Tsaaw | Het vuur dat je zelf moet aansteken

Tsaaw | Het vuur dat je zelf moet aansteken

Vaak wachten wij op een teken, een wonder of een openbaring. We zoeken een bewijs dat G-d inderdaad bestaat en dat Hij de wereld aanstuurt en beheerst, maar wat als wij juist diegenen zijn die het hele systeem in beweging kunnen brengen? Wat als wij wonderen doen ontstaan? Zou één kleine vonk van ons hier beneden de hemel doen bewegen?

Download hier een printversie van dit artikel (PDF)

‘En het vuur zal op het altaar brandend gehouden worden, je zult het niet doven…’     

‘…וְהָאֵ֨שׁ עַל־הַמִּזְבֵּ֤חַ תּֽוּקַד־בּוֹ֙ לֹ֣א תִכְבֶּ֔ה’

Wajikra 6-5

In deze tekst staan we stil bij het altaar in de Tabernakel, en later in de Tempel, de centrale plek waar het contact tussen mens en G-d zichtbaar werd. Elke ochtend opnieuw begon de dienst met een ogenschijnlijk eenvoudige handeling: een priester legde vers hout op het altaar, stak het vuur aan en waakte ervoor dat het bleef branden. Maar wat daar gebeurde, ging verder dan menselijke inspanning alleen. Zodra het vuur van beneden werd ontstoken, daalde er een hemels vuur neer dat het offer verteerde.

Precies in dat spanningsveld, tussen wat van boven komt en wat van beneden wordt aangewakkerd, ligt de kern van een diepere uitleg. Want als het vuur toch uit de hemel neerdaalt, waarom is het dan nodig dat de mens zelf het eerste vuur aansteekt? Die vraag vormt het vertrekpunt van een diep inzicht dat de Maggid van Mezritch doorgaf aan de Alter Rebbe.

In het boek Hayom Yom (20 Adar 2) wordt het volgende naar voren gebracht: De Alter Rebbe vertelde: “Eén van de leringen die mijn meester, de Maggid van Mezritch, mij tijdens een persoonlijk onderhoud meegaf, ging over het vers: ‘Een voortdurend vuur moet op het altaar branden; je zult het niet doven.’

Hoewel het vuur van boven neerdaalt, als een G-ddelijke impuls, een ontwaken van bovenaf, blijft het een gebod om ook zelf vuur van beneden te brengen. Want juist een beweging van beneden zet een beweging van boven in gang. M.a.w. alles wat wij hier op aarde doen heeft een direct gevolg op wat zich in de hogere werelden afspeelt. Elke handeling, elk woord en elke gedachte is als het ware met een touwtje verbonden met een soort energie dat zich in de hemel bevindt. Het initiatief van beneden vormt een voorwaarde voor het respons van boven. Vandaar het gebod voor de priester om dagelijks het vuur op het altaar te ontsteken.

Het altaar bevindt zich niet alleen in de Tempel, maar ook in ieder van ons, waarbij het offer de dierlijke kant van een mens vertegenwoordigt, zoals het vers aangeeft (wajikra 1-2): ‘een mens zal van zichzelf een offer brengen.’ (zie het artikel van Parashat Wajikra). Het brengen van dat offer alleen is echter niet genoeg. Het vraagt ook om vuur, een innerlijke vlam, die het offer werkelijk betekenis geeft. En ‘je zult het niet doven’. Dit kun je letterlijk vertalen of wat dieper bekijken en dan staat er: je zult het NIET doven, m.a.w. je zult de negativiteit  in je leven doven. 

De Alter Rebbe voegde daaraan toe:  “Mijn meester heeft deze leer tien keer aan mij herhaald, om haar diep in de tien vermogens van mijn ziel te verankeren. Hij zei tegen mij: ‘Jij, mijn leerling, zult een voortdurend vuur nodig hebben. Want jouw taak zal zijn om een groot ‘nee’ te doven namelijk het verzet van de tegenstanders. Jij zult dat ‘nee’ uitdoven, en de Eeuwige zal het omvormen tot een ‘ja’.’

Een offer is iets wat je van jezelf weggeeft. Je zet ‘een dier’ of ‘je eigen dierlijke aspecten’ aan de kant voor een ander, voor een hoger doel. Maar hoe doe je dit? Hoe waarborg je de kwaliteit en de continuïteit?

Warmte vasthouden

Voor een goede temperatuur in huis heb je brandstof nodig en een thermostaat. Offers kunnen niet zonder brandstof en vuur. Met andere woorden: je kunt in je leven ‘de thermostaat aanzetten’ en van alles en nog wat doen door bijvoorbeeld regelmatig Torah te leren en je keurig aan alle geboden houden. Je kunt je eigen comfort opzijzetten en tijd, geld en moeite opofferen aan iets wat hoger is dan jezelf. Maar dan nog zul je het ook brandend moeten houden. Er moet continu een bepaalde warmte in zijn. Zonder die warmte blijft alles wat je doet uiteindelijk koud en mechanisch, correct misschien, maar een beetje onverschillig. 

