Tabernakel weer teruggekomen.
Als een mens erin slaagt om de gebroken stukjes van zijn leven bij elkaar te rapen en er een huis voor G-d van weet te maken, is dat heel bijzonder. Als het hem lukt, al is het maar voor even, om een plekje hier op aarde te creëren waar G-d zich thuis voelt, waar spiritualiteit kan gedijen, dan heeft hij een woning voor G-d gecreëerd.
Het wonder van G-d en het wonder van de mens
Het leven bestaat uit tegenstellingen. De ene dag zijn we geïnspireerd en kunnen we de hele wereld aan. De volgende dag vragen wij ons af waar al onze lusten en begeertes vandaan komen en hoe wij zo diep hebben kunnen zinken. Wat is het toch wat ons steeds weer naar beneden sleurt en ons tot de meest afschuwelijke en lage gedachten en daden brengt?
Wij zijn geen engelen die nooit kwaad verrichten en constant in harmonie met hun bron weten te leven. Volmaaktheid wordt dan ook niet van ons verwacht. Wel moeten we steeds een strijd leveren tegen allerlei negativiteit die in ons opkomt d.m.v. een stemmetje in ons hoofd dat ons probeert te overtuigen om iets verkeerds te doen. Hierbij gaat het om de inspanning en niet per se om het resultaat. Een mens vergeet herhaaldelijk waar hij vandaan komt en wat hij met de wereld aan moet. Door zijn blindheid heeft hij moeite om de G-ddelijke vonken uit de materie te halen.
Het Jodendom is geen religie die zich voornamelijk in een synagoge afspeelt. Het G-ddelijke aspect kan overal ontdekt worden, zelfs in de woestijn. Juist in de wildernis wordt een Tabernakel gebouwd! Midden in je eigen chaos en rommel kun je dat vonkje aansteken.
De schepping van de wereld, het veranderen van energie in materie, dat is een wonder van G-d. Het terugkoppelen van de materie naar de bron, het ontdekken van de G-ddelijke energie in de kleinste details van de materie in ons leven, dat is het wonder van de mens. Daar is innovatie en creativiteit voor nodig.
Als je naar de bouwplannen van de Tabernakel kijkt, merk je dat G-d aandacht heeft voor elk detail. Ineens blijkt elke balk, spijker, knoop en lus van belang te zijn. Waar het zich bevindt, hoeveel ervan zijn, van welk materiaal het gemaakt moet worden etc… Het is een opsomming van de kleinste details, waarbij vaak halve maten gebruikt moeten worden.
Ons leven is ook vol kleine details en zelfs halve stukjes. Was je eerlijk bij de kassa vandaag? Heb je de mensen die je op straat tegenkwam op een respectvolle manier gegroet? Heb je de sjabbatkaarsen nog net op tijd aangestoken? Had je nog een glimlach over voor je leerling? Was je aardig tegen je werknemer en vooral tegen je broer, je moeder en je echtgenoot? Heb je een bracha gezegd voordat je dat kleine schijfje appel in je mond stopte? Heb je de verleiding kunnen weerstaan, al is het maar eventjes, om niet….?
Energie openbaren
Denk niet dat het een alles-of-niets-spelletje is. Nee, elke keer dat je moeite doet om in deze wereld de materie, je geld of je liefde te gebruiken en deze naar een hoger niveau te tillen, heb je weer een detail, een bouwsteen toegevoegd aan de constructie van een Tabernakel, een thuis voor G-d, een plek op aarde waar G-d zich prettig voelt. Een moment in je dag waarin je voelt dat het allemaal klopt, dat het zo hoort, dat je goed bezig bent. En ja, het gaat honderd keer mis, maar dat ene vonkje dat je steeds weet te ontdekken maakt het verschil. Het is die halve maat, dat kleine stapje. Al die vonkjes bij elkaar resulteren in een warme vlam en een prachtige constructie. Het kost veel tijd en moeite. De 371 verzen zijn nodig om de energie te openbaren die G-d in deze wereld heeft verstopt.
De Talmoed heeft het geheim al lang verklapt (Ketoebot 5a): Bar Kapara wordt geciteerd en vertelt ons dat “De daden van goede mensen op een hoger niveau zijn dan de schepping van hemel en aarde”.
Ja, wij zijn het die, ongeacht ons spiritueel niveau, dagelijks een detail kunnen toevoegen aan het bouwen van de derde Tempel, met de komst van Mashiach, spoedig in onze dagen! Amen…
Bracha Heintz
Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!
Gebaseerd o.a. op een artikel van YY Jacobson
Tekst: Bracha Heintz | Opmaak: Rianne Meijer, Sonja Tamam & Devorah Verwoerd


2 Replies to “Teroema | Waar G-d zich thuis voelt”
Wow wat een mooie, inspirerende en opbouwende les