Soms zijn we geïnspireerd, maar soms hebben we er totaal geen zin in. Soms is het leuk en spannend, andere keren saai en eentonig. Soms voelen we de warmte van het Jodendom, andere keren staan we er cynisch tegenover. Hoe houden we de warmte vast, elke dag… constant? Er is maar één manier, vertelt de Torah: ‘De priester moest elke ochtend het hout op het altaar aansteken’. Vuur en warmte hebben brandstof nodig en die zullen we zelf moeten aanleveren.

Reken niet op je buren, je ouders, de Rabbijn en zelfs niet op Hashem. Sommigen onder ons wachten op een wonder, een G-ddelijke stem of vuur uit de hemel. Wil je hulp van Boven krijgen, dan zul je de eerste stap moeten zetten. Wil je dat planten groeien, dan zul je eerst moeten ploegen en zaaien. Daarna kan de groeikracht, die zich in de aarde bevindt, zijn werk gaan doen. De regen die vervolgens uit de hemel valt, zorgt voor het gewenste resultaat. Zo gebeurt het niet alleen in de fysieke wereld maar ook in de spirituele wereld.

Het vuur komt pas uit de hemel nadat het hout hier beneden aangestoken wordt.

Met vreugde

Creëer je eigen inspiratie, motiveer jezelf, ontwikkel je eigen enthousiasme. Maak het Jodendom leuk, zet een vrolijk muziekje aan, doe een dansje in je woonkamer, zet je grote glimlach op en ga ervoor. Niet omdat het moet… maar uit blijheid. Blijheid dat G-d ons gekozen heeft om Hem te dienen. Blij dat wij het voorrecht hebben d.m.v. zijn geboden om dichter bij Hem te mogen komen. Blij dat Hij ons de gelegenheid geeft om een relatie met Hem te hebben. Tsaaw betekent gebod maar hetzelfde woord betekent ook verbinding. Die verbinding komt tot stand door Zijn geboden uit te voeren. De beste en misschien wel enige manier om een stevige relatie met iemand te ontwikkelen is door uit te voeren wat hij je vraagt om te doen (gebod) en je te onthouden (verbod) van zaken die hij onwenselijk vindt. 

‘Omdat je G-d niet met simcha (vreugde) gediend hebt’, vertelt ons de Torah in Dewarim 28-46. De oorzaak van alle ellende is niet het feit dat je G-d niet hebt gediend. Nee, je hebt Hem wel gediend, je hebt het offer wel gebracht, maar het is koud op het altaar blijven liggen. De warmte en de innerlijke vreugde ontbraken. En dan heb je een groot, koud en donker gat. Zo’n gat raakt al gauw gevuld met spulletjes die je helemaal niet wilt. Ondertussen blijft jouw offer daar in de kou liggen. Er gebeurt niets, helemaal niets. Alle moeite voor… niets.

Elke actie veroorzaakt een reactie; als je het vuur hier beneden aansteekt komt het vuur van Boven als antwoord. Zo ook veroorzaakt alle moeite die je doet een reactie van Boven.

Je eigen vuur is begrensd; het is een menselijk vuur en dus gelimiteerd door tijd en ruimte. Wanneer jouw vuur eenmaal brandt, voegt G-d Zijn eigen vuur toe. Dit is zijn eigen onbegrensde warmte, Zijn zegen en bovennatuurlijk succes, vuur dat komt nadat jij de eerste stap hebt genomen. Laat de ketel branden, houd de warmte in je hart en in je ziel. Ervaar de pracht en praal van het Jodendom en straal het uit.

Warmpjes

Dat heerlijke stukje van je favoriete cake, het overdreven bijhouden van het nieuws of het checken van je emails en appjes, hoe heerlijk ook, ze zullen je hart en ziel niet warm houden. Ze zijn niet in staat om je ziel te ontsteken. Deze bezigheden werken allemaal verslavend en sleuren je neerwaarts.

Wil je een super-dag voor jezelf creëren? Wil je gedreven door het leven gaan? Begin dan je dag met stilte, meditatie en gebed. Leer een stukje uit de Torah en leg een paar muntjes in het tsedaka-busje. Doe het met warmte en plezier. Wees vrolijk of doe net alsof. Op den duur zal je glimlach jezelf en anderen aansteken en zal het onbegrensde, hemelse vuur jou boven alles uittillen.

“Je zult het niet doven.” De Maggid van Mezritch leest dit vers op een verrassende manier: hij plaatst een komma na het woord ‘niet’. Dan ontstaat er een andere betekenis: ‘Je zult het niet, doven.’ Met dat ene woord, ‘niet’, wordt het negatieve bedoeld. Het is niet alleen het vuur dat niet gedoofd mag worden, maar ook het ‘niet’ dat uitgeschakeld dient te worden. Wanneer wij ervoor zorgen dat we de mitswot met warmte en enthousiasme vervullen en onze innerlijke weerstand en de krachten die ons beletten om door en door Joods te zijn doven, dan zal Hashem met Zijn vuur van boven de negativiteit omvormen tot positiviteit.

Warme groet,

Bracha Heintz
www.chabadutrecht.nl

Gebaseerd op een artikel van Rav YY Jacobson
Opmaak Rianne Meijer en Devorah Verwoerd
Klik hier om wekelijks per WhatsApp een artikel te ontvangen!

Help jij mee om de continuïteit van deze artikelen te waarborgen? Door te sponsoren word je een actieve partner en steun je ook verdere activiteiten! Doneren kan hier op chabadutrecht.nl/doneren.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *